Spring naar inhoud

Anarchie En Rechtsorde. Twee Dragende Elementen Van Een Staatloze Samenleving

24/08/2014

Spreker

Het boek dat ik hieronder zal bespreken ontwikkelt en verdedigt het idee van recht zonder staat. De flaptekst van het boek leert daaromtrent het volgende: ‘Het uitgangspunt is de aanname van de mogelijkheid van een vreedzame, vrijwillige samenwerking. Daarbij wordt voortgebouwd op een zorgvuldig geformuleerde verdragssituatie. Deze situatie wordt uitgewerkt in het licht van een verklaring waarom de staat naast gevaarlijk en onnodig ook illegitiem is’.

‘De auteur stelt dat een opvatting over rechtshandhaving in een staatloze samenleving gelegitimeerd kan worden. Het boek beschrijft wat de optimale inhoud van recht zonder staat met zich brengt. Bovendien geeft het aan hoe een staatloze rechtsorde de bloei van een cultuur van vrijheid kan bevorderen, naast dat het aantoont hoe dit project zich laat uitwerken in relatie tot linkse, antikapitalistische en socialistische tradities’.

Aldus luidt de slotalinea van de flaptekst van het boek van de Amerikaanse jurist en docent aan de Business school van de La Sierra Universiteit (Californië), Gary Chartier, getiteld Anarchy and Legal Order, Law and Politics for a Stateless Society. Het bovenstaande geeft precies weer wat Chartier in zijn ruim 400 pagina’s tellende studie doet. Hieronder een bespreking ervan.

OmslagGary

Ideologische achtergrond

De auteur is, gelet op een groot deel van zijn literatuurverwijzingen, ideologisch te situeren in wat in het Nederlands het libertarisme heet. Chartier maakt daarvan geen geheim. De literatuur die hij gebruikt komt uit de hoek van Murray Rothbard. De bandbreedte waarbinnen Chartier werkt is echter groter. Die loopt van wat ‘vrije-markt kapitalisme’ wordt genoemd tot antikapitalisme en socialisme (‘vrij’ in vrije-markt begrepen als zonder staat). Sluit het een het ander niet uit?

Chartier meent van niet. Hij hanteert namelijk een eigen logica. Een van de voorwaarden die hij invoert, is een consequente staatloosheid. Daarin ligt een kenmerkend verschil met iconen van de neoliberale economie zoals Friedman en Hayek. Want hun ideeën moeten, om te gedijen, het hebben van een staatsverband en het liefst onder dictatoriale leiding – zoals de Chicago-boys in het Chili van Pinochet hebben laten zien. In dat Chili werkte de neoliberale economie van Friedman signatuur met de onzichtbare hand (markt) waarachter de ijzeren vuist (de dictatuur) schuilging. Dit is een systeem dat Chartier principieel verwerpt, mede onder verwijzing naar het boek van de Amerikaan K.A. Carson, The iron fist behind the invisible hand, Corporate capitalism as state-guaranteed system of privilege (2002).

De staat vertegenwoordigt bij hem alles wat onwenselijk is. Uitgebreid laat hij zien dat de staat illegitiem, agressief, onnodig en gevaarlijk is. De staat verstoort en maakt onmogelijk: anarchie. Dat definieert Chartier als een sociale orde gevestigd op vreedzame, vrijwillige samenwerking van mensen zonder staat. Het verstorende effect van de staat komt regelmatig in zijn betoog terug. Vele (continentale) anarchisten kennen dit van William Godwin (1756-1836), een van de voorlopers van het anarchisme. Die leerde twee eeuwen geleden al dat het opleggen door middel van gezag (authority) van een op zich juiste handeling, alle prijzenswaardige effecten te niet doet, die mogelijk beoogd zijn (zie diens Enquiry concerning political justice and its influence on general virtue and happiness; 1793). [zie ook Aantekening 3]

Chartier merkt zelf op dat achter zijn boek de Amerikaanse individueel-anarchist Benjamin Tucker (1854-1939) en de Engelse auteur Thomas Hodgskin (1787-1869) schuil gaan. Hij geeft bij het verwijzen naar die twee namen aan, dat hij ook geleerd heeft van hen, die met deze voorgangers in hun teksten in discussie zijn gegaan (onder wie we bekenden tegen komen als Voltairine de Cleyre, Lysander Spooner en Herbert Spencer).

Basisgedragslijn

Dat Gary Chartier jurist is, komt duidelijk tot uitdrukking in de opzet en uitwerking van zijn betoog. De opbouw vormt die van een hypothetische redeneervorm, wat – hoe kan het ook anders – leidt tot vele hypothetische gevolgtrekkingen. Dat is niet vreemd omdat de enige verwijzingen naar staatloze maatschappelijke systemen te vinden zijn in historisch-antropologische studies. Ik mag daarvoor naar de AS 179 verwijzen met als thema Anarchisme & Recht.

Chartier gaat uit van een set van drie beginselen te weten (1) het beginsel van erkenning, (2) het beginsel van rechtvaardigheid en (3) het beginsel van respect. Het eerste beginsel roept op om alles, dat als werkelijke aspecten van welzijn kan dienen, te erkennen als waardevolle zaken om er naar te streven. Het tweede beginsel beschermt tegen het maken van willekeurig onderscheid in het handelen. Het derde beginsel richt zich op het voorkomen van allerlei vormen van schadelijk handelen. De auteur legt verder fijnmazig uit welk bereik deze beginselen in zijn anarchistische rechtsopvatting hebben.

In feite komen ze alle drie – erkenning, rechtvaardigheid, respect – samen bij het opzetten van een nonagression maxim. Dat levert een basisgedragslijn op en een basislijn van bezitsregels. Deze bezitsregels gelden alleen voor fysieke zaken, niet voor niet-waarneembare verschijnselen. Met dat laatste bedoelt hij een verschijnsel als slavernij, dat niet en ook niet met bezit, is te rechtvaardigen. Het zou ook overigens niet kunnen passen in een sociale orde, die berust op vreedzame, vrijwillige samenwerking.

A381.101Leven en laten leven

Het recht dat hij introduceert, heeft de instemming nodig van hen die samenwerken. Dit creëert verschillende samenwerkingsverbanden, die ieder hun eigen centrum kennen. Dientengevolge zijn er ook meerdere rechtsordes mogelijk, zodat er in zijn optiek sprake is van een polycentrische rechtsorde en van polycentrisch recht (er is dus sprake van een veelheid van ordes en recht). Hier wordt verwezen naar een anarchistische rechtstheorie, die zich vooral bezighoudt met de verschillende wijzen van het onderhouden van tussenpersoonlijke relaties. Het zijn sociale velden om te bestrijken waarvoor je helemaal geen staat nodig hebt. Chartier verwijst voor een algemeen idee over recht zonder staat, expliciet mede naar het werk van Henc van Maarseveen en mij (Law and Anarchism, 1982).

Product van agressie en dominantie

Chartier neemt het standpunt in dat de staat een instrument is voor overheersing en een product van agressie en dominantie. Daar herkent hij de oorsprong van de heersende klasse in combinatie met het voortdurende streven naar macht. Hier komen we mede een verwijzing tegen naar Franz Oppenheimer, die begin 20ste eeuw in zijn studie Der Staat (1914) deze als veroveringsstaat aanwees.

Chartier laat het daar niet bij. Hij laat zien dat staten zich gedragen als geografische monopolisten en dat ze aan ‘landjepik’ (land grabbing) doen. Om zijn punt over de relatie staat en heersende klasse duidelijk te maken werkt hij met een passend voorbeeld, te weten de enclosure (het sluiten van de communale weidegronden). Dit is enkele eeuwen terug een activiteit van de heersende, Engelse aristocratische grondadel geweest, waarbij mede gebruik werd gemaakt van een statelijk-gegarandeerd privilege (zoals de Acts of enclosure).

Hetzelfde patroon, zo merkt Chartier op, is te onderkennen in het koloniale Noord-Amerika en in de Verenigde Staten: het gebruik van geweld tegen de Amerikaanse indianen en het stelen van hun land. Kijkt men naar Latijns-Amerika met de latifundia (vormen van enorme private landeigendom) dan is het niet anders. Kortom, waarvan is rijkdom een effect? Van het feodale stelen van land, dat zich voortzet in de enclosures, in de ontwikkelingen in Amerika, in de slavenhandel op wereldschaal. En dit zet zich weer voort in moderne vormen ervan.

C384.31Texaco verrijkt zich via staatsprivileges door Equator vergund en vernietigt onder staatsbescherming een groot deel van het Amazonegebied.

Profiterende groepen hadden baat bij het bestaan van juridisch gegarandeerde onrechtvaardigheid, welke onrechtvaardigheid belichaamd werd – en wordt – door statelijke juridische systemen in de vorm van structurele statelijke privileges. De staat bevoordeelt aldus de rijken en pijnigt de armen, vaart Chartier uit. De vraag die mij in het vervolg hiervan dan bezighoudt is: hoe wordt dit onrechtvaardige systeem afgewenteld? Zullen de rijken over wie het hier gaat, zich zo maar gewonnen geven? Ik vermoed van niet. Sociale revolutie dus? Daarover gaat de studie van Chartier niet.

Overeenstemming verwerven

Chartier zet vanuit zijn hypotheses de stap dat mensen vreedzaam en vrijwillig kunnen samenwerken zonder het bestaan van de staat. Dit betekent voor hem dat er een goede reden is om een alternatief voor de staat in ogenschouw te nemen. Dat alternatief vormt een bedding voor vreedzame, vrijwillige samenwerking. Het aanvaarden van een dergelijk alternatief betekent dat men een op overeenstemming berustende juridische orde aanvaardt (de bestaande berust op opleggen).

Het betreft een orde waarin niet alleen juridische regels vreedzame, vrijwillige samenwerking beschermen, maar ook dat het aanvaarden van het gezag van een juridische orde zelf weer berust op vreedzame, vrijwillige samenwerking (verwerving van overeenstemming). In een dergelijke orde is niemand ondergeschikt aan een verplichting als die niet direct voortvloeit uit de vooraf gegeven instemming ermee. De noodzakelijke verwerving van overeenstemming werkt het ontstaan van de reeds genoemde polycentric legal order en het ontwikkelen van polycentric law in de hand. Hierdoor ontstaan verschillende soorten juridische regimes, van territoriale en niet-territoriale aard (neergelegd in reële verdragstypen, gebaseerd op overeenstemming, instemming, overeenkomsten). Als goed jurist werkt Chartier dit in een grote mate van verfijning van zijn hypothesen uit.

Naar mijn idee laat dit ruimte voor een uitwerking in de richting van een polycentrisch-federalistische politieke organisatie. In tegenstelling tot de meer privaatrechtelijke uitwerkingen als bij Chartier te vinden, hebben Proudhon, Bakoenin, Kropotkin en na hen komende anarchisten, het meer gezocht in ‘politiekrechtelijke’ uitwerkingen, door zich met decentralisatie / federalisatie bezig te houden. Of dit tot convergentie kan leiden tussen privaatrechtelijke en ‘politiekrechtelijke’ uitwerkingen, zou kunnen worden onderzocht. Ik laat dit hier na, omdat het de bespreking te buiten gaat.

Onderwijl kan bij de lezer de vraag op zijn gekomen of het alternatief voor de staat dat Chartier uitwerkt, zal functioneren. Op voorhand is daar weinig met zekerheid over te zeggen. Er zijn wel overwegingen te opperen, waarom er een kans van slagen is. Om daar iets over te zeggen, kijk ik zelf naar de Nederlandse situatie.

Staatsfaalmomenten

Het valt niet te ontkennen dat een aantal zaken die de overheid (statelijkheid dus) doet, goed verlopen. Maar zijn dit geen zaken die ook zonder de aanwezigheid van de staat even goed in, bijvoorbeeld, een agreement-based legal regime kunnen worden uitgevoerd. Bij tal van andere zaken treden binnen statelijke instanties legio faalmoment op, die vervolgens financieel tot miljarden verliezen aanleiding geven. De staat is dus geen garantie dat het goed gaat. En het gaat regelmatig fout. Wie slechts naar de ernstigste gevallen kijkt, namelijk die welke tot een parlementaire enquête hebben geleid, vindt een hele bulk.

Waar ging het allemaal fout bij de staat en waarvoor de belastingbetalers de kosten ervan (belopend in vele miljarden euro’s) moesten opbrengen? Ik maakte vanaf 1982 een selectie van affaires die tot een parlementaire enquête leidde: in de scheepsbouw, de bouwsubsidies en bouwfraude, de falende toezichtorganen en financiële stelsels en de affaires inzake infrastructuurprojecten: Betuwelijn, Hoge Snelheidslijn, Fyra.[zie Aantekening 4] Zelfs een ICT-klus bij het ministerie van Defensie leidt tot wanorde. Het ligt kennelijk niet in het vermogen van de staat om zelfs op heel materiële vlakken zijn werk goed te doen. Dit laat onverlet, dat ook binnen het particuliere bedrijfsleven zaken geheel verkeerd kunnen uitpakken.

Een ding is duidelijk: de staat maakt er regelmatig een puinhoop van. Die is dus ook in dat opzicht overbodig en kan ontmanteld worden. Toch zullen er mensen ongerust zijn. Hoe wordt het georganiseerd dat zwakken (kinderen, hulpbehoevenden) in de samenleving bescherming worden geboden? Hoeven we ons geen zorgen te maken over milieubescherming, over misdaadbestrijding, moeten we ons niet verdedigen tegen outlaws?

Verdedigingsdiensten in een staatloze maatschappij

Chartier ontkent niet de mogelijkheid dat zich problemen en conflicten kunnen voordoen, dat het milieu verontreinigd kan worden, dat er mensen kunnen zijn die met hun gedrag tonen lak te hebben aan wat anderen op grond van overeenstemming met elkaar afspraken. Hij besteedt met name aandacht aan verschijnselen als criminaliteit. Daarbij hanteert hij een soort inductief-probabilistisch verklaringsmodel (van ‘probability’, waarschijnlijkheid). Hij voert daarvoor het volgende aan.

Heden leven we in een statelijk geleide situatie. Dat betekent een situatie die door macht wordt beheerst: een heersende klasse weet het instrumentarium van de staat zo gericht te houden, dat de bevolking afdwingbare prestaties moet leveren. Het gaat veelal om prestaties die ze zonder staat niet zou leveren. Omdat de instemming ontbreekt, is het statelijke systeem als illegitiem te beschouwen. Het statelijke systeem houdt structureel een verdeelsysteem in stand, dat een rijke kaste bevoordeelt wat leidt tot (sociale) onrechtvaardigheid. Dit is met behulp van allerlei uitingen en voorbeelden te staven.

Men hoeft maar naar de beloningsstructuur en de bonussen- en gouden handdrukcultuur te kijken om te weten hoe de verdeling tussen arm en rijk er uitziet. Het staatsgezag kan zich in die situatie alleen in stand houden met behulp van geweld omdat het een niet-consensueel gezag betreft. Het werkt met wat ik zelf noem eenzijdige gezagsbinding.

 G385.27De staat zoals we hem weer herkennen: onder bedreiging doen wat wordt opgedragen.

Zou de staat worden ontmanteld en zou de maatschappij op vreedzame, vrijwillige samenwerking berusten, dan leidt dit tot een sociale situatie waarin de heersende klasse is ‘opgelost’. Die maatschappij zal vele juridische regimes kennen, alle gebaseerd op verdrags- en overeenkomstenrecht (consensussysteem). Om in te kunnen spelen op onwenselijke zaken (milieubescherming) zal er een krachtig rechtssysteem ten behoeve van compensatie en schadeloosstelling zijn ingericht.

Chartier is er eveneens van overtuigd, dat een rechtvaardig rechtsregime zich richt tegen het krenken van niet-menselijke dieren en kwetsbare personen. Ik neem aan dat dit gelijk staat met bescherming bieden aan hulpbehoevenden, bijvoorbeeld als (sommige) kinderen in een onhoudbare situatie dreigen te verkeren (omdat ze een andere huidskleur hebben of tot een verstoten groep – zoals Roma’s – behoren, dan wel in een asociaal gezin sterk verwaarloosd worden).

Wat misdaadbestrijding aangaat, wordt meer duidelijk. Chartier wijst er terecht op dat crime (misdaad) een statelijke categorie is en het strafrecht een instrument van staatsmacht. Bij de staat ligt de definitiemacht. Die geeft met bepaalde delictstypes uitdrukking aan wiens ‘moraal’ heerst, en dat is onontkoombaar de moraal van het kapitalisme (als dat al een moraal kent). Leven in een rechtvaardige samenlevingssituatie – die in de ogen van Chartier antikapitalistisch is – doet verwachten, dat de ‘misdaadcijfers’ zullen dalen wegens de afwezigheid van de staat. Dat is niet raar gedacht. De staat heeft het strafrechtsysteem namelijk nodig om dreiging van zich uit te laten gaan. Deze dreiging moet aanvallen op de heersende klasse en het roofsysteem waarvan zij bestaat, kunnen afweren. Dat is mede een functie van de staat. Die definieert wat ‘misdaad’ is, logischerwijs in relatie tot zijn functie. Vervang dit model door het alternatieve model waarvoor Chartier zich sterk maakt en de misdaadcijfers, zo is zijn hypothese, zullen sterk teruglopen.

Hier komen we een parallelle opvatting tegen zoals recent nog geventileerd in het Franse anarchistische weekblad Le Monde libertaire (nummer 1747 van 3-9 juli 2014): ‘De gevangenis, het huis van bewaring, het opsluiten, gedwongen ‘resocialisatie’, al deze vormen van dwang zijn gebouwd op de vier dragers van het kapitalisme: uitbuiting, beroving, onderdrukking en minachting. Het is om die reden dat de antikapitalistische strijd noodzakelijkerwijs ook een strijd tegen het opsluiten is. Wij menen dat het kapitalisme zich van opsluiting bedient en van het gevangenissysteem gebruik maakt, om de sociale strijd en het verzet te verzwakken, ontwrichten, verlammen en vernietigen’, aldus de Internationale van Anarchistische Federatie.

Nu is ook te begrijpen waarom misdaad in feite mag tieren in een statelijke situatie: het creëert de legitimatie voor het bestaan van het strafrechtsysteem. Het opsluiten van mensen heeft dan ook niet tot doel om een antimisdaad werking te hebben. Al meer dan een eeuw is bekend dat gevangenissen recidive instellingen zijn. Naar aanleiding van de uitkomsten van een groot onderzoek kopte het Franse dagblad Le Monde eens ‘Hoe Franse gevangenissen recidive produceren’. Statistische gegevens leerden namelijk dat 60% van hen die een gevangenisstraf hadden ondergaan, binnen vijf jaar opnieuw worden veroordeeld (Le Monde van 15 oktober 2011).

Het is duidelijk dat we in een wereld leven – een statelijke dus – waarin bijvoorbeeld georganiseerde misdaad wordt gegenereerd: corruptie, verkapt gangsterisme, louche affaires in wat ‘sport’ heet (‘verkochte’ wedstrijden, weddenschappen, doping, prostitutie, affaires als die van Quatar). Dit heeft alles met kapitalisme te maken. Of zoals de vroeg 20ste eeuwse Franse arts en criminoloog A. Lacassagne eens opgemerkt moet hebben: ‘Maatschappijen hebben de criminelen die ze verdienen’. Een statelijk maatschappijmodel kent dus criminaliteit, waarvan een groot deel onbekend zal zijn in een niet-statelijk maatschappijmodel. Dat is geen gewaagde hypothese van Chartier.

 D384.45Griekse oproerpolitie beschermt het (bank)kapitaal.

Links, antikapitalistisch en socialistisch

Het juridische en politieke project dat Chartier met zijn boek heeft opgezet, noemt hij links, antikapitalistisch en socialistisch. Hij vat die kenmerken op als tradities, waarbinnen bepaalde doelen worden nagestreefd, zonder gebruik te maken van statelijke middelen. Zijn project noemt hij links omdat het gemotiveerd is vanuit linkse thema’s die verzet generen tegen onderdrukking, uitsluiting, armoede en oorlog. Het anarchisme omarmen levert in zijn ogen een effectief middel om linkse hoofddoelen te bereiken.

Het project is antikapitalistisch omdat de rechtvaardige rechtsregels en juridische instituties in een staatloze maatschappij de privileges en de sociale overheersing van kapitalisten zullen ondermijnen en opheffen. Chartier onderscheidt daarbij vijf soorten kapitalisme. Elke soort typeert hij met één kernbegrip: (1) vrijwillige samenwerking, (2) privaat-publiek partnerschap, (3) beheer door kapitalisten, (4) politico-economische status quo en (5) hypercommercialisering. De eerste soort aanvaardt hij en de rest wordt door hem verworpen.

De eerste vorm omschrijft hij als: een economisch systeem dat werk maakt van bescherming van rechtvaardige bezitsclaims en de vrijwillige ruil van goederen en diensten. Hierboven hebben we al kunnen opmaken wat binnen onrechtvaardige claims valt (zoals de op roof gebaseerde verwerving van rijkdom, al vanaf de feodaliteit). In de vier verworpen soorten kapitalisme zijn de nieuwe vormen van ‘roof’ ondergebracht, zoals waar er sprake is van geprivilegieerde binding van het grote bedrijfsleven aan de regering, de overheersing van werkplaatsen en maatschappij door kapitalisten, zodat een relatief kleine groep mensen de rijkdom en de productiemiddelen beheert.

Ik kan hier in meedenken onder de volgende voorwaarde. De staat is niet het enige instituut dat de vrijheid bedreigt. Er bestaat ook zoiets als ‘structureel geweld’ en een van de bronnen daarvan wordt gevormd door (buitensporige) rijkdom. Dit betekent dat in een alternatief samenlevingsmodel, gebaseerd op vrijheid, er tevens een economische bodem van sociale gelijkheid moet heersen. Wat formele gelijkheid aangaat, zonder opheffing van grote (economische) ongelijkheid, weten we hoe die uitpakt. Wel staat het een ieder vrij om onder de bruggen van Parijs te slapen, maar niet iedereen hoeft dat…Scherp is deze problematiek eens door Bakoenin samengevat: ‘Vrijheid zonder socialisme betekent privilege en onrechtvaardigheid; en socialisme zonder vrijheid betekent slavernij en onderdrukking’.

Chartier speelt daarop in. Zijn project kan ook als socialistisch worden begrepen, zegt hij, omdat het de binding is aangegaan met anti-etatistische socialisten. Die beogen de ‘sociale kwestie’ op te lossen mede door onvervalste, radicale sociale samenwerking doortastend aan te moedigen. De eerste auteur die Chartier noemt is de Engelse politiek econoom uit de vroeg 19de eeuw, Thomas Hodgskin. Deze levert een scherpe kritiek op de ongelijkheid in posities bij de ruil – die door privileges verwrongen is –, wat een bron van onrechtvaardige economie oplevert. Bij degenen die dat zo zien, ontstaat een vijandigheid tegen het kapitalisme en een sympathie voor de arbeidersklasse.

Socialisme behelst natuurlijk niet alleen een kritiek op het kapitalisme of een aanhangen van de arbeidswaardeleer, maar het gaat ook om een constructieve filosofie van sociaal beheer. Zeker is ook dat menige socialistische auteur bij dat ‘sociaal beheer’ aan een statelijke inbreng denkt (of er voor pleit) en daarmee dus het bestaan van de staat legitimeert. Het is precies dit laatste dat mensen van het vrije-markt anarchisme verwerpen. En zij niet alleen: elke anarchist zal dat doen.

Chartier die deze discussie samenvat, merkt dan afsluitend op: gegeven dat het socialisme de instelling van instituties aanmoedigt om onderdrukking en roof te ondermijnen, is er geen reden om Hodgskin niet als een socialist te herkennen. Het levert vervolgens de mogelijkheid dergelijke instituties onder te brengen als een van de uitwerkingen van ‘vreedzame, vrijwillige samenwerking’. Dit laatste komt versterkt terug als Chartier de Amerikaanse, eind 19de eeuwse anarchist Benjamin Tucker opvoert als iemand, die als socialist werk maakt van vreedzame, vrijwillige samenwerking door ruil en het afwijzen van door de staat gegarandeerde privileges.

In de verdere behandeling van deze problematiek verschijnen natuurlijk ook Amerikaanse anarchisten als Josiah Warren (1798-1874), die Benjamin Tucker als volgeling kende, en Lysander Spooner (1808-1887). Deze was een tijdje advocaat, steunde de beweging voor de afschaffing van de slavernij evenals de arbeidersbeweging en begon in 1844 een postbedrijf. Daarmee concurreerde hij met de Amerikaanse overheid, die hem juridisch bestreed wat uiteindelijk tot faillissement van het bedrijf leidde. De genoemde auteurs worden traditioneel gerekend tot het individueel anarchisme. Bij Chartier zijn ze ondergebracht bij anti-etatistisch socialisme.

 B380.84Staat = Oorlog

Vreedzame, vrijwillige samenleving

Een geloofwaardig anarchistisch project moet zich bezighouden met een aanval op de vele facetten van het kapitalisme: de statelijk beschermde privileges, de sociale overheersing door elites, het heilig verklaren van handel, kortom op de economische inrichting die onze wereld beheerst. Daarom heeft het zin om aan te geven wat anarchistisch recht en anarchistische politiek (niet in de zin van ‘partijpolitiek’ strevend naar een plek binnen het parlementarisme) in het kapitalisme pogen te ondermijnen, aldus Chartier.

Hij heeft er ook twee termen bij bedacht, het politieke anarchisme en het culturele anarchisme. Het eerste geeft uit drukking aan een leven en laten leven houding (afwijzen van de staat) en het tweede verwijst naar een op vreedzame wijze ondermijnen van hiërarchieën in bedrijven, buurten, gezin, kerkelijke gemeenschap en andere sociale instituties. Het bevordert de persoonlijke vrijheid van zelfontwikkeling, zelfbenoeming en zelfexpressie, etc.

In het anarchistisch-juridisch project, zoals hij dat met behulp van een groot aantal hypothesen heeft opgebouwd, staan daarom naast elkaar (a) het ideaal van de vreedzame, vrijwillige samenwerking (het staatloze model) en (b) de huidige – afgewezen – werkelijkheid van het heersende staatsmodel. Telkens weer gaat het in zijn tekst om deze tweeslag. Voortdurend geeft hij de elementen weer waarin het funeste van het staatsmodel zich uitdrukt om vervolgens de elementen te beschrijven waaruit het alternatieve model zal bestaan. Onderwijl ontwikkelt hij een anarchistische rechtstheorie en laat daarbij zien op welke wijze die toegepast kan worden. En niemand kan hem verwijten financieel wijzer te willen worden van de verkoop van zijn boek: alle auteursroyalty’s voor het boek te ontvangen, worden overgemaakt aan de libertarische antioorlog beweging (AntiWar.com)

Thom Holterman

CHARTIER, Gary, Anarchy and Legal Order, Law and Politics for Stateless Society, Cambridge University Press, New York, 2013, 416 blz., prijs 70 euro.

[Beeldmateriaal over genomen uit enkele nummers van het Italiaanse anarchistische maandblad Rivista Anarchica – nummers 380, 381, 384, 385.]

Aantekeningen

[ 1 ] AntiWar over zichzelf: ‘Onze toewijding betreffende libertarische beginselen, voor een groot deel geïnspireerd door de geschriften van de overleden Murray N. Rothbard, worden weerspiegeld op onze site’. Voor deze site, klik HIER.

[ 2 ] De anarchistische en politieke overwegingen als in het boek van Gary Chartier verwoord, zijn voorwerp van studie en commentaar in het Center for a Stateless Society; voor de site van dit centrum, klik HIER.

[ 3 ] Als sociale actie geeft de Salvadoraanse overheid ieder jaar 400.000 boeren zaden en meststoffen in het kader van het Plan voor Gezinslandbouw. Daarvoor koopt ze zaden bij 18 Salvadoraanse bedrijven. Dit mag een prijzenswaardige geste van de Salvadoraanse overheid heten. Maar diezelfde overheid heeft ook, in 2004, een vrijhandelsverdrag gesloten met de VS. In deze combinatie zien we: als een staat iets goeds doet, verkeert het meteen ook in het tegendeel. Het vrijhandelsverdrag opent namelijk de weg voor het machtige Amerikaanse multinationale biotechnische bedrijf Monsanto om toegang te eisen tot de Salvadoraanse zadenmarkt. Daarmee is de aap uit de mouw: het verdrag levert een chantagemiddel voor de Amerikaanse overheid. Die kan er druk mee zetten: als Monsanto geen voorkeurspositie op de binnenlandse markt van El Salvador krijgt, dan onthoudt de VS de steun van 200 miljoen euro aan het zeer arme El Salvador. Kortom, de VS heeft voor 200 miljoen euro toegang voor Monsanto (en andere Amerikaanse bedrijven) ‘gekocht’, waardoor dat bedrijf ‘geprivilegieerd’ blijkt. Voor meer informatie, klik HIER.

[ 4 ] ENKELE PARLEMENTAIRE ENQUÊTES:

Parlementaire enquête scheepsbouwbedrijf Rijn-Schelde-Verolme (1983; 2,2 miljard gulden).

Parlementaire enquête Bouwsubsidies (1986; controle en toepassing van regelingen had gefaald).

Parlementaire enquête Uitvoering sociale verzekeringen (1992; toezicht gefaald; geen zicht op wat uitvoeringsorganen deden).

Parlementaire enquête Bouwfraude (2002; toezicht gefaald; er is sprake geweest van grootschalige fraude, welk systeem leidde tot prijsopdrijving).

Parlementaire enquête Financieel Stelsel (2010; grote fouten gemaakt bij de miljardeningrepen).

Parlementaire enquête Fyra (2013; problemen Hoge Snelheidslijn en welke treinen gaan erop rijden – als ze kunnen rijden; eindrapport van de commissie voorzien in mei 2015)

Parlementaire enquête Woningbouwcorporaties (wat is er allemaal fout gegaan en hoeveel heeft dat gekost?; eindrapport van de commissie voorzien najaar 2014).

In het kader van de enquête Woningbouwcorporaties zijn harde woorden gevallen over een brekebeen minister; meer daarover, klik HIER. Ook werd het kennelijk nodig geacht om in het geheim te werken door de verantwoordelijke minister. Dat verklaarde oud-minister Donner in Vestia-zaak. Zo werkt het kapitalisme als derivatenhandel verdoezeld moet worden, maakt de enquête duidelijk; klik HIER.

Aangaande de Betuwelijn is het niet tot een Parlementaire enquête gekomen. Dat wil niet zeggen, dat die niet hoog nodig was. Wel heeft er een Parlementair onderzoek infrastructuurprojecten (2003-2005) gelopen; hoe kon het gebeuren dat de overschrijdingen van de begroting niet in toom waren te houden? Werden er door het ministerie kritische adviezen genegeerd en werd er informatie achtergehouden? Meerkosten: enkele miljarden euro’s. Over het parlementair onderzoek, klik HIER, en of er een parlementaire enquête nodig was, klik HIER.

[ 5 ] Over de ICT-puinhoop bij Defensie, klik HIER.

Advertenties
5 reacties leave one →
  1. 26/08/2014 08:50

    Ik hoop dat de Libertaire Orde dit een zinvolle bijdrage vindt en zich de moeite getroost om een reactie te geven, zodat de kwestie verder kan worden verhelderd

    De laatste tijd zijn er op de site van Libertaire Orde verschillende artikelen gepubliceerd die het standpunt uiteenzetten van het anarchisme over het recht binnen de socialistische c..q. anarcho-communistische (what’s in the name!) samenleving. Hiervoor baseert het anarchisme zich voor een de gerechtigheid tussen de mensen, naast het principe van de vrijheid, op het principe van de gelijkheid. “De gerechtigheid zelf geeft (…) de enig mogelijke weg van de menselijke bevrijding aan, namelijk de humanisering vde humanisering van de maatschappij door de vrijheid in gelijkheid.”(Over anarchisme, staat en dictatuur; Michael Bakoenin)

    Gerechtigheid, gelijkheid in een “echte democratie”?

    Maar wat bedoelt het anarchisme precies met “vrijheid gaat niet zonder gelijkheid”? (Thom Holterman, De AS 179) Volgens Agnès Pavlowsky gaat “… het anarchisme gaat uit van een concrete gelijkheid van mensen die gestoeld is op horizontale relaties.”(Michael Bakoenin: (5) Anarchisme En Moraal; Agnès Pavlowsky) Dit klinkt wel leuk, maar het zegt nog niet zoveel. Bestaat er naast een “gelijkheid van mensen, die gestoeld is op horizontale”, dan ook een gelijkheid die gestoeld is op “verticale relaties”? Gelijkheid concreet noemen, wil nog niet zeggen dat het ook hij ook concreet gemaakt is! De gelijkheid van Agnès Pavlovsky is nog net zo abstract als die van de liberale democratie.

    Binnen het kapitalisme bestaat er ongelijkheid, gestoeld op economische verhoudingen: niet alleen grote verschillen op het vlak van het private bezit, maar ook en vooral in de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid. In ga ervan uit dat deze ongelijkheid in de ogen van het anarchisme opgeheven moet worden. Maar is het probleem van de gelijkheid (en dus gerechtigheid) daarmee opgelost? Bestaat er dan werkelijk concrete gelijkheid, of begint het probleem nu pas? Wat te doen met mensen die allemaal verschillend zijn, kwa cultuur, kwa leeftijd, kwa mentale vermogens, kwa intelligentie, kwa talenten, enz. Moeten die mensen allemaal naast een en dezelfde uniforme meetlat gelegd worden? Of bestaan daar andere normen voor?

    Het lijkt dat er onder de anarchistische kameraden nog veel onduidelijkheid bestaat op dit vlak. In de AS 179 staat er bijvoorbeeld ook een artikel van Boudewijn Chorus, waarin deze uiteenzet hoe dat gegaan is in de periode van het ontstaan van de VS. Volgens de schrijver was de eerste geschreven grondwet van de VS er een die “prachtige principes verwoordde met iconische begrippen als vrijheid, gelijkheid en recht op het nastreven van geluk…” Maar diezelfde democratische grondwet bleek in de praktijk toch niet van toepassing te zijn “op de slaven, laat staan autochtone inwoners, de indianen”.

    Wat was het gevolg? “Onder aanvoering van George Washington, praktiseerden zij (…) ten opzichte van de autochtone indianen een politiek van gedwongen integratie óf verdreven worden.” (Boudewijn Chorus, De AS 179) Hoe verklaart Boudewijn het feit dat de Amerikaanse bourgeoisie moest overgaan tot deze“politiek van gedwongen integratie óf verdreven worden” . Allereerst probeert de kameraad er zich vanaf te maken door te zeggen dat George Washington (alleen?) zeer “anti-indiaans” was. Maar vervolgens trekt hij toch ook de conclusie dat de grondwet “op essentiële gronden ondemocratisch” was. Maar waarom deze nu nog steeds ondemocratisch was, blijf een geheim

    Maar goed, stel dat het anarchisme wel duidelijk kan maken welke democratie welk de basis kan leggen en de condities kan scheppen om tot een werkelijke gelijkheid te komen tussen alle mensen binnen een toekomstige socialistische samenleving. Hoe moet die “democratie” er dan uitzien? Of blijft die conceptie net zo abstract als die van de gelijkheid? Waarschijnlijk wel. Want het probleem is dat het anarchisme, sinds Proudhon, nog steeds niet begrijpt dat voor het bereiken van een “socialisme van onderop”, niet alleen de staat vernietigd moet worden, maar ook de economie opgeheven moet worden.

    Zolang het anarchisme nog uitgaat van het bestaan van een economie (zoals Thom Holterman ook nog steeds doet, b.v. in “Associationisme, Solidarisme, Anarchisme”), lost het probleem van de gelijkheid zich niet op, welke “democratie” je ook bedenkt. Want economie betekent ruil. Maar ruil van wat? De ruil van equivalenten, van eenheden (producten) van gelijke waarden. En ruil van gelijke waarden, betekent ook ruil van de hoeveelheid daaraan bestede arbeid Ruil (in tegenstelling tot distributie) betekent markt. En dus blijft de mens ook in de “anarchistische democratie”, middels zijn arbeid, toch nog de slaaf van het mechanisme van de markt.

    Een toevlucht tot de meer filosofische uiteenzettingen, zoals de verschillende anarchisten regelmatig doen, in hun bijdragen aan deze website en voor de AS, lost het probleem van de economie, de ruil en de markt niet op. Zelfs een “solidaire economie” is een luchtspiegeling als de voortbrenging van de rijkdom niet volledig ontdaan wordt van welke vorm van eigendom dan ook.

    • tijdschriftdeas permalink*
      27/08/2014 10:31

      Het lijkt mij zeker nuttig om de discussie aan te gaan over verheldering van standpunten. Het probleem is en blijft evenwel dat we dit in woorden moeten doen. En die blijven, hoe we het ook wenden of keren, meerzinnig. Zo iets kan je op eigen gezag en naar eigen ervaring opmerken. Het probleem is al veel langer bekend natuurlijk.

      Het is bijna op de kop af een eeuw geleden dat de Joodse dichter en jurist Jacob Israël de Haan (1881-1924) zijn openbare les hield over het begrip van het Teken en de betekenis van betekenis (aan de Hogeschool van Amsterdam, 1916). Wat hield hij zijn toehoorders ondermeer voor? Wel, het volgende:

      Nooit heeft een zelfde woord dezelfde betekenis voor twee verschillende personen. Ook niet voor spreker en hoorder in een zelfde gesprek. Evenmin heeft hetzelfde woord voortdurend dezelfde betekenis voor dezelfde gebruiker. De Haan gaat door: een woord heeft nooit tweemaal dezelfde betekenis! Daarom is al ons spreken trachten en al ons weten benaderen. De Haan verwoordt in 1916 dan als consequentie: ‘En gij zult wellicht vinden, dat ik met deze eerste les mijn lessen dan ook wel kan eindigen. Gelijk inderdaad de significus zou behoren te beginnen en te eindigen met te zwijgen, (…)’. Niet zolang daarna is De Haan naar Palestina geëmigreerd, waar hem in 1924 voor eeuwig het zwijgen is opgelegd, want in opdracht van een Joodse paramilitaire organisatie vermoord.

      Laten we hieraan over houden dat ons spreken, schrijven en weten is trachten en benaderen. Laten we dan voor het kiezen van een uitgangspunt om over de politiekinhoudelijke zaken die Arjan de Goede opvoert, voor de gedachtewisseling uitgaan van de grondregel: ‘nemen naar behoefte en werken naar vermogen’. In ‘nemen naar behoefte’ is aan de consumptiekant de economie verbannen (want ruil is er uit weggehaald). Het ‘nemen naar behoefte’ is visueel te maken met ‘gratis’ openbaar vervoer of zonder voorwaarden vooraf de voedselbank binnenstappen om de producten voor de maaltijd mee te nemen. Dat is een ‘recht’.

      Evenwel, als er geen elektriciteit wordt opgewekt, geen rails worden gelegd, geen trams en treinen worden gemaakt, geen groente wordt verbouwd, dan zijn al die goederen en diensten, die naar behoefte zijn te nemen, er niet. Vandaar ‘werken naar vermogen’. Tegenover het recht om te nemen, staat de plicht om – naar vermogen – te werken. Die productiekant kan niet zonder planning, zonder organisatie, coördinatie, coöperatie. En als dit het bestaan van een economie mee brengt, wat zou dat? Wie zegt dat er geen ‘anarchistische economie’ bestaanbaar is? Kortom, die ene grondregel ‘nemen naar behoefte, werken naar vermogen’ roept veel meer op dan waar men bij het uitspreken van de regel denkt.

      Het andere probleem, gelijkheid, is hier onmiddellijk aan op te hangen: omdat we niet allemaal gelijk zijn, de ene is langer dan de ander, de een eet meer dan de ander, zal een ieder op verschillende wijze invulling geven aan de grondregel. En niemand in anarchistische kring, voor zo ver mij bekend, wil dit type ongelijkheid afschaffen. Dat kan ook helemaal niet en zou dus onzinnige wens zijn. Niemand ontkent dus het bestaan van de verschillen waarover Arjan de Goede het heeft, blank of zwart, wel of niet begiftigd met veel intelligentie, creativiteit, vermogen tot lang doorgaan met fysieke inspanning om maar wat zaken te noemen die uitdrukking zijn van ongelijkheden. Niemand denkt eraan bij ‘gelijkheid’ dat soort zaken gelijk te maken.

      Gelijkheid hangt samen met rechtvaardigheid; de in dit verband geconstateerde ongelijkheid hangt samen met onrechtvaardigheid. Het leidt tot verdwazing, zoals daar in het item over de nieuwste dwaasheden van de rijken wat voorbeelden van gegeven zijn (zie: https://libertaireorde.wordpress.com/2014/08/13/de-nieuwste-dwaasheden-van-de-rijken/ ).

      Voor de duidelijkheid laten we gelijkheid uiteenvallen in formele en materiële gelijkheid. Formele gelijkheid is die (bijvoorbeeld) dat de wet voor allen gelijk geldt. Maar omdat niet iedereen materieel gelijk is, gaat het om een perfide onpartijdige logica: het staat ieder vrij onder de Parijse bruggen te slapen, maar niet iedereen is daartoe genoodzaakt…De materiële gelijkheid waarover het gaat, maakt dat een ieder minimaal in staat is te voorzien in de basisvoorwaarden van het bestaan (eten, drinken, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, etc.).
      Hoe dat te verdelen? Door ‘nemen naar behoefte’. Zover is het nog lang niet, reden waarom in het voorstadium bijvoorbeeld gedacht wordt aan een basisinkomen. Het transformeren van de maatschappij richting materieel gelijkheid verloopt dan via een geleidelijke manier (anders dus dan een ‘sociale revolutie’). Zo zijn er nog veel meer elementen die de aandacht kunnen en mogen hebben, waarbij ik ongetwijfeld inmiddels heel wat over het hoofd heb gezien, dat Arjan de Goede aandroeg. Een element daarvan is of een ‘solidaire economie’ een luchtspiegeling is als de voortbrenging van rijkdom niet volledig ontdaan wordt van welke vorm van eigendom dan ook. Maar ‘Wat is eigendom?’. Met die vraag zijn we terug in 1840, bij het gelijknamige boek van Proudhon. En dat is dan nog maar het begin van de discussie…
      Thom

  2. 02/09/2014 17:45

    Ik apprecieer je antwoord. Ik ken Jacob Israël de Haan niet zo goed, maar . maar dit maakt nog eens duidelijk wat de basis is waarop de staat Israël is gestoeld: op hetzelfde terrorisme waar ze de Palestijnen systematisch van verwijten. Maar goed, dat een andere keer.

    Aan het einde van je reactie stel je:“En dat is dan nog maar het begin van de discussie…”
    Je hebt gelijk, het is zeker nog maar het begin van de discussie… Maar laat ons dat niet weerhouden. Er bestaat momenteel een sterke tendens tot een verwaarlozing van de theoretische discussie: een beperking van de theorie tot een passief aanhoren van standpunten of tot reacties à la facebook. De traditie van de arbeidersbeweging laat ons echter zien dat de ontwikkeling van de theorie als de basis voor het zoeken naar de waarheid een moreel levensprincipe is, eigen aan ieder oprecht individu dat vecht voor een fundamenteel nieuwe, “vrije” samenleving.

    Dat gezegd hebbende, volgt nu een reactie op de verschillende aspecten van de antwoord. Ik ga niet in op de betekenis van allerlei termen en woorden. Ik denk dat zoiets niet alleen een taalkundige of semantische kwestie, maar ook een historische kwestie is.

    “Laten we hieraan over houden dat ons spreken, schrijven en weten is trachten en benaderen. Laten we (…) uitgaan van de grondregel: ‘nemen naar behoefte en werken naar vermogen’. In ‘nemen naar behoefte’ is aan de consumptiekant de economie verbannen (want ruil is er uit weggehaald). Het ‘nemen naar behoefte’ is visueel te maken met ‘gratis’ openbaar vervoer of zonder voorwaarden vooraf de voedselbank binnenstappen om de producten voor de maaltijd mee te nemen.”
    Ik ben hier helemaal mee akkoord, maar dat is geen economie. Er is namelijk geen ruil, maar alleen distributie en verdeling.

    “Is een ‘solidaire economie’ een luchtspiegeling als de voortbrenging van rijkdom niet volledig ontdaan wordt van welke vorm van eigendom dan ook?”
    Natuurlijk is dat een luchtspiegeling als die voortbrenging van rijkdom niet volledig ontdaan wordt van welke vorm van eigendom dan ook. Eigendom kan niet meer bestaan. Al het bestaande kan alleen maar van iedereen en van niemand zijn: niet van de individu, noch van het collectief. Er bestaat geen privé-eigendom in de toekomstige maatschappij. Er is dus ook collectief en dus ook geen coöperatief eigendom, zoals wel het geval is bij bestaande collectieven in Zuid-Amerika bijvoorbeeld.

    “Tegenover het recht om te nemen, staat de plicht om – naar vermogen – te werken. Die productiekant kan niet zonder planning, zonder organisatie, coördinatie, coöperatie. En als dit het bestaan van een economie mee brengt, wat zou dat? Wie zegt dat er geen ‘anarchistische economie’ bestaanbaar is?”
    Die productiekant kan niet zonder planning, zonder organisatie, coördinatie, coöperatie. Een planning is nodig is inderdaad nodig. Maar dat is nog geen economie. Er bestaat dan geen markt, waarbij alles en iedereen (en dus ook de mens en zijn arbeid) gemeten worden in gelijke kwantificeerbare eenheden (=vermogens) en niet in ongelijke vermogens. Maar waarom de anarchisten dan nog steeds over een (anarchistische en solidaire) economie?

    “Niemand ontkent dus het bestaan van de verschillen (…) blank of zwart, wel of niet begiftigd met veel intelligentie, creativiteit, vermogen tot lang doorgaan met fysieke inspanning om maar wat zaken te noemen die uitdrukking zijn van ongelijkheden. Niemand denkt eraan bij ‘gelijkheid’ dat soort zaken gelijk te maken.”Als anarchisten spreken over gelijkheid dan hebben ze het over de materiële gelijkheid, die samenhangt “met rechtvaardigheid; [terwijl] de in dit verband geconstateerde ongelijkheid hangt samen met onrechtvaardigheid”.
    Het is mij bekend dat anarchisten gelijkheid rechtvaardig en ongelijkheid onrechtvaardig vinden. Maar daarmee zijn we weer bij hetzelfde de punt. We hebben nog steeds te maken met mensen, die kwa ‘aard’ ongelijk zijn. Die ongelijkheid bestaat en de vraag is: wat doe je daarmee in een toekomstige maatschappij die georganiseerd is op basis van het principe: “allen voor één en één voor allen”. Dietzgen zegt bijvoorbeeld dat de toekomstige maatschappij (hoe we die ook noemen) de eerste is waarin, op basis van een sociale eenheid, ongelijkheid voor de eerste keer in de geschiedenis echt mogelijk zal zijn.

    Met betrekking tot het vraagstuk van de verhouding tussen individu en collectiviteit in de toekomstige maatschappij drukte Malatesta zich de volgende manier uit: “Maar op hetzelfde moment zijn de communisten (…) zich ervan bewust om dit vrijwillige, universele communisme, dat zij als het hoogste ideaal van de bevrijde en verbroederde mensheid beschouwen, voor een lange tijd met op basis van een vrije ontwikkeling te praktiseren. En zo komen ze eindelijk tot een conclusie, die in de volgende formule kan worden uitgedrukt: een maximale mate van communisme, om een maximale mate van individualisme te verwerkelijken, dat wil zeggen: een maximale van solidariteit teneinde een maximale mate van vrijheid te genieten.” (“Kommentar zu einem Artikel von Max Nettlau“, Errico Malatesta)

    Tenslotte stel je jezelf – retorisch – de vraag: “Wat is eigendom? Met die vraag zijn we terug in 1840, bij het gelijknamige boek van Proudhon.” In je artikel “Politieke Economie [1]: Associationisme, Solidarisme, Anarchisme” omschrijf je het probleem van het eigendom, zoals dat is gesteld door Proudhon, als volgt: “De eigendom is tot een recht gemaakt, dat de bezitter verleidt tot het genieten van een inkomen zonder arbeid. Kortom, het gaat hier om te opponeren tegen rentenieren. Het is dus niet de eigendom op zichzelf, maar om het ‘Herrenrecht’, de rechten van de heer om zijn horigen verplichtingen op te leggen, dat hij met zijn strijdkreet veroordeelt.”
    Hiermee zeg je in feite dat het eigendom, voor Proudhon, in de een of andere vorm toch blijft bestaan. Zelfs Kropotkin beschouwde het systeem van Proudhon ook als een soort van concessie aan de belangen van het kapitalisme. En, zoals je wellicht bekend is, vormde het ontstaan van de eigendom (de eerste vorm van eigendom was die van de man over de vrouw) de voorbode voor de vorming van klassen in maatschappij. En, sommigen zullen daar misschien anders over denken, niet het omgekeerde: het bestaan van klassen die de voorbode waren voor de vorming van eigendom. In ieder geval kan het – blijvende – bestaan van klassen nooit leiden tot gelijkheid, noch een gerechtvaardigde, noch een materiële gelijkheid

    kam. groeten

    • tijdschriftdeas permalink*
      04/09/2014 14:11

      Het probleem voor mij is, dat het woord economie een grote betekenisbreedte heeft. Ik heb de indruk dat jij je een voorstelling van een geregelde (in de zin van dat een aantal zaken regelmatig voorhanden zijn) maatschappij kunt maken zonder dat daarin nog het woord ‘economie’ een bruikbaar woord is. En misschien is dat ook wel zo, maar ik kan dat niet doorzien.

      Laten we het voorbeeld van gratis openbaar nemen. De trams en treinen daarvoor benodigd, moeten wel gemaakt worden, kompleet met de nodige infrastructurele voorzieningen (rails, bielzen, stations, bovenleidingen, elektriciteitsopwekking, noem maar op). De beslissing (vele beslissingen) zal genomen moeten worden dat er sowieso openbaar vervoer zal zijn. Er zullen meer maatschappelijke wensen zijn om te realiseren, zodat niet aan prioriteitsstelling zal zijn te ontkomen, etc. Een aantal zaken uit dat voorbeeld reken ik tot de economie, bovendien valt – voor mijn gevoel – het idee van het gratis openbaar vervoer binnen een ‘economisch model’. Dit onverlet dat een ander daar anders over kan denken.

      In feite is er met het begrip eigendom ook zoiets aan de hand. Het betreft een zienswijze al van Kropotkin: wie kan zeggen wat van hem/haar is, als het voortbouwt op zaken uit het verleden (stad, gebouwen, landbouwareaal, etc). Het laat zich dus denken dat we zonder het woord eigendom kunnen. Het laat zich vervolgens denken dat er overal ruimtes zijn van waaruit allerlei zaken te leen zijn, zoals boeken uit een bibliotheek (ik denk aan zaken als boortollen, slijpmachines; nergens nodig voor dat iedereen die dingen in eigendom heeft, als ze door ieder van velen van ons maar een enkele keer in het jaar worden gebruikt). In zo’n geval gaan we over ‘bezit’ spreken, dat wil zeggen het feitelijke in de macht hebben van zaken (waarbij ik er vanuit ga dat dit legaal en legitiem correct verworven is, bijvoorbeeld geleend en dus na tijdsverloop weer terug gaat naar de uitlenende instelling). Wel ook zo’n leen-maatschappij is op een ‘economisch model’ gebaseerd, althans voor mij.

      Als langs deze weg enkele bandbreedtes voor handelen opgesteld zijn, kan bekeken worden of daarbij dominantie al dan niet aan de orde is, want daarop zal een anarchist gespitst zijn. Indien aan de orde, dan zal dat individueel en institutioneel bestreden (getemperd) worden, etc. Dit laat binnen de verschillende bandbreedtes ruimte voor het leggen van verschillende nadrukken, die convergerende opvattingen en zienswijzen kunnen produceren. Ik laat het hierbij. Salut. Thom

  3. 06/09/2014 22:47

    Ik ga meer uit van een ideale situatie en laat me niet beperken door allerlei denkbare concrete stappen die gedaan moeten worden op weg naar een toekomstige menselijke maatschappij . Ik probeer veel meer mijn verbeelding (de fantasie van het kind) te gebruiken om daar dan woorden aan te geven. Dat is een heel leuk creatief proces, dat ik deel met en baseer op de historische voorbeelden, die mij daar de inspiratie voor geven.
    Toch bedankt voor de je reactie. De volgende keer weer verder? Er zijn genoeg onderwerpen om een discussie over te entameren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.