Skip to content

Politiek Pluralisme en Sociaal Recht: Proudhonnistische Leerstukken

27/05/2012

                                                                          De Russisch-Franse jurist, socioloog en filosoof Georges Gurvitch (1894 – 1965) bracht een aantal leerstukken van Proudhon in een onderlinge samenhang. Dat deed hij binnen een voor veel juristen bijzondere manier van kijken naar het recht. Wat dat heeft opgeleverd wordt door de Franse publiekrecht jurist Jacques Le Goff in een onlangs verschenen boek van beperkte omvang (120 blz.) op hoofdpunten beschreven. Wat leert lezing van deze tekst?

 Broedplaats

De denkbeelden van Gurvitch komen niet uit de lucht vallen. Ze zijn deel van zijn eigen geschiedenis. Hij heeft ze opgedaan als jonge Rus (student rechten) in een  revolutionaire tijd. Vroeg is hij al vertrouwd met de opvattingen van de Franse anarchist en maatschappijcriticus Pierre-Joseph Proudhon (1809 – 1865). Tijdens de revolutie ziet hij mensen spontaan het zelfbestuur, zoals Proudhon dat voorstond, introduceren en toepassen. Gurvitch meent dat hier het sociaal recht wordt geboren in volledige onafhankelijkheid van de staat. Een ander woord voor sociaal recht is gemeenschapsrecht. Het verwijst naar recht dat als een autonoom verschijnsel van niet-statelijke herkomst ‘regelgeleid’ gedrag laat beschrijven.

Gurvitch ziet allerlei vormen van directe democratie opbloeien. Het levert voor hem het idee van de mogelijkheid van een pluralistisch karakter van de maatschappij. Die maatschappij is fundamenteel antitotalitair, maar wel socialistisch, ingericht. Hij maakt ook mee hoe dit alles door het totalitaire bolsjewisme in relatief korte tijd wordt neergesabeld. Hierin ligt de reden dat Gurvitch vrijwillig in ballingschap gaat en Rusland verlaat (in 1920). Een universitaire loopbaan die al in Rusland was begonnen, zal hij aan verschillende instellingen van hoger onderwijs in andere landen en steden voortzetten.

Na Praag (1920) wordt dat Parijs (1925). Gurvitch vindt er in de woorden van Le Goff een ‘broedplaats’. De aandacht van Gurvitch gaat uit naar de zich uitbreidende kracht van het georganiseerd collectief: het syndicalisme en de republiek, die sociaal wordt.

De sociale republiek heeft zelfs een plaats gehad in de preambule van de Franse grondwet van 1946. Dat was een direct effect van het programma van de Nationale Raad van het Verzet (1944). Dat programma beloofde een democratische en sociale economie. De leiding daarover was bij de grote feodale en financiële krachten weggehaald. Een rationele organisatie zou de particuliere belangen onderschikken aan het algemeen belang.

Per direct kondigde het Medef (Mouvement des Entreprises de France), de grote Franse werkgeversorganisatie, aan dit programma methodisch te zullen slopen. Ik ontleen dit aan het zojuist verschenen boek van een van de ‘verbijsterde economen’, Christophe Ramaux, L’État social, Pour sortir du chaos néolibéral (Paris, 2012, p. 107-108).

Georges Gurvitch

Sociaal recht

Dit voorspelde sloopwerk zou nog even op zich laten wachten. Dat begon zo’n dertig jaar geleden toen de neoliberale wind ging waaien. Gurvitch heeft echter de opbouw van het programma meegemaakt. Hij kon zich dus verder met de vraagstukken bezighouden, die hem na aan het hart lagen. Zo had hij in zijn hoofd dat een sociaaleconomische organisatie niet langer in een privaatrechtelijk kader gedacht moest worden, maar dat het idee van het ‘sociaal recht’ tot ontwikkeling moest komen…

Gurvitch is dan ook de man van het sociaal recht geworden. Het wordt door hem langs verschillende lijnen uitgewerkt: integratie, transpersonalisme en pluralisme. Het sociaal recht is een waarde om te ontsnappen aan een individualistische instelling en, tegelijk, aan de fascinatie voor de staat. Om te vermijden dat ‘het sociale’ niet op zijn beurt een overheersende of zelfs tirannieke factor wordt, moet het pluralisme als organisatorisch leerstuk worden uitgewerkt.

Het recht wordt door Gurvitch als een autonoom, sociaal product begrepen, dat een bepaalde ontwikkelingsgang door maakt. Hij spreekt daarbij over ‘ongeorganiseerd sociaal recht’ dat zich ontwikkelt en ‘georganiseerd sociaal recht’ dat zich als ‘institutie’ vestigt. Het centrum van de zwaartekracht van de ontwikkeling van het recht ligt dan ook niet in de wetgeving maar in de samenleving zelf. Hier zien we een effect van het denken in termen ‘immanentie’, waarover later meer.

Het is duidelijk dat een en ander niet zonder ‘waarde’-denken (normen) blijft. Die waarden worden, ook hier weer, als immanent aan het sociale begrepen. Ze worden aangedragen via ‘normatieve feiten’. Dat lijkt een tegenspraak maar voor Gurvitch loopt er geen scherpe scheidslijn tussen norm en feit. De afwezigheid van een dergelijk type scheidslijn komt men ook bij Proudhon tegen die gerechtigheid tegelijk ziet als idee en realiteit. In zijn hoedanigheid van idee maakt het deel uit van formuleringen, van de taal en de beelden erbij.  Maar ze is tegelijk aanwezig in praktische handelingen, in sociale relaties. Het wordt in geen geval gedacht als iets buiten ons, als iets transcendents.

Sociale constitutie

Le Goff noemt Gurvitch regelmatig – en terecht – proudhonnist. Maar nergens legt hij uit hoe het proudhonnisme waar hier naar verwezen wordt, is ingevuld. Dat doet de Franse anarchist en socioloog Pierre Ansart (1922) wel. Ansart heeft bij Gurvitch, die inmiddels als hoogleraar aan de Sorbonne (Parijs) verbonden is, zijn proefschrift geschreven (door het voortijdig overlijden in 1965 moest Ansart zijn werk bij een ander voortzetten). Onder de titel La sociologie de Proudhon is dat in 1967 uitgekomen.

Alain Pessin en Mimmo Pucciarrelli hebben Pierre Ansart over het proudonnisme uitvoerig geïnterviewd. Dit interview is in boekvorm verschenen onder de titel Pierre Ansart et l’anarchisme proudhonien (Lyon, 2004). Hieraan ontleen ik elementen die relevant zijn voor het begrijpen van wat als ‘proudhonnisme’ mag worden opgevat in relatie tot het denken van Gurvitch. Ik doe dit om daarmee de tekst van Le Goff op dit punt aan te vullen.

Pierre Ansart

In 1932 publiceert Gurvitch zijn L’Idée de Droit social waarin hele passages aan Proudhon zijn gewijd. Die wordt er in behandeld als belangrijk voor de sociale wetenschappen en als bedenker van een anti-hegeliaanse dialectiek, te weten de dialectiek van de tegenstellingen. Dit zijn tegenstellingen die zich niet laten opheffen. Telkens wordt er naar evenwicht gezocht tussen dergelijke tegenstellingen.

Gurvitch herkent hierin de ideeën van de sociale thermodynamica uit zijn tijd waarmee hij vertrouwd is. De thermodynamica bestudeert, ondermeer, de optredende spanningen die bij verhitting ontstaan en hoe die te reguleren. Door bepaalde technische systemen in te bouwen (denk aan de werking van een thermostaat) ontstaat er een soort ‘zelfregulering’. Gurvitch en anderen maakten van die natuurkundige inzichten gebruik om op het niveau van het maatschappelijke in termen van zelfbestuur en zelfregulering te kunnen nadenken. Een verbinding met opvattingen van Proudhon over ‘(arbeiders)zelfbestuur’ is dan niet moeilijk te leggen.

Wat bij Proudhon ‘positieve anarchie’ heet, rekent Gurvitch tot diens belangrijkste politieke voorstellen. Die voorstellen ontwikkelt Proudhon vanuit zijn sociale kritiek. Die bestaat schematisch uit drie elementen:

(a) economische vervreemding of wel het kapitaal exploiteert anderen om de winst, via het regime van de particuliere eigendom,

(b) politieke vervreemding of wel de onderwerping van de burger aan overheidsmacht,

(c) religieuze vervreemding.

Die drie vormen van vervreemding kennen als volgt hun analogie. Het kapitaal kent zijn analogie in de politieke orde, gevormd door de regering, hetgeen weer als synoniem wordt teruggevonden in de religieuze orde, te weten het rooms-katholicisme. Dat wat het ‘kapitaal’ doet met de ‘arbeid’, doet de ‘staat’ met de vrijheid en de ‘kerk’ op zijn beurt met de intelligentie.

Bekijken we Proudhons kritiek op de economische politiek, dan stelt hij een aantal tegenstellingen vast, die niet zijn op te lossen (dit zou anders zijn als men er een hegeliaanse dialectiek op loslaat, wat tot een totalitair stelsel leidt, zoals in het leninisme en stalinisme herkenbaar is). Wat je wel kan doen is zoeken naar ‘economische evenwichten’.

Ansart wijst er op dat dit concept niets van doen heeft met maatregelen ter matiging van de negatieve effecten die een kapitalistische maatschappij voortbrengt. Het gaat om de constructie van een ‘sociale constitutie’ die geregeld wordt door het centrale beginsel van gerechtigheid, zoals ‘gelijke ruil’. Dat laatste staat radicaal tegenover de kapitalistische uitbuiting.

Collectieve kracht

Die ‘gelijke ruil’ stoelt op het idee van Proudhon dat hij ‘collectieve kracht’ heeft genoemd: allen tezamen zijn de mensen binnen een productie-eenheid de ‘producent’; die hoedanigheid geeft recht op een gelijke verdeling van de opbrengsten van de productie. De klassieke werkgever kan dus niet langer de meerwaarde door de samenwerkende arbeiders geproduceerd, als winst afromen. Dat systeem is door de introductie van productieassociaties en coöperaties geëlimineerd.

Het uitwerken van dit soort ideeën zal leiden tot ‘sociale revolutie’, die er niet in bestaat de staatsmacht te veroveren om die dan uit te oefenen tegen andere slachtoffers van overheersing. Het doel is de liquidatie van de overheersende macht door de instelling van een socio-economische organisatie. Die moet het immanent (dat wil hier zeggen door zijn specifieke organisatievorm) onmogelijk maken om terug te keren naar het buiten deze organisatie plaatsen van (politieke) macht. Dat is het doel van wat ‘positieve anarchie’ heet. Het is de verwijzing naar een maatschappijtype zonder transcendent beginsel, zonder ‘meester’, zonder onderdrukkende macht.

Pierre-Joseph Proudhon

Zonder transcendent beginsel, want Proudhon keert zich radicaal tegen het onderscheid transcendentie / immanentie omdat in transcendentie de lijn naar onderwerping loopt. De religie maakt gebruik van het onderscheid om daarmee een dichotomie van het heilige en het wereldse op te bouwen. Die dichotomie maakt het absolute heilig en oneindig superieur, waarbij de burger onderwijl tot een onderworpen wezen wordt gemaakt, geroepen om te gehoorzamen. Door het beginsel van het recht buiten de mens te plaatsen, de religie de onderwerping van de mens aan sociale onderdrukking te laten legitimeren, heeft de politieke macht en het regime van de eigendom de vrije hand…

Politiek pluralisme

Maar niet zonder organisatie, aldus Proudhon. Wat stellen we in de plaats van regering, zo vraagt hij zich af. Dat is de industriële organisatie, luidt zijn antwoord in zijn Idée générale de la Révolution au XIXe sciècle (1851). Contracten komen in de plaats van wetten, ieder burger, gemeente of associatie regelt zelf zijn zaken; politieke macht wordt vervangen door economische macht. In de plaats van de oude klassen van burgers, adel, bourgeoisie en proletariaat komen de categorieën en specialistische functies Landbouw, Industrie, Handel, enzovoort. De collectieve kracht vervangt de politieke macht. Hangt dit alles als los zand aan elkaar?

Neen. Zo heeft Proudhon in zijn Solution de Problème social (1848) al gesproken over de republiek als een organisatie waarin: alle opvattingen, alle vrij uitgeoefende activiteiten, het volk, als een eenheid handelt. In de republiek doet elke burger wat hij wil en niet anders dan dat hij het wil, neemt hij direct deel in de wetgeving en het bestuur, zo goed als hij ook deelneemt aan de productie en aan de circulatie van de rijkdom. ‘La République est une anarchie positive’. Ziedaar het programma van de moderne maatschappijen, roept Proudhon uit.

Het betreft een omvattend systeem van een grote hoeveelheid verschillende organisaties, die we terugvinden als er wordt gesproken over syndicalisme, mutualisme, coöperatisme, associationisme. De opbouw van dat omvattende maatschappelijk systeem geschiedt vanuit de basis. De hechting van die organisaties vindt plaats doormiddel van federalisme. Hier is te herkennen wat bij Gurvitch ‘politiek pluralisme’ wordt genoemd.

Invloed?

Keren we nu weer terug naar Le Goff. Die heeft zich bezig gehouden met de vraag waarom de jurist en socioloog Gurvitch zich tot politiek denker heeft geprofileerd. Hij hield zich toch met het recht bezig? In de eerste plaats valt op te merken dat het ‘sociaal recht’ zoals Gurvitch dit denkt een regulerende en normerende factor binnen het kader van een libertaire orde vormt. Het is immers het recht van de mensen zelf.

In de tweede plaats mag niet vergeten worden dat Gurvitch als jonge Rus heeft mee gemaakt hoe er enorme ‘krachten’ in beweging waren gezet (de revolutie in Rusland). Leidde dit niet tot de geboorte van een autoritaire macht? Aldus is in te schatten dat zijn juridische en politieke denken is te herleiden tot de ervaring van de verkeerd aflopende revolutie. Daaruit is ondermeer zijn strijd af te leiden voor een pluralistische democratie, voor economisch federalisme dat zich internationaal uitbreidt.

Wat was de invloed van Gurvitch met betrekking tot de verspreiding van het proudhonnisme, zo wordt in het bovengenoemde interview aan Ansart gevraagd. Van zijn antwoord word je niet veel wijzer. Sommige mensen zal hij zeker beïnvloed hebben… Le Goff stelt zich een zelfde soort vraag, maar dan in de richting van juristen. Zijn antwoord is duidelijk: uiterst gering.

Met zijn rechtsopvatting heeft Gurvitch de handen van de juristen niet op elkaar gekregen. De meesten stonden er om verschillende redenen eerder vijandig tegenover. Enkele van die redenen zouden juist voor anarchisten tot een voorkeur hebben kunnen leiden. Ga maar na. Een veelheid van juristen wijst zijn schoppen tegen het (rechts)positivisme af. Het positivisme leert: de enige bron van het recht is de wet. Gurvitch bestrijdt dat door de samenleving, de gemeenschap als bron van recht te kiezen.

De juristenwereld wilde er ook niet aan om met Gurvitch in discussie te gaan, juist omdat zijn gedachtewereld doordrenkt was van proudhonnisme en omdat die meer republikeins was dan hun wereld. Bovendien bleef de juristenwereld vasthouden aan een rechtsopvatting die sterk staatgecentreerd was. Voor anarchisten zou dat anders liggen – als zij kennis hadden genomen van diens denkbeelden. Al bij voorbaat wijzen zij staatscentrisme af. En over het proudhonnisme valt met hen te praten.  Maar als ‘auteurskringen’ lagen zij te ver uit elkaar om met elkaar in contact te kunnen zijn, uitzonderingen daar gelaten, zoals Ansart.

In zijn slothoofdstuk geeft Le Goff vervolgens aan waarom Gurvitch het verdient herlezen te worden. Ik vat dat als volgt samen. Gurvitch heeft een ‘multidimensionaal burgerschap’ verdedigd en ‘de macht van een arrogante staat’ afgewezen. Alles draait om de soevereiniteit van het sociaal recht als fundament van gemeenschappelijk menselijk leven. Aldus is Gurvitch voor Le Goff de initiator en overdrager van een inspiratie die ieder op zijn eigen wijze kan uitdragen.

De kern van het actuele debat gaat over het zoeken naar een nieuw type evenwicht tussen het individu en het sociale, tussen gemeenschap en politiek, tussen representatieve democratie en directe democratie, tussen markteconomie en solidaire economie…En dit alles is te ontdekken bij Gurvitch, aldus Le Goff.

Thom Holterman

LE GOFF, Jacques, Georges Gurvitch, Le pluralisme créateur, Michalon Éditions, Paris, 2012, 126 p., 10 euro.

Advertenties
One Comment leave one →
  1. Bert van den Bosch permalink
    27/05/2012 19:15

    Thom, de eerste opwelling, die bij lezing van dit artikel bij me opkomt, is dat Gurvitch’s ideeën heel dicht bij de ideeën van de Indianen komen, zoals je dat hebt omschreven in je artikel over het onderzoek van Pierre Clastres.

    groet Bert.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s