Skip to content

Rebellen: Vetkuifjes In Verzet En Provo’s In Protest

05/04/2015

Ban de bom teken

Opstootjes, relletjes, vechtpartijen in de binnenstad van Amsterdam eind jaren vijftig, tussen Dijkers en Pleiners, tussen nozems en politie, soms dagelijks. De politie had er haar handen vol aan en trad vaak hard op. Bullenpees en blanke sabel werden veelvuldig gehanteerd om de ‘opstandige jeugd’ in het gareel te slaan. In de wederopbouw, in de spruitjeslucht van de jaren vijftig, zochten jongeren een weg om zichzelf te zijn. Het boek Rebelse jeugd van Eric Duivenvoorden beschrijft hoe al voordat Provo zich manifesteerde, jongerenverzet tegen autoritaire structuren in de samenleving zich ontpopte. Martin Smit bespreekt hieronder het boek van Duivenvoorden en schetst de historische context.

Voorkant.Rebel

Rondhangen

Het was niet mis de jaren vijftig, die druk van bovenaf. Was je net de puberleeftijd ontgroeid, een jaar of negentien, twintig dus, en je was volop bezig je op een semi-volwassen manier een beetje te ontpoppen, maar je wist niet hoe, of naar welke gelegenheden je kon gaan. Contact met leeftijdgenoten, vooral van het andere geslacht, bleek ook lastig soms. En dus stond je nogal onhandig rond te hangen op plekken waar dat blijkbaar leek te kunnen: sommigen op de Nieuwendijk in Amsterdam, anderen op het Leidseplein: een beetje lummelen, wat drinken en eten. Dat ergerde velen: winkelend publiek, gezagsdragers, maar vooral de politie. En die greep dan ook snoeihard in, wanneer het rondhangen uit de hand dreigde te lopen. Dat leverde vaak klappen op, jongeren dienden immers in toom gehouden te worden, maar dat lukte slechts ten dele.

Dijkers en Pleiners

De jongens en meisjes van de Nieuwendijk waren de volksjongens en –meisjes. De jongens weliswaar vaak keurig in pak, later vervangen door de leren jacks, werd het haar in een vetkuif gekamd en kwamen de brommers, waarmee op ruige wijze heen en weer werd gescheurd. De meisjes hadden kapsels die deden denken aan suikerspinnen, ze kleden zich in voor die tijd korte rokken en lakleren jassen. Fotograaf Ed van der Elsken maakte er mooie foto’s van, gepubliceerd in zijn boek Amsterdam! Voor jongeren waren er in die tijd nauwelijks plekken waar ze zichzelf konden zijn, uitgaansgelegenheden waren er voor hen bijna niet, soms een friteskraam of de foyer van een bioscoop.

De jongelui die op en rond het Leidseplein rondhingen hadden een wat meer artistiekere inslag dan de Dijkers, velen deden een poging om als kunstenaar of schrijver aan de bak te komen, mogelijk vaag geïnspireerd op de Franse existentialistische stroming die toen van zich deed spreken. Het klikte niet tussen de jongeren van de Nieuwendijk en van het Leidseplein; bijna dagelijks deden zich vanaf ongeveer 1956 vechtpartijen tussen beide groepen plaats, waarbij de door velen als ‘fascistoïde’ bestempelde politie – zwarte lange, leren jassen – stevig van zich deed spreken.

Weiger.Verzet,jpg

Nozems

De aanleiding voor die vechtpartijen was vaak ver te zoeken. Beide groepen zochten blijkbaar een ontsnappingsmogelijkheid, een weg uit de vaak strenge opvoeding in de jaren van de naoorlogse opbouw, de benepenheid van de thuissituatie en van school van de jaren vijftig, en het gebrek aan een eigen plek en zochten een mogelijkheid tot ontsnapping en ontspanning. De film Rock Around the Clock bracht daar verandering in.

De film, in de ogen van nu een uiterst braaf gebeuren, toonde onder andere het door Bill Haley en zijn combo gespeelde nummer Rock Around the Clock. Haley, een dertiger met een babylok in plaats van een vetkuif, leek nu niet direct het grote voorbeeld voor opstandige jeugd, maar film en muziek bleken een explosie van aan rock ‘n’ roll gekoppelde opstandigheid te veroorzaken. Her en der in Nederlandse steden braken relletjes uit, ondanks de streng gecontroleerde vertoning van de film. De gummiknuppel, maar ook de blanke sabel die door de politie werd gehanteerd, maakte de gemoederen nog meer los. De inmiddels ingeburgerde term voor de opstandige jongen, nozems, kreeg steeds meer een negatieve betekenis, bijna synoniem met criminaliteit en onrust. Dat was niet terecht, zo toont Duivenvoorden aan.

Verzet

Hij schetst op uiterst gedetailleerde wijze de geschiedenis van de eerste oprispingen van de jeugd in de brave Nederlandse samenleving, op basis van uitvoerig onderzoek in archieven en digitale krantenbestanden. Die artikelen uit die tijd blijken niet altijd even waarheidsgetrouw, en lijken nu vooral vooringenomen, maar daar weet hij kanttekeningen bij te plaatsen. Mooi weet hij duidelijk te maken hoe Nederlandse jongeren – van een beweging was nog niet echt sprake – hun ‘verzet’, want zo was het inmiddels wel te noemen, misschien primitief in de praktijk brachten en hoe er op werd gereageerd.

Een voorbeeld: jongeren in Leeuwarden die in 1957 een voorstelling van de film Rock Around the Clock hadden bezocht, daarna door de stad slenterden en luid ‘rock ‘n’ roll’ riepen, werden door de plaatselijke politie genadeloos achterna gezeten en in elkaar geslagen. Maar in allerlei steden trad de politie op soortgelijke wijze op.

Ban de Bom

Velen dachten en denken misschien dat pas halverwege de jaren zestig essentiële veranderingen in de Nederlandse samenleving een aanvang vonden met protestbeweging Provo, er pas daarna een ommekeer plaatsvond in de kijk op huwelijk, samenlevingsvormen, seksualiteit, maar ook zaken als verkeersproblematiek, milieuverontreiniging, dienstplicht, verkrotting van oude stadwijken, woningtekort, natuur en onderwijs. Duivenvoorden laat zien dat al voor het ontstaan van Provo steeds meer jongeren de levenswijze en houding van ouders, leraren en gezagsdragers niet wensten te volgen.

De opkomende rockmuziek, van vooral Elvis Presley en anderen, fungeerde als een soort slinger om de verzetsgemoederen nog hoger op te zwepen. De door Haagse middelbare scholieren, onder wie Roel van Duijn, opgerichte Ban de Bom groep bleek nog eens een extra katalysator (zie ook Wim de Lobel over die jaren – 1961-1962 – in de AS nr. 83). Protesten tegen de atoombewapening, en later tegen de Vietnamoorlog konden nog altijd rekenen op hard politieoptreden, op strenge controle van een plaatselijke overheid, die ieder spandoek wenste goed te keuren, en over iedere demonstratie een veto kon uitspreken.

as-083_klProvo

Duivenvoorden kan goed beschrijven hoe het nozemgebeuren van de jaren vijftig en de anti-atoomprotesten van begin jaren zestig, uiteindelijk samenvielen in een protestbeweging die het jongerenverzet en het politieke element van jongerenverzet wist te bundelen: Provo. Van Duijn en zijn kompanen wilden een revolutie, zij wilden Nederland fundamenteel veranderen.

Vanaf 1965 bombardeerde Provo op veelal ludieke wijze de gang van zaken in Nederland met alternatieve plannen. De happenings bij het Lieverdje op het Spui in Amsterdam waren in simpele zin revolutionair, maar de aanwas van Provo leidde niet tot een fundamentele maatschappijverandering. Fotograaf Cor Jaring legde de gebeurtenissen voor de eeuwigheid allemaal vast met zijn feilloze Leicacamera.

Structuren

Pas nu, vijftig jaar na de oprichting, wordt duidelijk hoe visionair Provo eigenlijk is geweest. Destijds voor idioot of volslagen belachelijk uitgemaakte plannen blijken nu in het huidige natuur- of milieuvriendelijke denken gemeengoed te zijn geworden. Menig plan is, weliswaar soms via een omweg, gerealiseerd. ‘Witte’ fietsen zijn er in steden als Londen, Parijs, Stockholm en Berlijn, weliswaar tegen lage betaling. In Amsterdam, de bakermat van Provo en dus ook van het ‘witte fietsenplan’ is iets dergelijks nooit gerealiseerd.

Conclusie van Duivenvoorden is dat destijds de reacties van gezagsdragers op de protestbewegingen – waren nozems dat in aanzet ook al niet? – zwaar overtrokken waren, vasthoudend aan vooroorlogse ideeën van burgerschapszin, koningsgezindheid en autoritaire structuren. Ieder verzet daartegen, ook al was maar de vetkuif, later het lange haar in de Beatlestijd, diende met harde hand de kop worden ingedrukt. Dat is niet gelukt. De huidige Nederlandse samenleving mag dan geen revolutie hebben doorgemaakt, aan veel vooruitstrevende ideeën lag de progressieve jongerenbeweging van de jaren vijftig en zestig ten grondslag, zo weet Duivenvoorden duidelijk te maken.

Scharniermomenten

Duivenvoorden (van 1962, dus geen deelnemer aan de jaren zestig) lijkt een voorkeur te hebben voor het schrijven over opstandige momenten in de naoorlogse Nederlandse samenleving. Zo publiceerde hij eerder Het Kroningsoproer 1980, over de gebeurtenissen op 30 april 1980, een geschiedenis van de Nederlandse kraakbeweging, Voet tussen de deur en een uitputtende biografie over anti rookmagiër en Provo-exponent Robert-Jasper Grootveld. Met het zojuist verschenen Rebelse jeugd, is eens te meer duidelijk dat Duivenvoorden schrijft over scharniermomenten in de Nederlandse samenleving, gebeurtenissen die hun schaduw soms ver vooruit wierpen.

Wellicht dat de puber van toen, de oudere jongere van nu, niet alleen met verwondering keek naar die maatschappijveranderingen, maar ook met bewondering.

Martin Smit

DUIVENVOORDEN, Eric, Rebelse jeugd, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 304 blz., prijs 22,95 euro.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s