Skip to content

Werken Met Natuur: Catastrofisme, Biodiversiteit, Milieurechtvaardigheid

05/07/2015

Groene ogen

Het verdedigen van de natuur tegen alle vernieling ervan, is een activiteit die velen bezighoudt. Het zijn niet alleen anarchisten die daarbij strijd tegen de destructieve krachten leveren. Zo betreft het een zeer uiteenlopend gezelschap, van radicale activisten tot wetenschappers die zich richten op ‘zones à défendre’ (ZAD; zones om te verdedigen). 

De destructie is niet van de laatste jaren. Op grote schaal heeft die aangevangen vanaf de industriële revolutie, met als turbo het kapitalistische economisch stelsel. De cumulerende, schadelijke milieueffecten manifesteren zich nu meer en meer.

Waar vinden we de aanzet tot veel van die ellende? Wie de bijbel erop naleest, leert dat mensen de opdracht krijgen zich te vermenigvuldigen en de aarde aan zich te onderwerpen (Genesis 1: 28). Daar liggen – theologische gezien – de wortels van de ecologische crisis. Het verband tussen religie en kapitalisme is ook duidelijk. Voor het verwerven van inzicht daarin kan men bijvoorbeeld denken aan een van de bekende teksten van de vermaarde Duitse socioloog, econoom en jurist Max Weber (1864-1920).

Wie dit alles overziet, gaat nadenken over hoe het nu verder moet. De Franse politiek filosofe Catherine Larrère en de landbouwkundig ingenieur Raphaël Larrère doen dat al tientallen jaren. Onlangs nog kwam van hen het boek uit getiteld Denken en handelen met de natuur. ‘Met de natuur’ omdat veel van het handelen is, al vanaf de joods-christelijke opdracht, handelen tegen de natuur: ze moet worden onderworpen, toch?

Voorkant.Larrère

Opzet van het boek

De natuur is een verschijnsel dat vaak in tegenstelling wordt gebracht met cultuur, zoals ook in het dualisme natuurlijk versus kunstmatig of mens versus natuur. Maar waar hebben we het over als de term natuur valt? De auteurs gaan hier uitgebreid op in. Hun boek hebben zij in drie delen opgebouwd.

In het eerste deel wordt het verschijnsel ‘de natuur eerbiedigen’ behandeld. Wat betekent dat? De verwilderde natuur beschermen tegen menselijke activiteiten? Zij wijzen erop dat de natuur niet als authentiek moet worden begrepen, indien de mens zich er niet in bevindt. Zo is een aantal bestaande grote bossen in Frankrijk onderzocht, met bomen die al enkele eeuwen oud moeten zijn. Er verblijven geen mensen en die bossen hebben daardoor een authentiek uitstraling. Wat blijkt? Meer dan twee duizend jaar geleden moet daar bouwland zijn geweest. Toen die activiteit gestaakt werd is bebossing teruggekeerd. In die oude gebieden is een percentage fosfor vastgesteld, hoger dan de ‘natuurlijke’ waarde… Gebieden hebben een ‘geheugen’ in die zin, dat ze heel lang de merktekens dragen van menselijke activiteit.

De auteurs stellen voor, gelet op het voorgaande, de bescherming van de natuur op het vlak van de biodiversiteit te plaatsen. Dit moet ertoe leiden dat menselijke activiteiten gunstig zijn voor de natuur. Daarbij moet worden gelet op de bescherming van het evoluerende vermogen van ecologische processen. De bedoeling is daardoor erosie van de biodiversiteit te voorkomen. Een dergelijke zorg om biodiversiteit, betekent dit niet een nieuwe vorm van overheersing door de mens over de natuur? Wat zal hierbij de macht van de techniek zijn? Dit wordt in het tweede deel van het boek besproken.

Daar wordt uitgelegd dat het om denken en handelen met en dus niet tegen de natuur gaat. Twee paradigma’s worden gebruikt, fabrication (maken) en pilotage (beheren) om van daar uit verschillende soorten menselijk gedrag te beschrijven in relatie tot de natuurlijke en sociale omgeving. De paradigma’s vindt men terug op een continuüm tussen twee polen: natuurlijk en kunstmatig. Naarmate een technisch handelen meer natuurlijke processen respecteert, benadert het meer de natuur. Naarmate men meer de contexten in natuurlijke processen veronachtzaamt, richt men zich meer op het kunstmatige. Het is dus duidelijk dat waar biodiversiteit als norm wordt gebruikt, is aan te geven waar het goed en of fout gaat.

Hoe krijg je mensen de goede kant op? Hoewel deze vraag niet expliciet door de auteurs wordt gesteld, komt deze problematiek in het derde deel wel degelijk aan de orde. Dat gebeurt waar auteurs worden besproken, die hun denken in termen van ecologische crisis omzetten (of omgezet zien worden) in een ‘regime van de angst’. Dat culmineert dan tot de leer van het catastrofisme. Ook hier weer komen we een theologische invloed tegen (zeker bij een auteur als de Duitse filosoof Hans Jonas), waarbij te denken is aan de zondvloed en de ark van Noach. Het koppel Larrère wijst evenwel een andere kant op, die van de justice environnementale dat in het Nederlands vertaald wordt met milieurechtvaardigheid.

Reinders.4Een kordate omschrijving van dit juridisch concept trof ik aan bij de Belgische milieurechtsdeskundige Sara Pirens en haar collega’s: ‘Milieurechtvaardigheid of environmental justice is tot op heden vooral in de VS bekend. Het houdt in dat geen groep van mensen een onevenredig deel aan negatieve milieugevolgen mag dragen en dat bewoners van verontreinigde gebieden voldoende inspraak moeten krijgen in het beleid met betrekking tot deze verontreiniging.’

Uit deze opzet van het boek mag blijken dat het om een intensieve behandeling van een aantal belangwekkende milieukwesties gaat. Wat ik nu zal doen is enkele thema’s eruit lichten om ze nader te bekijken. Die thema’s zullen zijn: natuur, catastrofisme, biodiversiteit en milieurechtvaardigheid.

Natuur

Zoals veel termen is ook de term natuur meerduidig. Een bos bloemen is dat natuur of cultuur? Hangt er van af. Juist. Iets dat geboren wordt is natuur, maar ook wat blijvend is en sterft. Natuur, het kan iets zijn dat van buitenaf komt, net zo goed als iets dat intern in een beginsel vastligt…Eigenlijk heeft natuur zijn bestaansreden vooral weten te behouden in het religieuze, zo betogen de auteurs als ze vanuit de moderniteit (de rede, rationaliteit) redeneren. In het licht daarvan is voor het idee natuur nog slechts plaats in een romantische, metafysische of religieuze visie.

Het is ook vanuit die hoek dat ‘natuurlijk’ als alibi wordt gebruikt voor het bestendigen van bestaande verhoudingen. Zeggen dat een bepaalde sociale verhouding ‘natuurlijk’ is (aan de ‘natuur’ ontleend), betreft een poging die verhouding als duurzaam, vastliggend, te rechtvaardigen. Langs de aangegeven route sluipen er allerlei naturalisaties het westerse denken binnen, met pretenties die vaak slechts behoudende, pétainistische en zelfs fascistische ambities verbergen, aldus de auteurs. Als het om bescherming van de natuur gaat of denken en handelen met de natuur, dan is het dus beter om het over biodiversiteit te hebben, menen zij. Daaraan zijn dan normstellende, empirische elementen te hechten. Maar hoe krijg je de mondiale goegemeente zo ver?

Catastrofisme

In allerlei alarmerende berichten is te lezen en te beluisteren: het is nog minder dan vijf minuten voor twaalf. Als ik zo iets lees, moet ik steevast denken aan de eerste psychologische western High Noon (1952), met Gary Cooper in de hoofdrol, van regisseur Fred Zinneman. Gary Cooper in de rol van sheriff is in afwachting van de komst van de trein van 12.00 uur. Die trein vervoert enkele schurken die het op hem gemunt hebben. In de film speelt de klok een grote rol: hij laat zien dat de tijd verstrijkt en het onvermijdelijke vuurgevecht er aan komt. De bewoners van het stadje zijn verlamd. Het ‘regime van de angst’ heerst. Sommige ecologisten speculeren ook op een dergelijke angst, maar dan voor de komende ecologische catastrofes, waarbij zij de beeldspraak van ‘vijf voor twaalf’ gebruiken…

De catastrofes worden door hen getransformeerd tot ‘regimes van de angst’. In dat kader plaatsen Catherine en Raphaël Larrère ook het geologisch concept van enkele wetenschappers, het Antropoceen. Het is de naam die gegeven is aan het bewustzijn van potentiële catastrofale effecten van de transformatie van de mensheid als geofysische macht. Op deze site is dit concept al eens vanuit de visie van de Franse filosoof Jean-Baptiste Fressoz bediscussieerd. De term is inmiddels door verschillende wetenschappers in gebruik genomen, onder wie de theoretici van de décroissance (ontgroeien), omdat er de suggestie vanuit gaat dat de (klimaats)verandering in een versnelling zit. Het concept antropoceen is in dat geval dus nauw verbonden met het catastrofisme.

Reinders.9

Het antropoceen veronderstelt, aldus Catherine en Raphaël Larrère, twee dragende elementen van het catastrofisme: (a) het is het resultaat van ongewilde consequenties (wij hebben het veroorzaakt, zonder het ons bewust te zijn) en (b) het bevindt zich op mondiaal niveau. Maar er is een nieuw element aan toegevoegd: (c) de mensheid wordt gepresenteerd als voorname geofysische kracht, in staat te achten de grote planetaire cycli te wijzingen.

Dit levert gedachteconstructies op waarbij de menselijke verantwoordelijkheid kan worden weggeschoven. Ongetwijfeld is de klimaatsverandering (mede) een product van menselijke activiteit, maar het is niet een intentioneel (gewild) resultaat, wordt dan gezegd. Wat er evenwel argumentatief plaatsvindt, is de naturalisatie van de mensheid in een biologische soort, waarmee men de menselijke verantwoordelijkheid kan laten verdwijnen. Maar zo zijn we niet getrouwd. Het antropoceen is niet een ‘tijdvak van mensen’, het is een ‘tijdvak van crisis’. Het gaat niet aan, zo citeert het koppel Larrère enkele critici, om de mensheid in de Natuurlijke historie te laten versmelten (‘natte his’ zeiden we vroeger op school), maar om de verantwoordelijkheid goed zichtbaar te maken van een zekere periode van de menselijke geschiedenis, te weten die van het kapitalisme.

Door over te stappen op dit laatste is het tegelijk mogelijk aan het catastrofisme te ontsnappen. De aandacht moet gericht worden op mogelijkheden van probleemoplossing op lokaal en op mondiaal vlak. Het koppel Larrère komt daarbij uitgebreid te spreken over biodiversiteit en milieurechtvaardigheid (inclusief het subthema verantwoordelijkheid).

Biodiversiteit

Midden jaren 1980 is er een activisme ontstaan van specialisten in de biologie, die zich op het behoud van soorten richtten. Dit heeft sterk bijgedragen aan aandacht voor biodiversiteit. De urgentie van het terugdringen van erosie is daardoor op de politieke agenda gekomen. De klassieke ecologie had zich natuurlijk al voordien gefixeerd op de evenwichten in de natuur, dat wil zeggen op de regulatiemechanismen, die het ecosystemen mogelijk maken om hun staat van evenwicht te herstellen als zich er een ongeval had voorgedaan, leggen Catherine en Raphaël Larrère uit.

Uitgaande van de klassieke ecologie hebben wetenschappers in deze sector een dynamisch concept ontwikkeld van natuurlijke processen, waarbij zij verstoringen – zowel natuurlijke als door de mens veroorzaakte – hebben opgenomen. Ook al heb je geen biologie gestudeerd, zoals ik, dan is te begrijpen dat naarmate het (onderzochte of beschreven) ecosysteem stabieler is, het vermogen om zich weer op te richten, te herstellen, groter zal zijn. De veerkracht is aanzienlijker.

Reinders.3

De erosie van de biodiversiteit is ondermeer te herkennen in het verdwijnen van soorten. Hoewel dat al heel lang bekend is, wordt door menselijk ingrijpen de erosie vergroot. Dit gebeurt vanaf alle kanten: systematische destructie van wat als schadelijk wordt geklasseerd (gebruiken van pesticiden), ontbossing (van tropische wouden), vervuiling door destructieve landbouw en industrie (megastallen als ‘innovatie’ gepropageerd door de agro-industrieel) . De biodiversiteit wordt evenzeer bedreigd door de standaardisatie van de techniek en de ‘McDonaldisatie’ van leefwijzen. Het is met het oog op het behoud dus niet vreemd biodiversiteit van een omgeving tot ‘erfgoed’ te benoemen. Daarbij wordt tevens verwezen naar het imperatief dat de Duitse filosoof Hans Jonas formuleerde: handel zo dat de effecten van het handelen verenigbaar zijn met het voortbestaan van echt menselijke leven op aarde.

Een van de consequenties van de benoeming van biodiversiteit tot erfgoed is, dat er acties vermeden worden die onomkeerbare effecten hebben. Het handelen zal gericht moeten zijn op het rekening houden met toekomstige generaties. Elke generatie dient zich te beschouwen als vruchtgebruiker van het goed dat wordt geërfd. Het verplicht tot het (om)vormen van equivalenten ten einde de levensvoorwaarden voor opvolgende generaties te garanderen.

Milieurechtvaardigheid

Binnen het kader van de mondiale discussie is biodiversiteit erkend als een intrinsieke waarde (preambule Verdrag van Rio, 1992). Wie een en ander onder de loep neemt, krijgt bevestigd wat hij of zij al weet: relaties tussen mensen / natuur zijn ongelijk in hun sociale, culturele, nationale, individuele of collectieve verscheidenheid. Evenwel dragen mensen niet allemaal gelijk bij aan de milieucrisis (de een vliegt meer dan de ander, bijvoorbeeld). Zij lijden ook niet allen op een zelfde manier onder die crisis. Dit levert vragen op met betrekking tot de rechtvaardigheid aangaande de verdeling van de geneugten en de kosten. Om deze op een eerlijke manier te spreiden heeft dat aanleiding gegeven om justice environnementale, milieurechtvaardigheid, tot mondiaal en lokaal thema te maken.

Het is in de jaren 1980 dat militante groepen bewoners in enkele delen van de staat Noord-Carolina (VS) in opstand komen tegen vervuilende ondernemingen in hun directe omgeving. Zij mobiliseren zich voor acties van burgerlijke ongehoorzaamheid tegen opslag van pcb’s, giftige stoffen en een bovenmatig gebruik van pesticiden in de landbouw in hun directe omgeving. Het gaat om vooral achtergestelde, arme, gekleurde bevolkingsgroepen getroffen door een hoog werkloosheidspercentage. Hun strijd gaat over het feit dat, hoewel zij niets merken van de geproduceerde rijkdom, wel de hele lading van milieuvervuiling over zich heen krijgen. De verdeling ervan zou rechtvaardiger moeten plaatsvinden. Het thema milieurechtvaardigheid is geboren. Zij vormen niet de enige groep. Enkele jaren later zullen in vijftig staten van de VS zulke getroffen groepen zich verenigen in de ‘First National People of Color Environmental Leadership Summit’ die in oktober 1991 bijeenkomt en ‘17 Principles of Environmental Justice’ aanneemt.

Het denken over rechtvaardigheid is al oud. Men kan er voor een paar duizend jaar in tijd teruggaan. Maar laten we het in anarchistische kring houden op Proudhon in zijn eerste grote werk uit 1840 (onlangs voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschenen): Wat is eigendom?. Deze tekst transporteert een intrinsieke antikapitalistische visie, die uiteraard in ‘respectabele’ discussies buiten beeld wordt gehouden. Wat we in zulke discussies wel als uitgangspunt tegenkomen om over rechtvaardigheid te denken, is de liberale visie van John Rawls, The Theory of Justice (1971). Het koppel Larrère ontkomt er dan ook niet aan zijn naam af en toe te laten vallen in hun studie.

Reinders.1

De opvatting van Rawls heb ik op deze site al eens besproken in relatie tot het onderwerp van de verdediging van (collectieve) ruimtelijkheid. Men vindt er de problematiek van de ‘zones om te verdedigen’ (ZAD) en distributieve rechtvaardigheid terug. De kern van de kritiek op de visie van Rawls, zoals ik die al elders verwoordde, is ook hier bruikbaar. Ze krijgt tevens een aanvulling met wat Catherine en Raphaël Larrère aanvoeren.

Een van de kernen van het betoog van Rawls is, dat het bestaan van ongelijkheid onder voorwaarde geen probleem is. De voorwaarde is dat de ongelijkheid resulteert in voordelen voor iedereen en in het bijzonder voor de minst bevoorrechte leden van de maatschappij. Dit heet het beginsel van compenserende ongelijkheden. Dit moet gestalte krijgen via een uitgewerkt stelsel van distributieve rechtvaardigheid.

De distributieve of wel verdelende rechtvaardigheid beschouw ik als een afleidingsmanoeuvre: de suggestie van het compenseren is dat de achterstand van de minderbedeelden zal worden ingelopen. Dat is naïef om te denken. Zij zullen in het kapitalistische stelsel altijd worden geconfronteerd met na-ijlen: de voordelen zullen altijd meer bij de machtigste spelers in het veld blijven (individuele rijken, rijke landen). Dat is ook onderkend, zo kan men bij het koppel Larrère opmaken: van verdelende is men, om meer effect te genereren, overgestapt op correctieve rechtvaardigheid.

De auteurs lopen de hele discussiecyclus na en het is niet vreemd dat men zo’n zes à zeven verschillende vormen van rechtvaardigheid tegenkomt. Want in feite gaat de discussie in mijn beleving steeds over het ontwijken van de effecten van milieurechtvaardigheid. De kern van die rechtvaardigheid ligt in het opheffen dan wel rechtvaardiger verdelen van de milieurisico’s, die nu vooral (lokaal en mondiaal) onevenredig zwaar door minderbegunstigde, arme, gekleurde, achtergestelde bevolkingsgroepen worden gedragen. En dat verandert maar niet. Daar komt nog een ander aspect bij.

De sociale rechtvaardigheid die vanuit de opvatting van Rawls is ontwikkeld, houdt zich bezig met de verdeling van milieuopbrengsten en kosten in de boezem van de politieke gemeenschap. In dat geval gaat het niet over verdelende maar participatieve rechtvaardigheid. De groepen mensen over wie het zojuist ging, krijgen evenwel alles opgelegd: alles gaat zonder hun in- of toestemming, zonder dat zij legale mogelijkheden hebben om zich te verzetten. Ondanks Rawls hebben de minderbedeelden disproportioneel te leiden onder milieuvervuiling geproduceerd door de maatschappij als geheel. De ecologische ongelijkheden komen overeen met de sociale ongelijkheden. Dat is in een afzonderlijk land zo, alsmede op internationaal niveau, concluderen Catharine en Raphaël Larrère.

Reinders.6Om de rechtvaardigheid te herstellen, moet via de correctieve rechtvaardigheid een aantal algemene regels worden toegepast in de bijzonderheid van het geval. Dit betekent, dat men wel alle elementen van die bijzonderheid moet kennen. Dat brengt weer mee het aannemen van het bestaan van een verleden (je moet voor het kennen van de verschillende elementen in de tijd teruggaan). Dit alles is nodig om de verantwoordelijkheid te achterhalen (hoe kon een bijzondere – namelijk die in ogenschouw wordt genomen – situatie ontstaan?).

Wel, bij Rawls is dat verleden verdwenen achter wat hij noemt ‘de sluier van onwetendheid’. Zijn verdelende rechtvaardigheid richt zich op de toekomst. In het heden komt evenwel de ongelijkheid voor, die door machtspolitiek (zoals legaal stelen; denk ook aan Proudhon) is ontstaan en in stand is en wordt gehouden. Die zelfde machtspolitiek zal er voor zorgen, dat het beginsel van de compenserende ongelijkheid, vertraagd verloopt. Het beloofde inhaalproces zal steeds achterlopen. Kortom, zonder radicale stelselwijziging zal er sprake zijn van een blijvend na-ijlen. Dat wisten we natuurlijk al, want zeiden we vroeger niet: ‘wie geboren is voor een dubbeltje zal nooit een kwartje worden’. Een en ander kan er anders uit zien waar de correctieve rechtvaardigheid wordt gehanteerd. Daarbij richt men zich immers op het verleden.

Echter, dit alles vormt niet het eind maar het begin van een discussie. Die zal mede uitlopen op de ontwikkeling van een veelvoud van ‘verantwoordelijkheden’. In het boek van de auteurs kwam ik wel geteld acht verschillende vormen ervan tegen. Verantwoordelijkheid is namelijk net zo’n open, meerduidige term als rechtvaardigheid. Zoals we bijvoorbeeld zagen wordt met correctieve rechtvaardigheid naar het verleden verwezen. Maar wat nu als vorige generaties onwetend waren omtrent de effecten als nu geconstateerd (klimaatverandering bijvoorbeeld). Bovendien kan je huidige generaties daar niet voor verantwoordelijk houden. Die moeten als onmachtig worden erkend: zij konden onmogelijk ingrijpen, toen, omdat ze nog niet bestonden… Zo schrijdt de discussie in omtrekkende bewegingen voort.

Catherine en Raphaël Larrère zijn daarover ontevreden: de voorgestelde verdelende schema’s als antwoord op de problemen van milieurechtvaardigheid zijn teleurstellend. Zij geven aan op welk punt deze vorm van rechtvaardigheid geen antwoord oplevert voor de gevoelde onrechtvaardigheid. Zij wijzen daarbij als voorbeeld op hetgeen in het werk van ‘The First National People of Color Environmental Leadership Summit’ is te vinden. Om te ontkomen aan de (juridische, economische) blokkades moet men binnen de milieurechtvaardigheid ophouden te werken met uitsluitend een economische visie. Economische modellen zijn namelijk onvoldoende, menen zij. Er is een culturele visie nodig op ecologische ongelijkheid. Het zal mede een vingerwijzing zijn voor een nieuw boek van hen? Voorlopig hebben zij met het onderhavige boek een rijke tekst afgeleverd, maar wel een voor gevorderde lezers in deze materie.

Thom Holterman

LARRÉRE, Catherine en Raphaël Larrère, Penser et agir avec la nature, Une enquête philosophique, Éditions La Découverte, Paris, 2015, 333 blz., prijs 23 euro

[Beeldmateriaal van beeldend kunstenares Anna Reinders, overgenomen uit het boekje van haar twee jaar oudere broer Alexander S. Reinders, Leven met recht, Relax met recht en reden, Uitgave van Juridische Opleidingen OSR, Utrecht, 2000.]

Aantekeningen

[ 1 ] Iemand die in Nederland zich diepgaand met het thema milieurechtvaardigheid bezighoudt, is Hanneke Kruize; zie haar proefschrift On environmental equity: Exploring the distribution of environmental quality among socio-economic categories in the Netherlands (2007).

[ 2 ] Een kort, goed leesbaar artikel over milieurechtvaardigheid in relatie tot collectieve milieuschade is van de hand van Geert Lambrechts. Hij bekijkt de problematiek vanuit de Belgische situatie, die vanwege Europees en verdragsrechtelijke uitgangspunten, niet principieel verschilt met die van de Nederlandse. Klik HIER.

[ 3 ] Sara Pirens is hierboven voor een omschrijving van het concept milieurechtvaardigheid geciteerd uit een gevalstudie over dat onderwerp in het Vlaams Gewest, waarbij de resultaten getoetst zijn aan het bestaande Vlaamse juridische kader; de studie draagt de titel De relevantie van milieurechtvaardigheid of environmental justice voor het juridische kader in het Vlaams Gewest. Toetsing aan de hand van een eerste praktijkstudie (2006).

Advertenties
2 reacties leave one →
  1. 05/07/2015 10:18

    Dat Europese ‘oerbossen’ bijna nooit oerbossen zijn is bij veel paleontologen al heel lang bekend. We kunnen stellen dat in Europa de oorspronkelijke vegetatie verdwenen is, op veel plaatsen al tijdens het Neolithicum. Percelen bos werden gekapt en/of gebrand waarna landbouw bedreven werd tot de grond weinig opleverde waarna een ander perceel werd gekapt en/of gebrand. Op verlaten percelen keerde het bos wel weer terug maar de bodem was definitief veranderd en niet alle soorten die daar oorspronkelijk groeiden maakten deel uit van het nieuwe bos.
    Van een Engelse collega hoorde ik van een klein onderzoek dat hij op verzoek van English Heritage gedaan had. Die collega is paleomalacoloog, iemand die met behulp van fossiele weekdierfauna’s (slakken en schelpen) ouderdom van aardlagen en de miljeu-omstandigheden waaronder die zijn afgezet zijn, bepaalt. Er was gevraagd te onderzoeken of een bepaald door EH als ‘oerbos’ aangewezen bos inderdaad een ‘oerbos’ was of ‘slechts’ een ecologisch waardevol bos. In de boring die hij ergens in dit bos uitvoerde analyseerde hij de opeenvolgende fossiele fauna’s die hij in de boormonsters aantrof. Aan de top en aan de basis gaven de fauna’s gesloten bosvegetatie aan. Maar in twee niet elkaar opvolgende monsters daartussen waren de bossoorten vervangen door soorten die schaduw mijden en op open terrein leven. Daaronder bevond zich ook een soort die typerend is voor hakhout zoals dat vlak na de kap opschiet.
    Tot twee keer toe was op deze plek het bos dus gekapt en na enige tijd weer teruggekeerd. De kapfasen konden met C14 in de tijd worden geplaatst en komen met het Neolithicum overeen.
    Dus een schijnbaar heel oud bos wat we geneigd zijn als oerbos te beschouwen is in werkelijkheid twee keer in het verleden gekapt.
    Dit is dus in heel Europa het geval. In veel gevallen keert het bos nooit weer terug omdat de klimaatomstandigheden, de grondwaterspiegel, de bodemchemie etc. inmiddels gewijzigd waren en niet meer geschikt voor opslag van een bos. Op plekken waar dat wel kon had het bos een ander karakter dan voor de ingreep. Vaak soortenarmer en ook ‘vervuild’ met door de mens ingevoerde nieuwkomers, zgn exoten, zoals bij de planten de beuk en de hazelaar.
    Beukenbossen horen dus sowieso in NW Europa niet thuis: de beuk is daar ongeveer 2.2 miljoen jaar geleden uitgestorven. De beuken die we nu hebben zijn door de mens uit het Zwartezeegebied tijdens het Neolithicum meegenomen, waarschijnlijk voor de noten, net als de hazelaar. De hazelaar hoort hier wel maar verschijnt op een veel te vroeg moment als we vergelijken met voorafgaande interglacialen. Die vroege komst kan alleen aan de mens worden toegeschreven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s