Skip to content

Het Constructieve Anarchisme Van Rudolf Rocker

21/06/2015

Kop.Rocker.Lezen

Rudolf Rocker (1873-1958) staat bekend als theoreticus van het anarchosyndicalisme. Dat niet alleen. Hij heeft zich ook in de praktijk voor de arbeidersbeweging ingezet, hetgeen mede blijkt uit de recent in het Nederlands vertaalde herinneringen Onder Joodse arbeiders (besproken op deze site). Toch was voor Rudolf Rocker het anarchosyndicalisme geen nieuwe heilsleer. Hij was steeds op zoek naar nieuwe wegen en trachtte het anarchisme aan de veranderde omstandigheden van de tijd aan te passen.

Dit is een ander geluid dan men regelmatig hoort – en het is hier onlangs nog aan de orde geweest in de discussie tussen Mimmo Pucciarelli en Nico Berti, dit naar aanleiding van het boek Hier is geen anarchie te koop. Dat de veranderde tijd een aanpassing van het anarchisme met zich brengt, valt ook bij Emma Goldman te beluisteren, zo zullen we vernemen. Wat over dit alles vanuit de optiek van Rudolf Rocker is op te maken, lezen we hieronder van de Belgische auteur Johny Lenaerts. Hij demonstreert hoe Rocker, onder handhaving van anarchistische ‘constanten’ het anarchisme trachtte te actualiseren in zijn tijd. Daarbij kunnen wij vooral leren van zijn manier van denken – weer overlet de vraag of een actualisering van toen nog van toepassing kan zijn in het heden. [ThH]

rudolf-rockerRudolf-Rocker

Novemberrevolutie

Op 9 november 1918, bij het einde van de Eerste Wereldoorlog, werd in Duitsland keizer Wilhelm II afgezet. Dit vormde het begin van wat de geschiedenis in zou gaan als de Spartacusopstand. Het linksradicalisme kende een stormachtige opleving. In de vorm van het anarchosyndicalisme participeerde ook het anarchisme daaraan. Op het einde van 1921 kende de anarchosyndicalistische Freie Arbeiter Union Deutschlands (FAUD) zijn hoogtepunt met ongeveer 150.000 leden. Gedragen door een algemene revolutiegeest speelde het anarchosyndicalisme in die jaren een niet onbeduidende rol in de Duitse arbeidersbeweging. Rudolf Rocker was één van haar vooraanstaande leden.

Vanaf het midden van de jaren 1920 zette er zich een kentering in. De consolidering van het kapitalisme veroorzaakte een algemene terugval van de revolutionaire beweging. De FAUD verviel tot een onooglijke sekte. Ze speelde enkel nog een rol als kleine maar actieve cultuursocialistische ‘minderheidsorganisatie’. In 1932, kort voor de machtsovername door Hitler in januari 1933, was het ledental van de FAUD teruggevallen tot 4.307. Ook in verhouding tot andere nietpartijgebonden linkse organisaties was dit zeer weinig. Maar desalniettemin zouden de anarchosyndicalisten een vooraanstaande rol in het antinazistisch verzet spelen. Met als resultaat hun vervolging en uitroeiing.

Maar, zoals gezegd, had de neergang van het Duitse anarchosyndicalisme al veel eerder ingezet. Het anarchosyndicalisme mislukte als sociaalrevolutionaire beweging omdat haar opvattingen niet meer aangepast waren aan de ontwikkelingen die het kapitalisme in de loop van de jaren 1920 doorgevoerd had. Vooraanstaande anarchisten hadden dit voelen aankomen.

De vereisten van de nieuwe tijd

‘Volgens mij is onze oude, vooroorlogse anarchistische literatuur niet langer in staat een antwoord te bieden aan de vereisten van onze tijd,’ zo schreef de Amerikaanse anarchiste Emma Goldman in een open brief aan de anarchistische beweging in het begin van de jaren 1930. ‘Volstaat het om mensen die voor onze ideeën interesse betonen naar onze oude literatuur te verwijzen? Ik meen van niet.’

Het anarchisme, zo stelde Emma Goldman, zou moeten aangepast worden aan de recente maatschappelijke ontwikkelingen. ‘Is het niet nodig,’ zo vroeg ze zich af, ‘de oude opvatting van de sociale revolutie dringend te herzien? Met andere woorden: heeft men tot nog toe het destructieve aspect van de revolutie niet te zeer op de voorgrond geplaatst, ten koste van haar constructieve betekenis? Is het bijgevolg niet dringend nodig een duidelijker voorstelling over het karakter van de sociale revolutie te creëren en een beter evenwicht tussen haar constructief en haar destructief aspect te herstellen?’

Het was een problematiek die de Duitse anarchist Rudolf Rocker in een serie artikelen zou uitwerken (1). Hij vertrok vanuit de vaststelling dat vele anarchisten het haast verleerd hadden om standpunten in te nemen ten opzichte van de meest actuele problemen van het dagelijks leven. In de strijd tegen het reformisme hadden vele anarchisten er een gewoonte van gemaakt in elke politieke, sociale of economische hervorming een gevaar voor het einddoel van de beweging te zien. Dit was volgens Rudolf Rocker een gevaarlijk standpunt dat voortsproot uit een totaal verkeerde voorstelling, die niets met het anarchisme te maken had. Rudolf Rocker: ‘Uiteraard zijn we uitgesproken tegenstanders van die stromingen in de arbeidersbeweging die van oordeel zijn dat we door voortgezette verbeteringen op alle vlakken langzaam in de maatschappij van de toekomst zouden ingroeien. Deze opvatting, tot systeem verheven, noemen we reformisme. Hoe dieper dit wondergeloof in de arbeidersklasse wortel schoot, des te sneller is de arbeidersbeweging in de huidige staat ingegroeid en werd het er een noodzakelijk aanhangsel van.’

RR.Band1

Dit verderfelijk ‘wondergeloof’ bestrijden, dat betekent volgens Rudolf Rocker evenwel nog lang niet dat de anarchisten een principiële vijand van elke verbetering in de schoot van de huidige maatschappij zouden moeten zijn: ‘Elke verbetering die het gevoelen van menselijke waardigheid verdiept, die het gevoelen van solidariteit versterkt of die de materiële omstandigheden verbetert, ook al is dit maar tijdelijk, is ook voor ons, anarchisten, iets dat we niet aan de kant mogen schuiven.’ Anarchisten kunnen zich volgens Rudolf Rocker niet de luxe veroorloven onverschillig te blijven voor de praktische kant van het leven. Ook anarchisten willen arbeidsduurvermindering, willen betere arbeidsvoorwaarden en willen dat ook in het bedrijf de menselijke waardigheid gerespecteerd wordt.

Niet van vandaag op morgen

Anarchisten zijn er zich maar al te goed van bewust dat de staat in al zijn verschillende vormen steeds de verdediger van de privileges en van de maatschappelijke onrechtvaardigheid is, en dat dit een essentieel kenmerk van hem is. ‘Maar we zijn er ons ook van bewust,’ zo stelt Rudolf Rocker, ‘dat een staat nooit vrijwillig een volk bepaalde rechten en vrijheden zal toekennen, maar dat hij steeds door middel van massabewegingen van het volk en dikwijls door een reeks revoluties daartoe moet gedwongen worden. Niet omdat de regeringen deze rechten genegen waren, maar doordat ze door externe druk van revolterende volkeren voor voldongen feiten gesteld werden, was men er toe gedwongen deze vrijheden in te willigen. Maar wanneer zelfs deze rechten in de zogenaamde grondwet verankerd en door de wetten van de staat gegarandeerd worden, dan betekent dat nog lang niet dat hen een langdurig leven beschoren is.’

‘Wanneer,’ zo vervolgt Rudolf Rocker, ‘we de regeringen zonder ons te verzetten zouden toestaan alle moeizaam bedongen rechten en vrijheden met een eenvoudige pennetrek ongedaan te maken, dan betekent dit dat we de verworvenheden van de revoluties uit het verleden strijdloos prijsgeven, en dat staat haaks op elk revolutionair principe. Precies omdat we momenteel begrijpen dat de mensheid niet van vandaag op morgen een toestand van volkomen vrijheid en sociale rechtvaardigheid zal bereiken, is het des te noodzakelijker elke positie die in het verleden door middel van harde strijd veroverd werd, met de grootste hardnekkigheid te verdedigen en ze niet op een onverschillige manier prijs te geven, omdat ze ons met het oog op het grote einddoel van weinig betekenis lijkt. Ook de kleinste vooruitgang op de met doornen bezaaide weg naar een vrije mensheid is van belang en zou niet aan wereldvreemde doctrines opgeofferd mogen worden.’

Hetzelfde zou men kunnen zeggen over de economische en de maatschappelijke verworvenheden die de arbeiders door middel van harde strijd afgedwongen hebben en die er niet weinig toe bijgedragen hebben dat hun rechtvaardigheids- en hun solidariteitsgevoel versterkt en verdiept werd. Rudolf Rocker waarschuwt evenwel voor een al te gemakkelijke conclusie: ‘Hun dagelijkse strijd simpelweg afdoen met de opmerking dat er daardoor niets fundamenteels aan het loonsysteem veranderd wordt, betekent dat men het diepere wezen van de sociale beweging totaal niet begrijpt en het mag ons niet verwonderen wanneer dergelijke opvattingen de slachtoffers van het huidig systeem direct voor het hoofd stoten en ons niet bepaald sympathie opleveren. Neen, ook wij, anarchisten, zijn geen tegenstander van verbeteringen in de schoot van de huidige maatschappij, enkel onderscheiden we ons in de methode om de noodzakelijke hervormingen door te voeren. Wij geloven niet dat dit louter via de weg van de wetgeving kan gebeuren, maar enkel met behulp van directe acties en desbetreffende volksbewegingen.’ Precies op dit gebied waarin het gaat om de verdediging van oude verworvenheden die door de reactie bedreigd worden, zou volgens Rudolf Rocker een offensief en defensief verbond van groot belang zijn, ook met andere stromingen, en zelfs wanneer deze maar gedeeltelijk met de opvattingen van de anarchisten akkoord gaan.

‘We mogen van de revolutie niet méér verwachten dan dat ze ons geven kan,’ zo stelt Rudolf Rocker. ‘We dienen… in te zien dat het anarchisme niet plotseling in een perfecte toestand te voorschijn zal treden, maar pas door middel van allerlei praktische pogingen en door een geleidelijke ontwikkeling zijn relatieve volkomenheid zal bereiken. Daarom is elke stap op de weg naar de vrijheid welkom en van belang. Enkel de grootst mogelijke geestelijke bewustwording in de richting van vrijheid en solidariteit zal het karakter van de komende revolutie bepalen.’

Nationalisme.Cultuur

Tegenover het ‘wondergeloof’ aan de almacht van de revolutie, dat volgens Rudolf Rocker net als elk ander wondergeloof voortspruit uit een autoritaire instelling, stelt hij klaar en duidelijk: ‘Wij zouden nu reeds, in de schoot van de oude maatschappij, dié elementen moeten proberen te ontwikkelen die voor de opbouw en de vernieuwing van de maatschappij noodzakelijk zijn.’ En hij vervolgt: ‘De revolutie is in zeker opzicht enkel de geboorte die de nieuwe ideeën, hoop en streven de mogelijkheid verlenen de huls van het oude organisme te doen springen en zich in zelfstandige handelingen te verwerkelijken.’

Wij zouden, zo stelt Rudolf Rocker, ervoor moeten zorgen dat de nieuwe toestand zich in de richting van vrijheid en sociale gerechtigheid beweegt. We zouden moeten inzien, zo besluit hij, dat er vele progressieve mensen zijn die weliswaar niet al onze opvattingen delen maar waarmee we wel in specifieke gevallen kunnen – en zouden moeten – samenwerken.

Nieuwe actievormen

Kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog voerde Rudolf Rocker vanuit zijn ballingsoord in de Verenigde Staten een intense correspondentie met zijn anarchistische vrienden in Duitsland. Deze vroegen zich af hoe ze de anarchistische beweging opnieuw moesten uitbouwen en welke rol het anarchosyndicalisme hierin kon spelen. Rudolf Rocker schreef er een brochure over die vanaf het midden van 1947 in Duitsland verspreid werd (2).

Hoe was de algemene toestand in Duitsland in die tijd? Het einde van de nazidictatuur en van de Tweede Wereldoorlog had tevens de ondergang van de natiestaat ingeluid, maar ook de bezetting van het Duitse grondgebied door de vier grootmachten (Verenigde Staten, Sovjet-Unie, Engeland, Frankrijk) en de spoedige tweedeling van het land en daarmee van de wereld. In die eerste jaren na het einde van de oorlog was er een grote roep naar democratisering en trachtte men zich van het nazisme te demarceren. De programma’s van de nieuwe partijen, vakbonden en andere sociale verenigingen berustten meestal op antifascistische en democratische opvattingen. Dit was consensus in alle bezette zones.

De ervaringen die de Duitsers met de Weimarrepubliek, met het derde rijk, met de twee wereldoorlogen opgedaan hadden, had hen in overweldigende meerderheid gedesillusioneerd. Ze waren apathisch en wantrouwden elke politieke activiteit. De strijd om het overleven domineerde. Men trok zich in zijn privéleven terug. Vele linksen waren ook wanhopig omwille van de rigoreuze beperkingen die de bezettingsmachten aan linkse politieke activiteiten oplegden. De anarchisten streden voor hun overleven.

Volgens Rudolf Rocker moest voor de Duitse anarchosyndicalisten na het einde van de nazidictatuur de kwestie van de organisatie op een nieuwe manier gesteld worden (3): ‘De laatste sporen van de oude FAUD zijn uitgewist… aan een heropleving van onze oude beweging in hun toenmalige vorm onder de huidige omstandigheden kan nauwelijks gedacht worden… omdat alle voorwaarden daartoe ontbreken.’

Degen

Reeds de FAUD had volgens Rudolf Rocker haar eigenlijke syndicale functie nooit echt kunnen uitoefenen. De FAUD was ook ‘in haar beste periode’ niet tot ‘grote zelfstandige acties’ in staat geweest. Het meest waardevolle, het meest constructieve van haar werk had erin bestaan ‘de geestelijke erfenis van het libertaire socialisme bewaard en vergroot te hebben’. Haar ‘mondeling vormingswerk’ had veel ‘aan de verspreiding van libertaire ideeën’ bijgedragen. Ook nu komt het erop aan libertaire ideeën uit te dragen. Daartoe zouden de anarchosyndicalisten zich in een ‘bond van libertaire federalisten’ of ‘bond van federalisten’ moeten aaneensluiten. Deze organisatie zou er niet louter toe dienen ‘onze verspreide krachten te bundelen, maar ook om bepaalde taken uit te voeren die zonder zulke groepering niet kunnen uitgevoerd worden’: bijvoorbeeld de productie van libertaire literatuur en de uitgave van een ‘orgaan waarin we onze ideeën, voorstellen en suggesties ongestoord kunnen uitdrukken…’

Met grote nadruk pleitte Rudolf Rocker voor de autonomie van de eigen organisatie bij een gelijktijdige samenwerking met ‘andere’ organisaties. ‘Samenwerking en samensmelting met politieke partijen, die heel andere doeleinden nastreven,’ verwierp hij categoriek. Samenwerking kon enkel bestaan zonder ‘fundamentele ideeën op te geven’.

Tegenover de desolate geestelijke toestand van het Duitse volk na twaalf jaar nazidictatuur stond het voor Rudolf Rocker vast ‘dat juist nu in Duitsland een zelfstandige libertaire beweging meer dan ooit nodig is’. Maar zo’n beweging zou slechts ‘succes’ kunnen hebben wanneer ‘wij… ons op vele terreinen omscholen en onze activiteit aan de nieuwe toestand aanpassen’ en ‘nieuwe actievormen’ ontwikkelen.

Vakbondswerk

Tegenover voormalige anarchisten die zich in het zogenaamde ‘Uur Nul’ bij de socialistische of communistische partij aangesloten hadden, zogezegd om aan de wederopbouw bij te dragen en niet aan de kant te blijven staan, bleef Rudolf Rocker trouw aan de anarchistische traditie, die lidmaatschap van politieke partijen en deelname aan het parlement afwijst.

Veel positiever stelde hij zich op tegenover de vakbonden. Daarin zag hij een beweging die in het ‘principe van zelfhulp’ verankerd was. In tegenstelling tot de oude van vóór 1933, zou de huidige vakbeweging voor ‘totaal nieuwe opgaven’ staan. Hierin lag voor Rudolf Rocker de grote kans van de vroegere FAUD-leden: net als alle andere maatschappelijke groeperingen moesten ook de vakbonden ‘weer opnieuw beginnen… en daarom stonden ze meer open voor nieuwe ideeën’. Het was ook een voordeel dat de oude topfiguren ofwel niet meer leefden ofwel te oud waren. Rudolf Rocker richtte zijn hoop op de nieuwe generatie die ‘waarschijnlijk… uit de bittere ervaringen van het recente verleden iets zal geleerd hebben’ en die niet alles zou verwachten van ‘zuivere loonstrijd’. ‘Des te meer zullen daarom de nieuwe vakbonden zich met het probleem van de wederopbouw moeten bezighouden, waar ze als organisatie van de producenten ook logisch toe geroepen zijn.’ Op dit punt zag Rudolf Rocker een taak weggelegd voor de anarchosyndicalisten. Ze werden door de ‘verhoudingen bevoordeeld’ om hun ideeën in de vakbonden binnen te brengen: ‘Precies de constructieve gedachte over het economisch belang van de vakbonden als organen voor het beheer van de maatschappelijke productie… kan… hier de beste diensten leveren, wanneer ze doelmatig en in overeenstemming met de nieuwe verhoudingen ontwikkeld wordt.’

Anar.Rocker

Rudolf Rocker sprak zich in verband hiermee ook uit voor de ‘oprichting van arbeidersraden van de verschillende industrie- en productietakken’. Maar hij wilde geen valse verwachtingen over de mogelijkheden van het vakbondswerk oproepen: ‘Zelfs de meest revolutionaire vakbondsbeweging kan zich niet aan de economische en maatschappelijke omstandigheden van de huidige wereld onttrekken. Hun revolutionaire betekenis ligt in hun doelstellingen, maar in de praktische strijd voor het dagelijks brood of voor de verdediging van de humane rechten van de arbeiders is ook zij verplicht zich aan de bestaande verhoudingen aan te passen…’

Coöperatieven

Het was dus vanzelfsprekend dat Rudolf Rocker de Duitse anarchosyndicalisten aanraadde in de vakbonden actief te worden. Maar een nog groter actieterrein zag hij in de coöperatieven – hierin gesteund door historische en eigen ervaringen. In verband met de sociale en economische herstructurering van de maatschappij waren voor Rudolf Rocker de coöperatieven van centraal belang. De liberaire socialisten zouden in de ‘toekomst veel meer aandacht aan hen moeten schenken dan dat ze tot nu toe gedaan’ hadden. Deze waren voor hem zo belangrijk omdat ze verankerd waren in brede lagen van de bevolking en ze zich bekommerden om de ‘bescherming van de verbruikers’ en zich baseerden op het ‘principe van de zelfhulp’.

Omdat de coöperatieve beweging voortsproot ‘uit de praktische behoeften van het maatschappelijk leven’, viel deze beweging in verregaande mate samen met het anarchosyndicalisme. Overigens hadden de coöperatieven ‘vele ervaringen en veel praktische kennis en administratieve vaardigheden op het gebied van de verbruikseconomie verworven’; dat zou de anarchosyndicalisten ‘bij de wederopbouw van onschatbare waarde kunnen zijn’: ‘Hoe meer geschoolde krachten ons ten dienste staan, des te betere arbeid wij zullen afleveren, des te gemakkelijker zullen we in staat zijn fouten te vermijden en duurzame fundamenten voor de toekomst te creëren.’

Rudolf Rocker verzette zich tegen het misprijzen dat er in anarchistische middens over coöperatieven heerste omdat ze zich aan de ‘kapitalistische omgeving’ zouden aanpassen. Volgens Rudolf Rocker hield dit argument geen steek. Want zou men niet precies hetzelfde kunnen zeggen over elke andere sociale beweging – óók over het syndicalisme? In plaats van zich in de kapitalistiche omgeving te integreren, streven volgens Rudolf Rocker de coöperatieven juist naar de ‘de uitschakeling van elke winsteconomie en naar een herstructurerng van het maatschappelijk leven op basis van een rechtvaardige verdeling van het arbeidsproduct’. Daarom zouden de ‘kameraden’ in de coöperatieven actief moeten worden. En niet ‘hun krachten in de vorming van oude partijen nutteloos verspillen’.

Gemeentesocialisme

Rudolf Rocker meende dat na 1945 het ‘hele maatschappelijk beheer’ van Duitsland ‘haast uitsluitend in de handen van de gemeenten’ berustte. Daarom werden er aan de gemeenten ‘taken gesteld’ die anders enkel voor de centralistische staat voorbehouden bleven. En dit betekende voor Rudolf Rocker het uur van het ‘gemeentesocialisme’ (Gemeindesozialismus).

‘De hele opbouw van het land,’ zo schreef hij, ‘hangt momenteel in essentie van de gemeenten af.’ Deze nieuwe situatie zou voor Duitsland en voor heel Europa ‘van het grootste belang’ zijn. Wanneer de burgers dit zouden inzien, dan kon een ‘herstructurering van hun maatschappelijk leven op een totaal andere basis’ mogelijk worden. Om deze ‘herstructurering’ evenwel door te voeren, was Rudolf Rocker van mening dat de anarchosyndicalisten ten volle moesten deelnemen aan het ‘administratieve werk van de gemeenten’. Want daarmee zouden ze de opvattingen van het ‘libertaire en federalistische socialisme in de praktijk kunnen verwerkelijken’.

Rudolf Rocker miskende evenwel niet de bestaande autoritaire staatsstructuren van de gemeenten. Maar hij zag geen alternatief voor het gemeentewerk, omdat de ‘heropbouw van het land volkomen van de gemeenten’ zal afhangen. Gemeentearbeid als activiteit voor het libertaire socialisme: ‘Wanneer het socialisme überhaupt zou kunnen doorgevoerd worden, dan kan dit enkel van onderaf gebeuren door middel van een federatie van vrije gemeenten… die de basis voor een nieuwe sociale orde leggen… die in de vrijheid van de mensen, in de solidaire activiteit van wederzijdse hulp en in een sociale gerechtigheid voor allen hun uitdrukking vinden.’

Zur Betrachting

Rudolf Rocker was ervan overtuigd dat in zo’n gemeentelijk socialisme het machtsmisbruik door minderheden zou kunnen uitgeschakeld worden. Ook aan de ‘machtspolitiek’ zou door de transparantie van de gemeentepolitiek een einde kunnen gemaakt worden. Het gemeentelijk socialisme zou dat ‘dode mechanisme van de centrale organisatie door middel van de associatie’ overwinnen. Door deze ‘federalistische verbondenheid van de gemeenten’ zou er een vruchtbaar proces van wederkerigheid door de uitwisseling van praktische ervaringen op gang komen.

Tegenover de ‘saaie uniformiteit’ van de ‘kunstmatig bedachte sociale systemen’ plaatste Rudolf Rocker het ‘praktische en creatieve handelen’ van de individuen. ‘Een socialisme van gefedereerde gemeenten zal niet overal dezelfde vorm aannemen, maar in elke gemeenschap trachten te berreiken wat onder de heersende omstandigheden mogelijk is en het beste beantwoordt aan de wensen en de behoeften van de bewoners.’

De federaties van de ‘door de socialistische geest doordrongen gemeenten’ zouden voor Rudolf Rocker de basis van een Europese federatie vormen. Zijn concrete utopie bestond uit een ‘…federaal Duitsland… als basis voor een federatie van Europese volkeren en zelfs van een wereldfederatie, in wiens kader het eigen leven van elke mensengroep en dezelfde rechten en dezelfde belangen zouden gegarandeerd worden.’

Als voorwaarde voor elk praktisch-politiek werk van de libertaire socialisten in het naoorlogse Duitsland zag Rudolf Rocker het opgeven van elke ‘verstarde voorstelling’ en het afzweren van elk dogmatisme: ‘Wanneer we hen een absoluut karakter verlenen, ontwikkelen de waarheden van gisteren zich steeds tot de leugens van vandaag.’

Rudolf Rocker verwierp in zijn brochure elke vorm van maatschappelijke ‘totaaloplossing’; want dit zou uniformisering betekenen, hetgeen haaks staat op het libertaire denken en handelen. Uiteindelijk zou het reactionair zijn: ‘De reactie vangt steeds daar aan waar men het leven onder een bepaalde noemer wil onderbrengen.’

De brochure van Rudolf Rocker riep in Duitsland heftige discussies op. Men twijfelde eraan of de Duitse gemeente- en stadsraden onder de bezettingsmachten wel zo onafhankelijk waren als Rudolf Rocker beweerde. Sommigen vonden de deelname aan gemeenteraadsverkiezingen ‘reactionair’. Anderen dan weer twijfelden aan het werken binnen de vakbonden: zouden de anarchisten niet binnen de kortste keren eruit gesmeten worden? Maar velen stemden ook met Rudolf Rocker in. Zijn brochure hielp komaf te maken met eenzijdig destructieve opvattingen die nog bij vele libertaire socialisten voorkwamen. Men zocht naar een evenwicht tussen het constructieve en het destructieve aspect van het anarchisme. Het had geen zin meer zich in de marge op te stellen en overschillig te blijven voor de weg die de maatschappij insloeg. Vooral niet in een tijd waarin de reactie weer aan invloed won.

Zou het kunnen dat Rudolf Rocker de opvattingen van Murray Bookchin over libertair municipalisme beïnvloed heeft? In elk geval is er een grote congruentie.

Johny Lenaerts

Noten:

  • Rudolf Rocker, Aufsatzsammlung, Band 1, 1919-1933, Frankfurt: Verlag Freie Gesellschaft, 1980;
  • Rudolf Rocker, Zur Betrachtung der Lage in Deutschland. Die Möglichkeiten einer freiheitlichen Bewegung. Vorwort Helmut Rüdiger, New York, Londen, Stockholm, 1947. Heruitgave onder de titel: Die Möglichkeit einer anarchistischen und syndikalistischen Bewegung. Eine Einschätzung der Lage in Deutschland, Frankfurt/M, 1978;
  • We volgen hier Hans Jürgen Degen, Anarchismus in Deutschland 1945-1960, Ulm: Verlag Klemm & Oelschläger, 2002.

Aanvulling

Naar aanleiding van de verwijzing door Johny Lenaerts naar Murray Bookchin, zie bijvoorbeeld zijn ‘Thought on Libertarian Municipalism’ opgenomen op de site Eagainst.com.

Uitgebreider is het uitgewerkt onder de titel ‘Libertarian Municipalism’ (1998) op de site van Janet Biehl met wie Bookchin intens samenwerkte; zie de site Biehl on Bookchin.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s