Skip to content

Opvoeding En Onderwijs In De Libertaire Traditie

09/10/2012

Van 8 t/m 12 augustus 2012 vond er in Saint-Imier (Zwitserse Jura) een Internationale Ontmoeting van het Anarchisme plaatst. Honderd veertig jaar ervoor was in die zelfde plaats de antiautoritaire Internationale opgericht. Een van de bedoelingen van de nu georganiseerde ‘ontmoeting’ was te discussiëren over de stand van zaken wat het anarchisme aangaat. In dat kader stond ook het onderwerp opvoeding en onderwijs op het programma.

Dit onderwerp kent een lange traditie in anarchistische kring. In de afgelopen jaren is er sprake van een hernieuwde belangstelling. Maar of je nu honderd veertig jaar terug kijkt of naar de hedendaagse praktijk, het intrinsieke doel van volksonderwijs is hetzelfde.

Opvoeding en onderwijs ten behoeve van ‘volksopvoeding’ is in de loop van vele voorgaande jaren geprofessionaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Dat heeft de netwerken van activisten en vrijwilligers op dit terrein de das om gedaan. Het is veel makkelijker om professionals in te huren dan collectief een zelfbesturende verenigingsstructuur draaiende te houden. Makkelijker, maar voor wie? Juist, voor hen die het kunnen betalen. Maar het geld is op…

In de ontstane situatie wordt nu ingesprongen door een groei van het vrijwilligerswerk. Daar ligt de kans voor de herintroductie van het libertaire gedachtegoed. Door de scholingsactiviteiten op hedendaagse behoeften af te stemmen kan men die activiteiten een bevrijdende kracht geven en tevens de libertaire  beginselen in praktijk brengen. In Frankrijk maakt een dergelijke beweging zich manifest.

Een van de deelnemers aan de Internationale Anarchisten Ontmoeting in Saint-Imier hield daarover een lezing. In die lezing wordt verleden en heden door de Franse libertaire pedagoog Hugues Lenoir met elkaar verbonden. Hieronder treft u zijn lezing in een vertaling aan.

Inleiding

Zelfs vóór de oprichting van de antiautoritaire Internationale in 1872 in Saint-Imier (Zwitserland), nam ondermeer Gustave le Français al deel aan de redactie van een opvoedkundig programma ten behoeve van de vereniging van socialistische docenten naar aanleiding van een oproep in de proudhonistische krant Le Peuple in februari 1848. Dit levert een van de bronnen voor een libertaire en syndicalistische pedagogie. Het programma heeft als doel aan een ieder zonder onderscheid een zelfde onderwijs te verzorgen. Het werd breed gesteund door de Parijse arbeidersverenigingen. (…)

Proudhon

Proudhon pakte het idee van een integrale opvoeding op in de lijn van Charles Fourier. Deze stelde reeds een maatschappij zonder staat voor, die voor een groot gedeelte rust op een vrije opvoeding en gekozen door de deelnemers zelf. Dus zelfs voor de geboorte van het ‘officiële’ sociaal-anarchisme, eiste de beweging waarvan wij de opvolgers zijn al een revolutionaire opvoedkunde op.

In De la capacité politique des classes ouvrières had Proudhon de ambitie in de richting te werken van de ‘intellectuele bevrijding van het volk’. En met een vooruitziende blik wees hij er al op dat de school van de (rooms-katholieke) Kerk en/of van de Staat een machine zou zijn die de onderwerping van de ‘eenvoudigen van geest’ zou organiseren. Daarbij zou slechts een elementaire scholing worden geboden met het doel jongeren, dat wil zeggen de toekomstige arbeiders, in te sluiten ‘in een tot deelfuncties versmalde instructie’, ten behoeve van vervreemde arbeid.

Want zonder garantie en zonder controle van arbeidersverenigingen ‘zou het naar school gestuurde kind altijd slechts een jonge gedresseerde slaaf zijn geschikt voor dienstverlening, in het belang en de zekerheid van de heersende klasse’, meende Proudhon. Hij beschouwde dus de arbeidersverenigingen als geroepen om een belangrijke rol te spelen. Hun associaties zouden tegelijk het thuis zijn voor de arbeiders en het thuis voor opleiding. Het is in hun tijd dat de anarcho-syndicalisten en mensen als Sébastien Faure met hun werk daaraan beantwoordden.

Edouard Dolléans, die Proudhons opvatting volgde, onderstreepte in dat geval dat de vakvereniging en de school de arbeid zijn betekenis en zijn plezier kon teruggeven. De nauwe relatie tussen een humanistisch en wetenschappelijk onderwijs en het leren omgaan met de techniek was, in de ogen van de Parijse arbeiders (vaak proudhonisten), zelfs de voorwaarde voor sociale emancipatie. Op die manier had Proudhon ook begrepen dat de ‘arbeiderspartij’ zich meester moest maken van een adequaat onderwijssysteem voor arbeiders in een samenleving waarin de arbeider soeverein zou zijn.

De Internationale

Vanaf de oprichting van de Internationale Arbeiders Associatie (IAA) in 1864 en vervolgens het congres van de antiautoritaire Internationale was ‘onderwijs’ telkens een van de onderwerpen dat de aandacht kreeg. Reeds op het tweede congres van de IAA te Lausanne in 1867 werd de noodzaak van een integraal onderwijs, geïnspireerd door Proudhon, aan de orde gesteld. Het congres legde in een resolutie de voorkeur vast voor de organisatie van een school/werkplaats en wetenschappelijk beroepsonderwijs. In de ogen van de internationalen zijn onderwijs en opvoeding voorwaarden voor de bevrijding van de arbeiders. Zo bevestigde een van hen, Heligon, dat de afwezigheid van opleiding de arbeider in een afhankelijke positie plaatst ten opzichte van de bezittende klasse.

Hiermee komt ook de vrees tot uitdrukking waarover Bakoenin sprak: die van een dictatuur van de intelligentia. Daarom betoogde hij het volgende. ‘Wij vragen voor het proletariaat niet zo maar wat opleiding, maar een alles omvattende opleiding, een complete en integrale opleiding, zodat er niets meer buiten of boven de arbeiders  bestaat, dus geen enkel klasse, ook niet die van de wetenschap of  van een ‘aristocratie van de intelligentie’, om het proletariaat uit te buiten’.

Tijdens het congres van Brussel in 1868 is de kwestie van het onderwijs op nieuw aan de orde. James Guillaume herinnert er aan dat er een motie werd aangenomen die geïnspireerd was door de tekst van het congres te Lausanne. Die luidde: ‘Het congres nodigt de verschillende secties uit cursussen op te zetten voor een programma van wetenschappelijk en beroepsmatig onderwijs, dat wil zeggen integraal onderwijs, om langs die weg zoveel mogelijk de lacunes op te lossen waarmee het onderwijs, dat de arbeiders actueel krijgen, vol zit’. (…)

De arbeidsbeurzen

In Frankrijk was het al niet anders. Daar stelden de arbeidsbeurzen regelmatig de kwestie van het onderwijs aan de orde. Fernand Pelloutier bevestigde op 1 mei 1895 dat de revolutionaire opdracht van het verlichte proletariaat is: ‘methodisch en vastberaden het morele, bestuurlijke en technische onderwijs nuttig te maken ten behoeve van een maatschappij van trotse en vrije mensen’. Ten dienste daarvan zette het merendeel van de arbeidsbeurzen algemene en professionele cursussen op, opende bibliotheken. Sommige openden hun deuren voor volksuniversiteiten… In de loop van de jaren breidde dit soort activiteiten zich over heel Frankrijk uit. (…)

De scholingsactiviteiten stopten niet bij het syndicalistische secondaire onderwijs. Zo beval de Franse onderwijzer en syndicalist Albert Thierry warm aan dat men ook een algemeen hoger onderwijs moest opzetten, dat met de behoeften van de arbeid correspondeerde. Dat multidisciplinaire ‘hoger arbeidsonderwijs’ zou plaats kunnen vinden in het kader van de ‘syndicalistische universiteit’. Met andere woorden, via deze vorm van onderwijs zouden arbeiders in staat zijn een communale, regionale, nationale, (…) internationale organisatie van de economie op te zetten. Daarmee zouden zij in zich hebben om een maatschappij tot ontwikkeling te brengen die gebaseerd zou zijn op het proudhonistische federalisme.

De revolutionair-syndicalistische CGT

Wat de voormannen van de revolutionair-syndicalistische CGT aangaat en waarin de anarchisten goed vertegenwoordigd waren, handelden deze geheel in lijn met de libertaire opvoedkundige traditie. Emile Pouget, de assistent-secretaris generaal van de CGT en de getalenteerde redacteur van het blad Père peinard, beschouwde de sociale emancipatie van de arbeidersbeweging nauw verbonden met opleiding. Voor hem gold dat de taak van het syndicaat, die boven alles gaat en wat het waarlijk inhoud geeft, is: die van sociale strijd, van verzet en opvoeding. Zo zijn er meerdere personen te noemen, zoals Georges Yvetot. Hij meende dat het totaal van de veranderingen, die vorming bij individuen teweeg brengt, aan sociale hervorming ten goede komt. Ook Paul Delesalle liet zich op een dergelijke wijze uit, door nadruk te leggen op de morele opvoeding van de arbeiders: het draait om een morele en culturele verhoging van individuen in en door het syndicalisme.

De timmerwerkplaats van La Ruche

Zelfs na de ‘bolsjevisering’ van het syndicalisme na 1921, zal de verzwakte  libertaire en revolutionaire stroming zijn idee over opvoeding behouden zoals dat binnen de antiautoritaire Internationale leefde. In 1926 heette het in het ‘Charte de Lyon’ van de CGT-SR (SR staat hier voor ‘syndicaliste révolutionnaire; thh) dat het syndicalisme in de pre-revolutionaire periode (…) zich heeft bezig te houden met documentatie, technische en beroepsopleiding met het oog op de sociale reorganisatie. Het handelde hier dus om het formeren van een bestuurlijke klasse en de organisatie van de toekomstige maatschappij. Deze verklaring zal in zijn geheel in 1946 in het ‘Charte de Paris’ worden overgenomen, als de opvolger van de CGT-SR (dat zich in 1939 zelf ophief) wordt opgericht en dan gaat heten Confédération Nationale du Travail (CNT). (…)

De Spaanse anarchistische beweging

Van haar kant heeft de Spaanse libertaire en syndicalistische beweging zich ook steeds als erfgenaam van de antiautoritaire Internationale gezien, waarbij zij de noodzaak in zag een opvoedkundig programma te ontwikkelen om het proces van radicale verandering te kunnen aangaan en het te laten slagen. Al vroeg heeft het congres dat de Spaanse CNT oprichtte in 1910, een resolutie aangenomen, die er op mikte op alle plaatsen waar dat mogelijk was, groepen zich te laten bezighouden met de verspreiding van syndicalistische beginselen binnen de arbeidersklasse en in het bijzonder bij jonge arbeiders. (…) Opvoeding wordt dus als essentieel gezien aan het ‘anarchistische project’.

Wat bovenal moest gebeuren was een bestrijding van het analfabetisme. Men eiste de cultuur op van hen, die het aan grote delen van de bevolking had ontnomen. Het onderwijs als pedagogische missie had tot taak een nieuwe menselijkheid te onderwijzen, die vrij, wetenschappelijk en gelijk zou zijn voor beide seksen.

Beginselen en realisering

Tot dus ver is hier gewezen op het belang en de algemene beginselen van opvoeding in het anarchistisch revolutionaire proces. En ondanks de neergang van de libertaire beweging in de tweede helft van de twintigste eeuw, heeft die beweging het punt bereikt van vernieuwing, van ontwikkeling van standpunten en uitwerking van pedagogische experimenten.

James Guillaume, zelf pedagogisch vormer en medewerker van de Dictionaire pédagogique formuleerde op initiatief van Fernand Buisson (een Franse filosoof en pedagogisch vormer; thh) enkele regels betreffende de libertaire pedagogie. In zijn tekst uit 1876, Idées sur l’organisation sociale, hechtte hij zeer aan de volgende voorstellen over het pedagogisch functioneren binnen educatieve instellingen. In hun onderlinge groepsverband zullen de kinderen volledig vrij zijn: zij organiseren zelf hun spelen en hun samenkomsten. Guillaume ziet daarin het eerste beginsel van het pedagogische zelfbestuur, te weten het vermogen om collectief te beslissen over hun leeractiviteit. Guillaume voegt daar nog aan toe, dat zij een bureau opzetten om hun werken te sturen en om geschillen te beoordelen, etc.

Gaat het hier niet om prefiguratie van een klasse- of school- ‘raad’, een ‘raad’ waar kinderen hun discussies organiseren, hun beslissingen nemen, hun eventuele geschillen en conflicten regelen? Een ‘raad’ die men tegenwoordig aantreft in scholen waar progressieve pedagogie bedreven wordt? Hieraan voegde Guillaume verder toe dat kinderen op deze manier gewend raken aan het openbare leven, aan verantwoordelijkheid en wederkerigheid.

Hij beval dan ook warm aan het leren in vivo van het pedagogische zelfbestuur, niet alleen om academische of professionele kennis op te doen, maar ook met het oog op sociale doeleinden. De ‘school van het volk’ moet aan het volk de mogelijkheid bieden zijn eigen waardesysteem te ontwikkelen en te experimenteren met de libertaire praktijken door opvoeding en in opvoedingssituaties. Op school wordt de klas het sociale laboratorium waar men bouwt, debatteert, beslist, zich perfectioneert… De libertaire pedagogie van het zelfbestuur is dus initiatiefnemer en ‘prefiguratrice’ van verschillende sociale functies, niet meer die van wedijver, van competitie maar collectief bestuur van het algemeen belang.

‘Koppen vullen’ in de conventionele school van het jaar 2000

Dit is wat de anarchistische theoretici en de revolutionair-syndicalisten voorstonden. Het zijn dezelfde beginselen die later terugkomen. Het is in het Franse Cempuis (1880-1894) waar een ander lid van IAA (Paul Robin) de integrale pedagogie, voorheen door Proudhon voorgestaan, veertien jaar lang in praktijk bracht. Men kan ook denken aan La Ruche (1904-1917) een libertair vormingsinstituut, gestimuleerd door de anarchist Sébastien Faure, die ondersteuning vond van de syndicaten aan de kant van de CGT. La Ruche was organisatorisch ondergebracht in een integrale coöperatie waar werk en onderwijs nauw met elkaar verbonden waren en waar de pedagogisch vormer, zoals Faure schreef, zich vooral bezighield met het kind te leren leren.

Ook is te wijzen op de experimenten zoals uitgevoerd door de ‘maîtres-camarades’ te Hamburg (Duitsland; 1919-1933), die erop uit waren bij het kind een gevoeligheid voor verantwoordelijkheid bij te brengen ten opzichte van de mensen met wie het samenleefde. Kortweg komt dit neer op het ontwikkelen van menselijkheid en sociabiliteit. In de zelfde lijn zitten de vele scholen van Ferrer in Catalonië (150 in 1908), die zich verspreidde over de hele wereld, zoals in Portugal, Brazilië, Nederland… Het gaat om de rationele (dat wil zeggen atheïstische) ‘moderne scholen’, waar men de leerlingen wil zien opbloeien in alle vrijheid en hen wil laten ontsnappen aan de invloed van de regering en de (rooms-katholieke) Kerk op het onderwijs.

In dit kader mag ook gewezen worden op de ‘School van Ferrer’  te Lausanne, opgericht in 1910. Die stond onder bescherming van de federatie van arbeidersverenigingen in Franstalig Zwitserland en de libertaire pedagoog Henri Roorda (zoon van Sicco Roorda van Eysinga; thh) die weigerde de ‘koppen te vullen’ van kinderen. Hij huldigde de opvatting dat de school de faciliteiten moest verschaffen waarin de leerlingen elkaar wederzijds dingen leerden. Zijn cynisch bedoelde instructie is duidelijk: ‘Help elkaar niet! – Samenwerken is vals spelen’.

In een recentere periode zijn er hernieuwde experimenten op gezet, zoals met de school in Da Ponte (Portugal), na de Anjerrevolutie in 1974, waar honderden kinderen naar toe gingen. Eveneens kan gewezen worden op de libertaire school Bonaventure (1993-2001) op het Franse eiland Oléron. Daar vond een schoolexperiment plaats geleid door de gedachte van vrijheid, gelijkheid, wederkerige hulp, zelfbestuur en burgerzin. Hoog hing er de vlag van de laïciteit, kosteloosheid, sociale financiering, collectieve eigendom, gelijkheid in salaris. Zo zijn er ook nog de experimentele lycea in Frankrijk waarvan de LAP (het zelfbestuurde lyceum van Parijs) in dit jaar zijn dertigjarige bestaan viert. Reeds duizenden leerlingen hebben hier onderwijs genoten, onderwijl andere ervaringen opdoende zoals het sociale zelfbestuur.

De eerste steen voor Boneventure

Tenslotte mag er ook aandacht zijn voor het onderwijs aan ouderen zoals opnieuw (want ook al aan de orde rond het begin van de vorige eeuw; thh) is opgezet in Saint-Denis (een voorstand van Parijs) door actieve leden van de Anarchistische Federatie. Het betreft de volksuniversiteit Dionyversité die als een ‘politiek, sociaal en educatief project’ wordt gezien. Het is er op gericht emancipatoir te werken binnen een autonoom kader, waarbij het zich expliciet beroept op ‘het politieke vermogen van de arbeidersklasse’ (1865) als verwoord door Pierre-Joseph Proudhon en Fernand Pelloutier. Het educatief project beoogt de deelnemers zodanig te scholen dat voor hen inzichtelijk wordt wat de oorzaken zijn van de economische en sociale overheersing waarmee zij in bestaande maatschappij worden geconfronteerd. Daarnaast poogt ze allerlei vormen van lokale  initiatieven te ontwikkelen van zelforganisatie, zoals daar zijn AMAP, een bibliotheek, een informatie ‘werkplaats’, een onderlinge groentetuin… Kortom, deze volksuniversiteit werkt aan een spreiding van zelforganiserende initiatieven. Ze beperkt zich dus niet tot louter kennisvergaring.

Conclusie

Het voorgaande leert ons dat 140 jaar na de oprichting van de antiautoritaire Internationale in Saint-Imier (1872) de educatieve taken, zoals die tijdens de oprichting werden gehuldigd, heden nog even actueel zijn. In lijn met de libertaire traditie draait het er nog steeds om een ieder in staat te stellen al zijn of haar vermogens tot ontwikkeling te brengen in en door middel van vrijheid. De coherentie tussen het sociale project en het opvoedkundige anarchistische project is sterk en logisch, want men  creëert geen vrije samenleving zonder vrij onderwijs. Het is dat wat onze voorgangers hebben begrepen en het is aan ons in deze pedagogische en maatschappelijke richting te handelen.

Hugues Lenoir   [bewerkte vertaling uit het Frans door Thom Holterman]

Aantekeningen

[1]  Deze tekst is een samenstelling en synthese van verschillende teksten van Lenoir, gepubliceerd of nog te publiceren, gewijd aan het thema libertair en zelforganiserend onderwijs. De tekst is uitgesproken in het kader van een lezingenserie tijdens de meerdaagse anarchistische ontmoeting in augustus 2012 in Saint-Imier (Zwitserse Jura) 2012.

De Franse tekst kent een uitgebreid notenapparaat. Wie over deze oorspronkelijke tekst wil beschikken kan dat duidelijk maken in een hieronder te plaatsen reactie. De tekst zal dan in een ‘pdf’ uitvoering worden toegestuurd.

Hugues Lenoir is actief in de Franse anarchistische federatie en docent / onderzoeker aan een van de Parijse universiteiten (Nanterre La Défense); zie zijn site:

http://www.hugueslenoir.fr/

[2]  Wat de door Lenoir gebruikte bronnen aangaat, zie van zijn hand ondermeer:

Éduquer pour émanciper, Éditions CNT-RP, Paris, 2009.

Henri Roorda ou le Zèbre pédagogue, Éditions du Monde libertaire, Paris, 2009.

[Voor een bespreking van dit boek in het Nederlands, klik HIER]

Éducation, autogestion, éthique, Éditions libertaires, Saint-Georges-d’Oléron, 2010.

Précis d’éducation libertaire, Éditions du Monde libertaire, Paris, 2011.

[Voor een bespreking van die boek in het Nederlands, klik HIER]

Pour l’éducation populaire, Éditions du Monde libertaire, Paris, 2012.

 

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s