Skip to content

Rechtsveelvoud: Positieve Anarchie En Het Recht

12/10/2014

Advocaat

Het onlangs verschenen boek van de Duitse jurist Rainer Maria Kiesow, die in Frankrijk doceert aan de EHESS te Parijs (École des Hautes Études en Sciences Sociales), heeft als titel L’unité du droit (Eenheid van het recht). Het boek gaat ook over dat onderwerp. Maar let op, waarschuwt hij in het ‘Woord vooraf’: dit boek is geschreven met het oog op het afbreken van het denkbeeld over eenheid (van het recht). Die eenheid bestaat helemaal niet, ze is namelijk onmogelijk, zo betoogt hij met verve.

De eenheid van recht, rechtseenheid, is in zijn ogen een illusie om meer dan een reden, zoals: (1) de ene casus – zaak – is nooit gelijk aan de andere, (2) de ene lezing van de wet, is nooit gelijk aan de andere, (3) het aantal normen dat het leven regelt is gelijk aan de veel-facettigheid van dat leven. Ik ga hierin met hem mee door dit aldus te parafraseren: in plaats van rechtseenheid heerst er rechtsveelheid.

In de Nederlandse rechtsliteratuur komt men de term rechtseenheid tegen, niet de term rechtsveelheid. Die term is mijn constructie. Overigens is het de Nederlandse rechtsgeleerde Van Eikema Hommes die in een van zijn omvangrijke boeken, een hoofdstuk de titel geeft ‘Juridische eenheid en veelheid’. Mijn rechtsveelheid komt dus niet uit de lucht vallen. Ik zal ze een plaats toe kennen in wat positieve anarchie wordt genoemd.

Kiesow verwijst ook naar de positieve anarchie, waar hij de Franse anarchist P.-J. Proudhon citeert. Later zal hij daar nog een keer op terugkomen en wel als volgt. Wat er binnen het kader van het recht gebeurt, zegt hij, dat zal een geschiedenis van de anarchie zijn, van een anarchie die samenhangt met de autonomie van de vertakkingen van de samenleving, zoals het recht, de economie, de wetenschap, de kunst, de sport, etc. Het zal een anarchie zijn waarvan de theoretische geschiedenis voor een deel wordt beheerst ‘van Pierre Joseph Proudhon tot Niklas Luhmann’ (de laatste is een bekende Duitse rechtssociologische denker). Waarna Kiesow het voorlaatste hoofdstuk van zijn boek besluit met: ‘Het zal de geschiedenis zijn van de positieve anarchie’.

OmslagKiesow

Wandelingen langs het recht

In de voorgaande hoofdstukken heeft Kiesow dan al de eenheid van het recht telkens weten terug te brengen tot juridische veelheid. Hij heeft er voor gekozen dit niet in een lineair betoog te doen. In plaats daarvan heeft hij ‘wandelingen’ gemaakt naar uiteenlopende voorstellingen over recht. Die voorstellingen heeft hij in elf hoofdstukken ondergebracht. Daarmee heeft hij willen bereiken de eenheid van het recht weg te schrijven in een casuïstische vorm.

Het eerste hoofdstuk gaat over de juridische kakofonie waaraan men gemeend heeft een eind te kunnen maken, door het recht onder te brengen in wetboeken. Alleen wat in de wet staat zou als recht gelden. Dit zou eenheid in het recht brengen. Maar men was vergeten dat recht voor alles is: rechterlijke en juridische handeling. Recht is wat rechters maken. En omdat geen enkele zaak identiek is aan de ander leidt de eenheid tot niets. Ze spat uit elkaar.

De veelheid van het recht kent, aldus Kiesow, (tenminste) drie gezichten: (1) de weergave (wat betekenen de woorden; welke betekenis hebben feitelijkheden?), (2) weelderige groei van het aantal wetten, (3) het ontstaan van vele soorten recht, mede terug te vinden in de jurisprudentie. Daaraan is toe te voegen het zich ontwikkelen van vele rechtsscholen (rechttheorieën), waarvan Kiesow een (historische) beschrijving geeft. Wie dit allemaal bij elkaar optelt, moet constateren: nooit heeft enige ‘methodische ketting’ juristen ertoe kunnen dwingen te doen, wat ze niet wilden doen.

Het menselijk leven is verscheurd door politieke geschillen, doctrinaire strijdvragen, jurisprudentiële twistpunten, waardoor het recht een rechtsveelheid is. Ook nu weer gaat Kiesow door: Europa ­– rechtseenheid? Een dergelijk project is naïef, illusoir en ten langen leste totalitair. Met kracht komt het inter-etatistische (internationaal) en het niet-etatistische (mondiaal) recht de juridische arena binnen. Wie maken hier het recht, wie drukken hier het recht uit? De ervoor opgeleide juristen, de law-firms, met als voertaal Engels. Over recht wordt onderhandeld, het is koopwaar geworden. De Oostenrijkse rechtssocioloog Eugen Ehrlich (1862-1922) formuleerde het al in 1912: het centrum van de evolutie van het recht ligt in de samenleving zelf.

Recht neemt de vorm aan van een netwerk, of beter, zegt Kiesow, een rhizome (een wortelgestel zoals waarlangs brandnetels zich verspreiden). Aldus ontwikkelt zich een juridisch pluralisme. Het mondiale pluralistische recht wordt slechts zelden aan de rechter voorgelegd. Mondiale juristen gaan namelijk niet vaak een rechtsstrijd aan, zij onderhandelen. Hier is het idee van de juridische orde als eenheid begraven.

Logcabin.0

 

Onbegrijpelijk

De ‘architektuur van het recht’ kan in de ogen van Kiesow niet tegelijk zijn een mechaniek van orde en eenheid – behalve om een repressief monster te creëren: Law and order. Waarom? Kiesow hier over: omdat het recht, in zijn juridische hoedanigheid van het begeleiden van het menselijk leven veel meer lijkt op een kunstwerk van Jean Tinguely (Zwitsers kunstenaar die in zijn werk beweging en verandering uitdrukt) dan op iets anders. Het is een onberedeneerd samenraapsel zonder grenzen. Inmiddels zitten we op de laatste pagina van het boek waar Kiesow zegt: de geschiedenis van het recht zal dus, samengevat, een geschiedenis van de anarchie zijn.

De uitkomst van zijn wandelingen in elf hoofdstukken beschreven, kent overeenkomsten met mijn eigen beschrijvingen omtrent het recht. Dat wil niet zeggen dat ik alles begrepen heb wat Kiesow schrijft. Integendeel. De zin van enkele wandelingen (hoofdstukken) is mij geheel ontgaan. Wat dit aangaat is er een tegenstelling te ontdekken omtrent de gewenste ‘begrijpelijkheid’ tussen zijn tekst en wat daarover in het Voorwoord bij het nieuwe Franse juridische tijdschrift Grief wordt geschreven, van welk tijdschrift hij mederedacteur is. Daar leest men: ‘De stijl van de artikelen moet begrijpelijk en toegankelijk zijn. Complex betekent niet gecompliceerd (in nummer 1 van Grief dat ik later zal bespreken). Dit lijkt me ook voor een boek te gelden.

Hoofdstuk 6, getiteld ‘Rechtssociologie: een empirische reactie’, met een fictieve discussie tussen Luhmann en Derrida, is geheel aan mij voorbij gegaan. Hopelijk vinden anderen het juist om te ‘smullen’. Hoofdstuk 7, ‘De rechtstaal: een begrijpelijke reactie’ is voor andere lezers geschreven dan voor mij – niet om door te komen. Maar goed, er bleef voldoende over om te begrijpen waarmee en waarom Kiesow is bezig geweest. In dat kader heb ik bij wijze van poging een twaalfde hoofdstuk voor hem in de steigers gezet, getiteld ‘Het rechtsverleden: een Nederlandse reactie’.

Wie een tekst als die van Kiesow onder ogen krijgt, meent wellicht met een nieuw verschijnsel van doen te hebben. Gelet op de historische verwijzingen en zijn manier van argumenteren, begrijpt men dat hij die pretentie niet heeft. Om zijn punt duidelijk te maken, gebruikt Kiesow met name Frans- en Duitstalige literatuur. Het kan dus geen kwaad voor de Nederlandse lezer om aan te geven, dat ook Nederlandse auteurs het proces van eenheid naar veelheid niet is ontgaan. En het is natuurlijk niet toevallig dat men een aantal verschijnselen waarop Kiesow wijst, ook bij Nederlandse auteurs kan ontwaren. Maar wie weet dat in het buitenland. Welaan, hier wat materiaal voor een aanvullend hoofdstuk 12 van het boek van Kiesow.

Logcabin.1

Een reactie met Nederlandse auteurs

Bij Kiesow kwamen we tegen dat de weergave (taal, woorden) de rechtseenheid breekt. Als probleem is dat al heel lang bekend. Luister naar de openbare les aan de Hogeschool van Amsterdam, in 1916, van Jacob Israël de Haan (1881-1924; Joods auteur, dichter, jurist; emigreerde naar Palestina waar hij in 1924, in opdracht van een Joodse paramilitaire organisatie, werd vermoord). De Haan spreekt over ‘rechtskundige significa’, over het begrip van het Teken en de betekenis van betekenis, langs welke weg de rechtstaal wordt geproblematiseerd. Waarom zit er in taal zoveel spraakverwarring?

Wel, nooit heeft een zelfde woord dezelfde betekenis voor twee verschillende personen. Ook niet voor spreker en hoorder in een zelfde gesprek. Evenmin heeft hetzelfde woord voortdurend dezelfde betekenis voor dezelfde gebruiker. De Haan gaat door: een woord heeft nooit tweemaal dezelfde betekenis! Daarom is al ons spreken trachten en al ons weten benaderen. Op enig moment bereikt De Haan het punt waar Wittgenstein een aantal jaren later ook zal aankomen (in zijn Tractatus, 1921-1922, stelling 7). De Haan in 1916: ‘En gij zult wellicht vinden, dat ik met deze eerste les mijn lessen dan ook wel kan eindigen. Gelijk inderdaad de significus zou behoren te beginnen en te eindigen met te zwijgen, (…)’.

Bij Kiesow kwamen we ook tegen dat de eenheid van het recht uiteenspat vanwege de groei van het mondiale recht. Een halve eeuw geleden kon dat niet als zodanig worden onderkend. Maar in die tijd werd het al wel toegeschreven aan het internationale recht. Ik denk hier aan de Nederlandse jurist en rechtsfilosoof Izaak Kisch (1905-1980). In zijn ‘Proeve van een typologie der rechtstheorieën’ (1946), schrijft hij over collisie (botsing tussen recht en recht). Dat woord leidt bij Kisch naar de gedachte aan het internationaal privaatrecht: conflicten-norm, collisie-regel. Ook bij hem lezen we: één rechtsvraag hier en nu, waarvoor zich verschillende oplossingen aandienen. Pluraliteit dus.

Kisch gaat op de kwestie van de collisie in omdat dan duidelijk gemaakt kan worden dat die kwestie in drieën uiteenvalt. Gelet daarop komt men tegen: één rechtsvraag en een pluraliteit van oplossingen. De drievoudigheid waarvan Kisch spreekt, ziet hij zich voordoen naar persoon, zaak, handeling, dat wil zeggen naar rechtssubject, rechtsobject en rechtsfeit. Die verwijzen weer naar een drietal concurrerende ‘statuten’. Kisch zegt dit niet zonder voorbedachte raad te hebben opgezet. Hij wil namelijk drie stemmen laten klinken: wil, wens, mening. Langs die weg zal hij dan allerhande rechtstheorieën groeperen. Het gaat om veelheid, niet om eenheid.

Zoals we hiervoor al zagen, zal een andere jurist, Van Eikema Hommes, in zijn omvangrijke boek Elementaire begrippen (1972) een hoofdstuk wijden aan ‘Juridische eenheid en veelheid’. Hij brengt daarmee onder de aandacht het doordringen van niet-etatistische rechtsordeningen in het recht (zoals kerkelijke reglementen en collectieve arbeidsovereenkomsten). Met name wijst hij op de wijziging in 1963 van de oude cassatiegrond ‘schending van de wet’ in ‘schending van het recht’. Kortom, de verandering van wet in recht breekt het denken in termen van eenheid ten gunste van het denken in veelheid.

Logcabin.2

Zelfstandig, kritisch en kreatief (ZKK)

Als de voorgaande verwijzingen op een tendens wijzen, dan is die terug te vinden in het op een nieuwe leest geschoeid juridisch onderwijs in de toenmalige Nederlandse Economische Hogeschool (Rotterdam, beginjaren 1970). Mensen als de hoogleraar Strafrecht Louk Hulsman en de rechtstheoreticus en hoogleraar Inleiding Jack ter Heide hebben hieraan bijgedragen. De vraag is wat en hoe de aanstaande jurist te leren? Het antwoord op die vraag hangt samen met de kijk, die de docenten zelf hebben op het recht. Om het laatste is het mij hier te doen.

Hulsman laat daar iets van blijken in een syllabus voor het vak strafrecht. Als men over recht spreekt in termen van gegeneraliseerde situaties aan gegeneraliseerde maatstaven beoordeeld (poging tot aanbrengen van eenheid), dan zegt Hulsman: ‘Ik hoef hier niet te herhalen dat ik van mening ben dat zo’n samenvallende beschrijving en ordening van de samenleving volstrekt onmogelijk is’. Naarmate het plaatje van die samenleving, dat wordt gevormd door het algemene recht, er geordender en consistenter uitziet, des te minder heeft dit te maken met de ‘werkelijkheid’ waarop het betrekking wil hebben.

Hulsman laat weten dat de rechter daar ook geen oren naar heeft. En wat ook niet moeten worden vergeten: rechters zijn nimmer aan jurisprudentie – noch hun eigen jurisprudentie, noch die van andere rechters – gehouden, ook niet aan die van de Hoge Raad. Waarom kan de rechter dat passeren? Jurisprudentie is zelden eenduidig en geen zaak is dezelfde. Gegeneraliseerde situaties zijn dus ficties, virtuele entiteiten. Kortom, de jurist moet zelf zijn weg zoeken. Het is voor die zoektocht dat hij toegerust moet worden om, zo heette dat in Rotterdam in de jaren 1970, het werk zelfstandig, kritisch en kreatief te kunnen verrichten (ZKK-jurist). Ter Heide was de man die zich op het aanbrengen van die attitude ging richten in het eerste jaar van de studie.

Ter Heide, zo is te lezen in het boek Als juristen twisten (1988; de auteurs baseren zich op discussiebijdragen van Ter Heide), laat zien dat de jurist van 1970 niet zozeer de wet toepast of het recht vindt, maar veeleer het recht maakt. Ter Heide ziet de jurist in de eerste plaats als iemand die zich bezighoudt met het oplossen van conflicten. In de tweede plaats verwacht men van de jurist het formaliseren van spelregels in de diverse ‘speelvelden’ van de samenleving. Bij elkaar wil dit zeggen dat het gaat om gesystematiseerd probleemdenken in interactie met de omgeving.

De taak van een jurist is volgens Ter Heide bovenal: het vinden van een bevredigende oplossing, waarbij de theorie geldt als een redeneermogelijkheid, niet als waarheid. Om het probleembewustzijn bij de studenten te wekken gaat hij in het cursusjaar 1971-1972 werken met res cottidianae (alledaagse zaken). Dit is een verwijzing naar een tekst uit het Romeinse recht die aan de toen bekende jurist Gaius wordt toegeschreven. Ter Heide haalt de ‘alledaagse zaken’ niet uit het Romeinse recht maar uit de krant, met name een streekblad bij hem in de buurt, evenwel bijvoorbeeld ook uit het damesblad Libelle. Alledaagser kan niet. Maar de vragen er bij gesteld, blijken indringend. Hier zijn we geheel weg bij de hunkering naar rechtseenheid. Het gaat om een volledige acceptatie van rechtsveelheid.

Logcabin.3

Anti-jurist

Ter Heide is ook de man die zich heeft afgevraagd of het begrip ‘antistaat’ als tegenpool van de staat in de komende tijd is te verwachten. Hij stelde die vraag in zijn artikel in De Gids (1976), getiteld ‘Staat en antistaat, evolutie of revolutie?’. Hij geeft erin aan dat de komst van de anti-jurist mogelijk is, zoals er in de periode ervoor zich ook het verschijnsel van de ‘antipsychiater’ als tegenpool van de psychiater heeft aangediend. Net zo min als de antipsychiater het eind van de psychiatrie behelsde, kondigde de anti-jurist het eind van het recht aan. Het gaat om een verandering van blikrichting. Daar hield Ter Heide zich mee bezig en met het herscheppen van het klassieke juridische instrumentarium. Dat was namelijk niet meer toereikend om te begrijpen en verklaren wat er zich aan ontwikkelingen in het ‘veld’ voltrok. Het gevolg van dat al was dat sociologen en politicologen op wetenschappelijk terrein de leiding van juristen gaan overnemen. De anti-jurist speelt daar op in.

Anti-jurist en antistaat zijn begrippen om mee aan te duiden dat interdisciplinair naar het probleem van dwang en drang in menselijke samenlevingsverhoudingen gekeken moet worden. Bovendien, zo zegt Ter Heide: ‘kan men, op deze wijze handelend, profiteren van de resultaten van onderzoek naar andere samenlevingstructuren waarin dwang en drang een rol spelen en van de ontwikkelingen die op andere terreinen van het maatschappelijk leven aan de gang zijn, zoals de veranderingen van en de oppositie tegen medische macht, clericale macht, economische macht etcetera’. Ook hier is de problematiek van de eenheid van het recht achter de horizon vertrokken.

Logcabin.4

Positieve anarchie

Er is geen samenleving denkbaar zonder conflicten. De vraag is op welke manieren men bereid is die op te lossen. Als de weg van het geweld wordt vermeden, dan zal het neerkomen op schikken, overleggen, compromissen zoeken, middelen, institutioneel herschikken. Sommige antinomieën (tegenstellingen) zijn niet op te lossen en moeten volgens Proudhon ook niet worden opgelost. Beter is permanent te zoeken naar het in evenwicht brengen. Proudhon is in feite zijn hele leven bezig geweest om over die institutionele en procesmatige kant van ‘evenwicht’ te denken en schrijven. Hij spreekt over ‘positieve anarchie’ als een begrip dat hij plakt op verschijnselen die de weg naar het evenwicht in beeld brengen, zoals mutualisme en federalisme (groeiend van beneden naar boven).

Positieve anarchie wijst op orde, dynamiek, rationaliteit. Pierre Ansart, Franse socioloog en anarchist, spreekt als volgt over deze proudhonnistische terminologie: er zit een maatschappijbeeld in verwerkt zonder transcendent beginsel, zonder meester, zonder onderdrukkende macht. Aldus sluit ik de opzet van het fictieve hoofdstuk 12 af. Of Kiesow iets zou kunnen aanvangen met de schets voor zo’n hoofdstuk, doet er niet toe. Duidelijk is dat het idee van rechtseenheid een autoritaire act vraagt en alleen onder streng totalitaire druk gehandhaafd kan blijven. Wie daar niet aan moet denken houdt rekening met rechtsveelheid.

Thom Holterman

KIESOW, Rainer Maria, L’unité du droit, Éditions de l’École des Hautes Études en Sciences Sociales, Paris, 2014, 238 blz., prijs 14 euro.

[Beeldmateriaal van elementen voor een ‘log cabin’ quilt ontleend aan de site BusyBeeFree; klik HIER]

Aantekening

Bibliografie bij het fictieve hoofdstuk 12:

Jacob Israël de Haan, Wezen en taak der rechtskundige significa, Openbare les uitgesproken bij den aanvang zijner lessen als privaatdocent in de rechtskundige significa aan de Hoogeschool van Amsterdam, op dinsdag 31 october 1916, P.N. van Kampen & Zoon, Amsterdam, 1916.

Izaak Kisch, ‘Proeve van een typologie der rechtstheorieën’ [Amsterdam, 1946], in: Staatsrechtelijke opstellen, aangeboden aan prof.mr. R. Kranenburg, 1948, p. 54-77.

H.J. van Eikema Hommes, De elementaire grondbegrippen der rechtswetenschap, Kluwer, Deventer, 1972.

L.H.C. Hulsman, De Syllabus Constructionisme, uit: Reader Strafrecht 1984/85, EUR/Rotterdam, samengesteld door M. Van Kinderen e.a., p. 99-147.

Ursul Schaap en Rogier Scheltens, Als juristen twisten, De wording van de Rotterdamse faculteit der rechtsgeleerdheid (1963-1988), Gouda Quint, Arnhem, 1988.

Jack ter Heide, ‘Staat en antistaat, evolutie of revolutie?’, in: De Gids, Jaargang 139, 1976; [op Internet te raadplegen, klik HIER.]

Alain Pessin et Mimmo Pucciarrelli, Pierre Ansart & L’anarchisme proudhonien, Atelier de Création Libertaire, Lyon, 2004.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s