Skip to content

Jean-Marie Guyau: Een Moraal Zonder Verplichting Of Sanctie

13/01/2013

Guy

Jean-Marie Guyau (1854-1888)  In 1885 verscheen van de jong gestorven Franse filosoof Jean-Marie Guyau zijn Schets van een moraal zonder verplichting of sanctie. In de loop van de vele jaren dat ik me met het anarchisme bezighoud, heb ik die tekst talloze malen bij menig auteur zien langs komen. Aan bestudering van die tekst heb ik mij evenwel nooit gezet.

Onlangs kwam daar een herdruk vanuit, waarin ook een inleiding en een nawoord van een specialist in het denken van Guyau zijn opgenomen, te weten van de Spaanse filosoof Jordi Riba. Daarnaast treft men tevens aan (1) de bijval uitdrukkende annotaties van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche en (2) het hoofdstuk dat de negentiende eeuwse anarchist Peter Kropotkin over deze tekst in zijn boek De Ethiek opnam. Tot slot vindt men in deze editie een polemiek van de Franse vertaler, essayist en uitgever Louis Janover.

Janover boort de Franse filosoof Michel Onfray de grond in als reactie op de manier waarop Onfray als een soort Groot Inquisiteur de tekst van Guyau vernietigend behandelt. Wat men dus van de tekst van Guyau kan vinden, er valt veel over te doen, nog steeds. Rest voor mijzelf de vraag, wat ik met die tekst kan? Naar aanleiding van die vraag het volgende.

Guyau.omslag

De Schets

Guyau heeft zijn boek, hier afgekort  als De Schets, als volgt opgebouwd. Na een inleiding volgen drie ‘boeken’. De eerste twee gaan over moraliteit. Het derde ‘boek’ gaat over het idee sanctie. Ik kan me aansluiten bij zijn observatie dat morele regels en sancties gemeenlijk als onlosmakelijk met elkaar verbonden worden geacht. De sanctie kan negatief zijn als het om ondeugd gaat (toebrengen van leed als ‘straf’) en positief als het om een deugd gaat (het levert een voordeel op).

Daarna legt Guyau uit hoe er in termen van functionaliteit over de negatieve sanctie wordt gedacht. In een ‘verlicht’ strafrechtsysteem zal dat een ‘reparerende boetedoening’ zijn. Ook in Nederland is op die wijze wel gedacht: met een delict wordt een deuk in de sociale orde geschopt. Die ‘deuk’ moet worden gerepareerd door middel van de boetedoening door de delinquent. Guyau komt zelfs te spreken over de ‘défense sociale’, een verlichte Franse school in het strafrecht, die rond 1900 een hervormingsreactie was op de autoritaire richting in het strafrecht. Guyau geeft aan dat dit allemaal niet past in zijn zienswijze.

Het valt dan wel op dat we het nog steeds niet hebben gehad over een moraal zonder verplichting en sanctie. Als hij daar al wel in het voorgaande uitgebreid heeft geschreven, moet het mij volstrekt zijn ontgaan. Pas in de conclusie kom ik tegen dat het doel van de schets was, te zoeken naar ‘une morale sans aucune obligation absolue et sans aucune sanction absolue’.

Wat is de bron van deze moraal? Voor het antwoord op die vraag merkt Guyau op dat hij alle opvattingen daarover verwerpt, die de herkomst van bronnen buiten of boven  feitelijkheden aanwijzen. Dit betekent voor hem dat er moet worden vertrokken (a) vanuit de feiten zelf om er een ‘wet’ uit af te leiden en (b) van de natuur om er een moraliteit in te herkennen. Welnu, samengevat betekent dit dat men het leven in zijn gelijktijdige fysieke en morele vorm moeten analyseren om gedragsbeginselen op te merken (‘le principe de la conduite’).

Daarmee zet Guyau zich tegen het volgende af: de herkomst van de moraliteit begrijpen als een transcendent of metafysisch verschijnsel. Dit plaatst namelijk het onderzoek buiten het leven en daarmee buiten mensen zelf. Ik heb er geen probleem mee die zienswijze te volgen. Het levert namelijk munitie tegen de Kerk, die zich als bij uitstek het instituut vindt om dergelijk onderzoek te doen.

Blaffende Seals

Blaffende seals

Een ander instituut dat er een handje van heeft allerhande verschijnselen, waaronder morele regels, buiten mensen om te doen verschijnen en door die dan op te leggen, is: de Staat. Niet zo vreemd dus dat anarchisten zijn verwijzing naar ‘het leven’ om moraliteit te vestigen, hebben aangegrepen om argumentatief een wapen te hebben tegen Kerk en Staat. Het is precies de verwijzing naar het leven, die maakt dat libertaire auteurs zich aan het interpreteren zetten.

Libertaire invalshoek

Zoals we zagen wijst Guyau het transcendentale karakter van de moraal af. We moeten het niet in de ‘hemel’ zoeken maar in de existentiële feiten zelf. Dat is onze enige werkelijkheid, zo betoogt ook de hierboven genoemde Jordi Riba. En wat Guyau dan door zijn bestrijders wordt kwalijk genomen, is hetgeen hij als filosoof  sociologisch verwoordt. Hij stelt namelijk een analyse voor van ‘er zijn’ (in deze wereld). Wat die sociologische invalshoek aangaat, slaat Guyau volgens Riba acht op een geëngageerde samenleving in permanente verandering. Daarvan is het constituerende individu de voornaamste ‘agent’ (werkzame factor). Het is dit type interpretatie van de tekst, die anarchisten heeft aangesproken.

Vergelijk bijvoorbeeld Kropotkin. Die wijst er met nadruk op hoe Guyau laat zien dat er bij mensen een innerlijke bijval bestaat met betrekking tot moreel handelen en van afkeuring sprake is als het om antisociaal handelen gaat. Die vormen van bijval en afkeuring hebben zich al heel lang geleden ontwikkeld door het leven in een gemeenschap. Om dat aan te tonen kan men sociaalhistorisch onderzoek verrichten, men hoeft dus niet een pastoor of dominee te raadplegen.

Los van allerlei andere vragen, zit ik evenwel met een probleem: zijn bijval en afkeuring geen sancties (de ene van positief en de ander van negatief karakter)? Ik zou denken van wel. Het zou evenwel gaan om een schets betreffende een moraal zonder verplichting of sanctie. Stel nu dat het antwoord hierop is, dat de hier bedoelde bijval of afkeuring geacht wordt in een verinnerlijkt gedrag door te werken (verinnerlijkt door internalisatie van de sociale gedragscodes). Hoe komt het dan dat we in onze maatschappij zoveel antisociaal handelen tegenkomen?

Het antwoord op die vraag zal liggen in de faalmomenten van de bestaande kapitalistische maatschappij. Een analyse daarvan laat ik hier na. In de interpretatie van de opvatting van Guyau door Kropotkin is wel duidelijk, dat het uitgangspunt voor diens opvatting is een visie op ‘sociaal leven’ en wel als ‘een leven in harmonie met het leven in een gemeenschap als geheel’. De aspiraties daarvan vestigen zich op de neiging van de mens naar relaties van goed nabuurschap en gerechtigheid.

Hier sluit een opmerking van Riba in zijn nawoord bij aan. De sociale gedachte van Guyau, zo stelt hij, zoekt twee verschijnselen met elkaar te verzoenen. Op het sociale niveau draait het om de grootst mogelijke vrijheid met de diepst gevoelde solidariteit. Die moet zich weten te verhouden met de grootst mogelijke sociale bescherming met het meest genereuze politieke liberalisme op het politieke niveau. Guyau, zo zegt Riba, was ervan overtuigd dat het echte individualisme en het echte socialisme perfect met elkaar te verzoenen zijn.

Hij dacht dat deze beide zich harmonieus konden ontwikkelen dankzij proliferatie van vrije verenigingen. Deze vrije orde zou de verdienste hebben aan het individu de grootst mogelijke veiligheid toe te bedelen in het heden en de toekomst en tegelijkertijd een maximale vrijheid te verzekeren.

Egoïsme en altruïsme

In Nederland heeft met name de libertaire maatschappijcriticus, vrijdenker Anton Constandse (1899-1985) zich mede met Guyau bezig gehouden. Veelvuldig komt men die tegen in zijn boek Grondslagen van het atheïsme (Rotterdam, 1926). En met graagte citeert hij Guyau, bijvoorbeeld waar deze zegt: ‘De vrees, dát was een goede bewaker van de positieve godsdienst en de religieuze opvoeding, een bewaker die altijd op wacht stond en bereid was alarm te slaan’ (Guyau door Constandse geciteerd uit zijn L’irréligion de l’avenir). Verderop in zijn Grondslagen zie je Constandse Guyau citeren uit diens Schets.

Prelaat

Zo wordt naar voren gehaald het uitgangspunt bij hem dat we al tegen kwamen: het leven. Het leven beoogt inderdaad te leven. Het drijft tot het besef, dat het zich in stand wil houden en zich derhalve moet aanpassen aan veranderde levensomstandigheden, andere eisen moet vervullen. De levensdrift, zo noemt Constandse het, is dus in het algemeen de grote dwang tot handelen, en niet plicht of nut (het laatste heeft te maken met de kritiek van Guyau op de ‘utilitaristen’). Ook Constandse interpreteert Guyau’s aanwijzing naar ‘het leven’ en wel aldus.

‘Onze grote morele kracht schuilt dus in een overvloed van energie. Het grondbeginsel der moraal, de wederkerigheid in het handelen, verenigt egoïsme en altruïsme. De mens is egoïstisch, wijl hij zijn eigen geluk wil. Daar echter dit doel niet is te bereiken, zonder de samenleving met anderen, en deze slechts geluk verlenen bij verwerving van eigen bevrediging, is derhalve het geluk der anderen noodwendige voorwaarde tot het mijne: ik wil anderen geluk, om zelf gelukkig te kunnen zijn’ (p. 283-284).

In zijn bundel Het soevereine ik. Het individualisme van Lao-tse tot Friedrich Nietzsche (Amsterdam, 1983), wijst Constandse Guyau aan als de theoreticus van het individualisme. Het zijn juist de individualisten die begin twintigste eeuw lezingen over hem gingen houden of naar hem verwezen, zoals bijvoorbeeld de door Constandse genoemde Franse libertaire activist Albert Libertad (1875-1908).

Libertad verenigde in zijn persoon de radicale individuele opstand met de collectieve bevrijding tot doel. Wie hem dus als individueel anarchist herkent, moet tevens weten dat hij een bepaalde (niet politieke) vorm van communisme opeiste. Zijn individualisme beoogde dan ook tegelijk ‘camaraderie’ (kameraadschap) op te roepen en te verwezenlijken.

Dit tezamen kent zijn morele verwijzing naar Guyau, die in zijn Schets de verdediging op zich neemt, zo lezen we bij Constandse, van de ethische keuze als zuiver persoonlijke daad, zonder enige druk of drang van anderen, dus autonoom en niet heteronoom. En Constandse vult in zijn Het soevereine ik aan: ‘Alleen door intensief leven is expansief handelen mogelijk, slechts door eigen vruchtbaarheid is saamhorigheid een feit’ (p. 153).

Drie wijzen

Open eind

Aan het begin heb ik me de vraag gesteld wat ik met de tekst van Guyau kan. Het bleek dat ik er als geheel niet al te veel mee weet te doen. Vermoedelijk komt dat omdat een groot deel van de tekst mij als een verouderde discussie voorkomt en een wijdlopigheid kent die mij niet aanspreekt. Maar er zit ook een deel in dat nog van waarde is voor een libertaire beraadslaging. Op zijn minst zie ik dus een open eind.

Verder lijkt het erop dat pas door de interpretatie van andere auteurs duidelijk wordt wat Guyau te vertellen heeft. Dit staat los van wat de titel van het boek uitdrukt. Die mag als een regelrechte libertaire leuze worden begrepen. Dat zal dan ook de reden zijn geweest dat er vaak naar is verwezen.

Duidelijk is voor mij dat Guyau’s tekst een intermediair nodig heeft. Het gaat dan om iemand die gevoelig is voor de tekst en die deze zodanig kan verwerken dat anderen daarvan dan voor hun denken kunnen profiteren. Ik gebruikte in dit geval Constandse daarbij als voorbeeld.

Deze nieuwe editie van de Schets heeft dus het voordeel dat vanwege de vele bijlagen die erin zijn opgenomen, het resultaat van het denken van anderen onmiddellijk voor handen is.

Thom Holterman

GUYAU, Jean-Marie, Esquisse d’une morale sans obligation ni sanction, Avec les textes de Nietzsche et de Kropotkin, Biographie, préface, postface de Jordi Riba, Note polémique de Louis Janover, Paris, 2012, 324 blz., prijs 23, 50 euro.

[Beeldmateriaal van de Rotterdamse dichter en illustrator Manuel Kneepkens.]

 

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s