Spring naar inhoud

Wegwerpindustrie: Goed Voor De Kassa

24/12/2012

Th'skwa

Een wegwerpindustrie noem ik de industrie die het niet alleen van ‘herhalingsconsumptie’ maar vooral ook moet hebben van wat geprogrammeerde veroudering heet. Die industrie maakt haar producten zo, dat ze direct na gebruik versleten zijn of na een bepaalde, ‘geprogrammeerde’ tijd het begeven. Zou men in het laatste geval tot reparatie besluiten, dan blijkt het product zo gefabriceerd dat een reparatie duurder is, dan het aanschaffen van een nieuw product. Hier wordt dus geproduceerd voor de sloop of de afvalbak. De enige die daarvan financieel wijzer wordt, is de industrie en voor deze de aandeelhouders van de betreffende firma…

Het is over deze problematiek dat de Franse oud-hoogleraar economie Serge Latouche een boekje open doet onder de titel Bon pour la casse. Letterlijk vertaald betekent dit:  Goed voor de sloop. De woorden ‘casse’ (sloop) en ‘caisse’ (kassa) liggen zo dicht bij elkaar dat ik de sloop opgenomen zie in de term ‘wegwerpindustrie’ en dat loopt dan uit op het winstdoel: goed voor de kassa! Het is precies wat Latouche inzichtelijk wil maken.

Hij is daar mede uit eigen ervaring op gekomen met apparaten als zijn computer (die na drie jaar ‘verouderd’ heette) en zijn bril waar een poot van af viel (‘Maar meneer, die wordt zo gemaakt dat u met twee jaar wel een nieuwe moet kopen…). Ik heb het hem in een radioprogramma horen vertellen en waarin in zijn boosheid doorklonk.

Kassa

Consumptiemaatschappij

Het is niet voor het eerst dat deze problematiek aan de orde wordt gesteld. Latouche zet zijn betoog dan ook op vanuit literatuur van ruim een halve eeuw geleden. Vervolgens bouwt hij erop voort. Enkele titels wil ik hier noemen omdat die indertijd een hele generatie kritisch geladen hebben en omdat ze grondslaggevend zijn voor het inzicht in de werkwijze van de wegwerpindustrie. Zo is daar de Amerikaanse maatschappijkritische journalist Vance Packard (1914-1996) met zijn The Hidden Persuaders (1957) en The Waste Makers (1960). Uit die zelfde tijd stamt The Affluent Society (1958) van de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith (1908-2006).

Het betreft literatuur waarin een consequente kritiek op het moderne kapitalisme en de   consumptiemaatschappij is aan te treffen. Hoewel het de maatschappij van toen betreft, geldt de kritiek onverminderd ook voor de huidige. Als Latouche dus tot  vertrekpunt van zijn beschouwing het verschijnsel van de geprogrammeerde veroudering neemt, staat hij midden in die literatuur van de jaren 1950. Daarbij spreekt hij tevens over ‘de vergiftiging van ons productiesysteem door de aanname van de noodzaak van groei’.

Maar Latouche is zich er zeer van bewust dat de geplande veroudering in bepaalde industrieën al veel eerder wordt toegepast. Wat dat aangaat kan ik niet nalaten de aandacht te vestigen op de Franse activist en schoonzoon van Marx, Paul Lafargue (1842-1911). Die geeft in zijn Het recht op luiheid (1883) namelijk een indringende beschrijving van die moedwillige veroudering. In een vertaling van Anton Constandse volgt hiervan een voorbeeld: ‘In Lyon verzadigt men de zijdevezels met minerale zouten die – terwijl zij het gewicht vermeerderen – ze brokkelig maken en weinig bruikbaar, in plaats van hun eenvoud en natuurlijke soepelheid te ontzien. Al onze producten zijn vervalst om er de afzet van te vergemakkelijken en de duurzaamheid ervan te verkorten. Ons tijdvak moet ‘de eeuw van de vervalsing’ worden genoemd. (…) Deze vervalsingen (…) leveren schitterende winsten op aan de fabrikanten die ze toepassen,  [maar zijn tegelijk] rampzalig voor de hoedanigheid van de goederen en een onuitputtelijke bron van verkwisting van menselijke arbeid’ (pag. 78; Nederlandse editie, Amsterdam, 1974). Men heeft deze weg heel bewust vervolgd want winst maken is het doel en om stagnatie te voorkomen is groei daarbij onvermijdelijk.

Groeimaatschappij

Latouche geeft aan dat ons type maatschappij zijn lot verbonden heeft met een organisatie die gestoeld is op onbeperkte groei. Dit brengt met zich dat we veroordeeld zijn om steeds meer te produceren en te consumeren. Vanaf het moment dat de groei stagneert of stopt, is het ‘crisis’ en breekt de paniek uit.

Meer produceren impliceert meer consumeren. Hier loopt de ‘groeimaatschappij’ over in de consumptiemaatschappij. De groeimaatschappij wordt gedomineerd door een groei-economie, waarbij de consumptiemaatschappij zich als het ware door de groeimaatschappij laat absorberen, aldus Latouche. Groei is evenwel niet bedoeld voor bevrediging van erkende behoeften, maar voor de groei als groei. Er is dus geen stadium ingebouwd van ‘genoeg=genoeg’.

Dat dit tot overproductie moet leiden die door onderconsumptie geen afzet meer vindt (crisis!) is duidelijk, aldus Latouche. Maar het is een oude problematiek, reden waarom hij mede naar Jean de Sismondi (1773-1842) verwijst, want deze Zwitserse econoom heeft zich met die problematiek al in 1819 beziggehouden (Nouveaux Principes d’Économie politique). In de beginjaren 1800 was hij nog een begeesterd aanhanger van het economisch liberalisme. Maar zijn behandeling van de ‘nieuwe beginselen’ brengt hem tot het socialisme, om langs die weg de problematiek te lijf te gaan. De Franse jurist en politiek econoom Charles Gide (1847-1932) plaatst Sismondi dan ook aan de oorsprong van de wat Gide de kritische school in de economie noemt (in zijn omvangrijke Geschiedenis van economische beginselen uit 1909).

Bak

Mateloze consumptie en geprogrammeerde veroudering

Latouche maakt nu een sprong naar de beginjaren 1950 als de kapitalistische economie naarstig op zoek is naar middelen om de consumptie op gang te houden. Het verschijnsel van de consommation forcenée, de mateloze consumptie, doet zijn intrede. Latouche wijst daarbij op de verwoording ervan door de Amerikaanse marktanalist Victor Lebow: ‘Onze economie die van productie afhankelijkheid is, vereist dat we van consumeren onze levensstijl maken’. De spiegelreflex ervan is een productie die gericht is op verspilling. Er moeten dus artikelen worden gemaakt die mensen permitteren om te verspillen.

Ten behoeve daarvan, zo legt Latouche uit, zijn drie maatregelen getroffen:

• reclame maken, want die moet behoefte kweken;

• krediet verschaffen; afbetalingssystemen introduceren; de geleende gelden verruimen de mogelijkheden om producten aan te schaffen; de leus ‘leef nu, betaal later’, moet de hersenen van mensen vergiftigen;

• geprogrammeerde veroudering tot systeem van produceren maken.

Van deze drie is de laatste de geraffineerdste. Men kan namelijk de reclame negeren en men kan producten aanschaffen zonder te kopen op krediet. Maar in het algemeen kan men de geprogrammeerde veroudering niet ontlopen. Een modern voorbeeld van het laatste is de printer waar in het elektronisch systeem een chip is ingebouwd, die ervoor zorgt dat het apparaat ophoudt met functioneren nadat er in totaal 18 000 kopieën mee zijn gemaakt.

Latouche laat zien hoe deze problematiek samenhangt met verschillende typen kapitalisme. Wat hij het eerste type noemt, stelde er nog een eer in om met een goed product aan traditionele nuttigheidsfuncties van de consumptie te voldoen. Vele producten waren nog te repareren, te hergebruiken. Dat betekent niet dat er in de negentiende eeuw geen verouderingseffecten bij de productie werden toegepast. We kwamen ze al beschreven tegen bij Paul Lafargue.

Advertentie

Herhalingsconsumptie

Rond 1930 zet zich de transformatie in om te breken met de ethiek van de duurzaamheid van producten. Dat komt des te sterker opzetten als het ondernemerschap zich fixeert op de productie om de winst (wat uiteraard in voorgaande periodes niet onbekend was, maar nu wordt het ‘blind’ en in de vorm van ‘over lijken’ toegepast). Het is afgelopen met het gevoel van ingenieurs, die er een eer in stelden om een solide product te maken, dat de uitdaging van de tijd aan kan. De tijd is niet meer aan de ingenieurs, maar aan die van de ‘designers’, zo voert Latouche aan. We zijn terecht gekomen in een wegwerpmaatschappij.

In de wegwerpmaatschappij is er sprake van een grote mate van ‘herhalingsconsumptie’ (denk bijvoorbeeld aan de benodigdheden voor de scheerbeurt iedere morgen). Die vorm van consumptie heeft al lang geleden de wegwerpmaatschappij voorbereid. In 1872 worden in de VS voor het eerst papieren kragen voor overhemden geïntroduceerd. In 1895 komt daar het wegwerpscheermes bij, in 1924 de wegwerpzakdoek (Kleenex) en in 1934 de tampon (Tampax).

‘Het gebruik van die zaken brengt geen voorspoed. De kopers brengen dit wel’, aldus citeert Latouche een uitspraak uit 1932 van twee Amerikanen, dit om aan te geven hoe het produceren voor de afvalbak wordt gepropageerd. De term onverslijtbaar verdwijnt uit het vocabulaire. De panne van een apparaat kan gedeeltelijk zijn, zoals de vaste oplaadbare batterij in dat apparaat: dat is nog goed, maar de batterij is niet meer op te laden. Het hele apparaat moet nu op de schroothoop…

Ont-groeien: afnemende groei

Latouche behandelt vervolgens nog de vraag of dit alles moreel is en hij gaat in op de grenzen van de geprogrammeerde veroudering, door de bespreking van het opgekomen verzet er tegen. Tot slot doet hij enkele aanbevelingen en wijst hij op voorbeelden daarvan in de sfeer van de ‘revolutie van de décroissance’. Dit is een onderwerp waarop hij zich al jaren toelegt en waarover hij enkele boeken op zijn naam heeft staan.

Ontgroeien

Het woord ‘croissance’ verwijst naar het Nederlandse woord ‘groei’. Décroissance duidt dan op het tegendeel van groei en houdt verband met ons werkwoord ‘afnemen’ (afnemende maan). Ik maakte er ‘ont-groeien’ van in de zin van afnemende groei. De beweging die zich daarmee in Frankrijk bezighoudt, maakt gebruik van een logo waarop prominent aanwezig een…slak.

De behandeling van deze laatste thematiek door Latouche is wat aan de magere kant gebleven, wat verklaard kan worden door zijn aandacht daaraan besteed in zijn andere boeken. Maar Latouche is niet een man die stilzit, dus zal er zeker nog wel eens een boek van hem verschijnen over de wegwerpindustrie en hoe die de geesten van mensen heeft gekoloniseerd en hoe daar tegenop te komen.

Thom Holterman

LATOUCHE, Serge, Bon pour la casse. Les déraisons de l’obsolence programmée, Éditions Les liens qui libèrent, Paris, 2012, prijs 10 euro.

Aantekening

De tekst Het recht op luiheid van Paul Lafargue is op internet te raadplegen; klik HIER.

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.