Spring naar inhoud

Alexandre Jacob (1879-1954): Anarchist En Meester-Inbreker. Illegalisme Als Revolte

12/09/2015

CD-Jacob

Rond de eeuwwisseling van 1900 nam de criminaliteit in Frankrijk sterk toe. In dat Frankrijk heerste angst en een groot deel van de bevolking leed onder een ontstellende armoede. De zogeheten Belle Époque was dan ook slechts een bedrieglijke, schone schijn. Aldus typeert de Franse historicus Jean-Marc Delpech die periode. Aan de top van de Franse maatschappij leefde een arrogante en triomfantelijke bourgeoisie. Ergens daar beneden vertoefde in ellende de massa, die koest werd gehouden door een repressieve orde. Verroer je niet, armzalige! Of anders wacht het cachot, de gevangenis, of het schavot. Het recht op leven? Alexandre Marius Jacob (1879-1954) huldigde daarover de opvatting: je bedelt daar niet om, je neemt het, desnoods met behulp van een breekijzer. 

Over deze Alexandre Jacob schreef Jean-Marc Delpech een biografie die onlangs uitkwam. Jacob en zijn metgezellen bedrijven diefstal en inbraak op een industriële wijze; de plundering wordt politiek. De ‘Travailleurs de la nuit’ (De nachtarbeiders) zoals zij zich noemen, een soort maatschap met een individueel anarchistische signatuur, wordt in 1900 gesticht. De ondernemer in het sociale afbreken, Jacob dus, gaat evenwel zijn aanval op de eigendom duur betalen. In zijn biografie getiteld Alexandre Marius Jacob, Voleur et Anarchiste (Dief en anarchist) beschrijft Delpech de levenswandel en activiteiten (legaal en illegaal) van de rechtschapen inbreker Jacob.

Voorkant.Voleur

Levensloop

Jacob wordt geboren in Marseille (1879) en hij groeit daar op. De lagere school doorloopt hij zodanig dat hij een certificaat meekrijgt om te kunnen doorleren. Maar het verkeert anders. De haven van Marseille trekt en hij wordt op zijn elfde scheepsjongen op de ‘grote vaart’. Op zijn dertiende is hij aankomend roerganger; ‘s middags moet hij het dek zwabberen. Het jonge ventje trekt de aandacht van een vrouwelijke passagier die hem zo’n beetje ‘kidnapt’ (vertelt hij jaren later aan een andere biograaf). Zij gebruikt hem ten behoeve van haar seksuele genoegens. En de dames vertellen aan elkaar door dat er zo’n lekker joch rondloopt (hij zat daar overigens niet mee, vertelt hij). Zo verloopt een deel van zijn eerste jaren op zee. In de ‘eerste klas’ aan boord van het schip leert hij veel van de sociale verhoudingen in de wereld.

Op zijn zeventiende stopt hij met varen. Aan wal, in Marseille, wordt hij leerling typograaf. Hij gaat sociaal-radicale bijeenkomsten bezoeken, raakt geïnteresseerd in het anarchisme, wordt libertair activist. Zijn leven neemt een nieuwe wending. Hij ontmoet bekende anarchisten, leest hun brochures. Het anarchisme staat in die tijd vooral in het teken van ‘de daad’, wat in die periode wordt uitgelegd als het plegen van een geweldsdaad, om de massa wakker te schudden. Als een anarchistische kameraad wordt gesnapt, wordt ook Jacob opgepakt, verdacht van hulp bij vervaardigen van explosieven. Hij wordt veroordeeld tot een half jaar cel.

Dit alles speelt zich af in de periode die bekend is van zijn ‘worgwetten’ (tegen anarchisten gericht), van de guillotine, van het daadsanarchisme. Het is een anarchisme dat individueel in de praktijk is te brengen en dat mede zal uitlopen in wat het ‘illegalisme’ zal worden genoemd. Het is ook de periode dat in Frankrijk het zogeheten carnet B wordt ingesteld (1886), waarin de personen worden opgenomen die verdacht worden van het verstoren van de openbare orde. De opname erin leidt er ook toe dat de politie potentiële werkgevers waarschuwt, dat een betreffende sollicitant in de gevangenis heeft gezeten. Als Jacob na het uitzitten van zijn straf weer werk zoekt, zal hij dat niet vinden als effect van dit systeem. Nu sluit zich voor hem dus een vicieuze cirkel. Jacob is en blijft zonder werk, maar er moet wel worden gegeten en huur betaald…

Jacob is nog een van de mensen, zo schrijft Delpech, die menen dat alle anarchistische acties tot dan toe onvoldoende zijn geweest om de mensen wakker te schudden. Zo loopt bij hem de weg van een bepaalde vorm van het individueel anarchisme naar die van het illegalisme. In het oude havenkwartier van Marseille treft hij iemand die niet alleen revolutionaire discussies met hem heeft, maar hem ook inwijdt in het gebruik van een breekijzer. Hij komt in een groep mensen terecht die politiek gezien anarchistische activisten zijn, maar sociaal gezien behoren tot de gedeklasseerden (de deklasse). Zij worden gedwongen te leven van stelen, inbreken, oplichten, etc. De wereld veranderen? De discussies over de anarchie blijven te theoretisch, te abstract en te weinig ondersteund door daden. Jacob onderkent dit en de woede in hem groeit. Hij is dan negentien jaar.

jacob-chapeau-176x300

Van meester-inbreker tot verbannen dwangarbeider

Delpech beschrijft vervolgens uitvoerig de ontwikkelingen van de criminele activiteiten van Jacob. Hoe hij zich bekwaamt in het inbreken bij de rijken (brandkastkraken), hoe er zich een groep vormt, de ‘Travailleurs de la nuit’ (De nachtarbeiders) en hoe die groep de Middellandse zeekust afschuimt op zoek naar buit (villa’s, kerken, casino). De organisatie ervan is ‘open’ (het is geen bende met een leider) en een ieder geldt als gelijke (ieder heeft zo zijn eigen specialisme). Van elk geslaagd karwei moet een deel van de opbrengst worden afgestaan voor de goede zaak (veel geld is bestemd voor anarchistische organisaties en tijdschriften). Jacob heeft van zijn activiteiten geleefd, maar is er nooit rijk van geworden (net zo min als zijn collega’s).

Natuurlijk loopt het een keer fout. In 1903 worden Jacob en anderen gearresteerd en wordt de groep ontmanteld. Jacob verdedigt zichzelf, wetende dat het is afgelopen. Hij wil zelf duidelijk maken waarom de maatschappij zich zijn handelen over haar heeft afgeroepen. Hij zal veroordeeld worden tot dwangarbeid en levenslange verbanning naar Frans-Guyana. Het is in feite een doodstraf omdat wie daar, onder de lokale condities, moet verblijven en werken, die sterft letterlijk af. Jacob zou Jacob niet zijn als hij niet enkele vluchtpogingen zou ondernemen (ze slagen niet). In 1925 vindt er een perscampagne plaats, opgezet ten behoeve van zijn vrijlating. Bij presidentieel decreet wordt zijn straf omgezet in vijf jaar gevangenisstraf, te ondergaan in Frankrijk. Dat wordt weer omgezet in twee jaar, zodat hij op 30 december 1927 in vrijheid wordt gesteld.

Bij een vriend vindt hij in diens bedrijf werk. In 1931 gaat hij zijn brood verdienen als marktkoopman. Uiteindelijk, nadat zijn vrouw in 1950 overlijdt, stopt hij als marktkoopman; zaterdag 28 augustus 1954 dient hij zichzelf een dodelijke injectie toe.

Ideologische drijfveren

Anders dan met enkele bommengooiers uit die tijd, die achteraf met een anarchistisch motief voor hun daad kwamen aandragen, leidt het geen twijfel dat Jacob al heel jong met het anarchisme bezig was. Ook na zijn vrijlating betoont hij zich anarchist. Als kenner van gevangenissen en de omstandigheden waarin de gevangenen verkeren, gaat hij zich bezighouden met allerlei acties. Hij steunt de perscampagne voor vrijlating van een antimilitaristische deserteur die in 1918 naar Frans-Guyana was verbannen. Hij neemt deel aan de ‘Kring van oorlogweigeraars’ een groep pacifisten, waarin men ook de schrijver Léo Mallet tegenkomt.

CD-Jacob

Hoewel de Nederlandse auteur Willem van Iependaal (pseudoniem voor Willem van der Kuik,1891-1970) niet met Alexandre Jacob te vergelijken is, komt zijn naam toch in mij op. Van Iependaal heeft eveneens redelijk wat strafrechtelijk relevante handelingen achter de rug en moest deze met enige regelmaat met een gevangenisstraf bekopen. Hij manifesteert zich later ondermeer in de Vrijdenkerskring en gaat zich bezighouden met lotsverbetering van gevangenen door voor hervormingen van gevangenissen te pleiten. Uit het oogpunt van discussie over dit soort zaken is lezenswaardig van hem zijn boek De commissaris kan mij nog meer vertellen (1951). Dit boek geldt als reactie op het boek van een commissaris van politie die met pensioen was en een boek schreef onder de titel De commissaris vertelt.

De toenmalige Leidse hoogleraar strafrecht, J.M. van Bemmelen (1898-1982) reageerde op het boek van Willem van Iependaal in het Nederlandse Juristenblad (NJB van 18 augustus 1951). In de inleiding bij zijn nieuwe boek Bef, Boef en Bajes gaat Willem van Iependaal weer in op Van Bemmelen. Daaruit blijkt dat Van Bemmelen Van Iependaal op een aantal punten kan volgen, te weten die welke de behandeling van gevangenen betreffen en de blinde vlekken die bij rechters en anderen in het systeem zijn op te merken. Er blijft natuurlijk nog genoeg over voor verschil van mening, toch besluit Van Iependaal met: ‘Het weerwoord in het NJB willen wij niettemin als een kentering zien en waarderen’.

Jacob heeft iets dergelijks niet meegemaakt en hij schreef ook geen boeken. Dat laatste deden anderen wel, zoals de Franse auteur Maurice Leblanc. Die creëerde de fictieve figuur Arsène Lupin, een gentleman-dief waarvan soms wordt beweerd dat Alexandre Jacob daarvoor model heeft gestaan (Maurice Leblanc heeft het strafrechtelijk proces tegen Jacob in die jaren persoonlijk gevolgd). Hoe dat ook zij, Jean-Marc Delpech toont in een uitgebreid artikel aan, als bijlage in zijn boek opgenomen, dat Arsène Lupin niet is Alexandre Jacob. Hun beider ideologische instellingen liggen te ver uit elkaar. Jacob is een libertaire activist en theoreticus van het illegalisme. De fictieve figuur Lupin heeft daar niets van, integendeel.

Jacob.Dief

Waarom ik heb ingebroken

Als tweede bijlage heeft Delpech in zijn boek opgenomen de slotverklaring die Alexandre Jacob heeft gehouden tijdens het strafproces tegen hem. Dat is gepubliceerd in het Franse blad Germinal (kiem, kiemcel) nummer 11, 19-25 maart 1905. Het blad is opgericht en werd in standgehouden met geld van buit van Jacob. De slotverklaring draagt de titel ‘Waarom ik heb ingebroken’.

Wie deze tekst leest in het verlengde van de tekst die de libertaire strafrechtjuriste Clara Wichmann (1885-1922) als oprichtingsmanifest schreef (voor het ‘Comité van actie tegen de bestaande opvattingen omtrent misdaad en straf’, augustus 1919), ziet iets in spiegelreflex. Clara Wichmann beschrijft waarom de huidige (die van toen maar ook die van nu) maatschappij de criminaliteit kent, waarmee die wordt geconfronteerd en waarom dus het straffen niet alleen onmenselijk maar ook zinloos is en slechts aanhaakt bij wraakgevoelens. De maatschappij moet daarom fundamenteel op de schop. Jacob echter heeft zijn handelingspatroon afgestemd op de faalmomenten van dezelfde maatschappij, als die door Clara Wichmann wordt gekritiseerd, en hij heeft via het illegalisme getracht die maatschappij aan te vallen, opdat er een andere, meer humane voor in de plaats zou komen. Zijn ‘inbreken’ is heel letterlijk te nemen (ongevraagd een villa binnentreden en een brandkast kraken) maar ook overdrachtelijk: de regels van de private eigendom negeren en de sociaal-maatschappelijke mores, die ermee samenhangen, overboord kieperen om langs die weg een andere maatschappij te laten ontstaan.

Tegen zijn rechters zegt hij daarover in de opening van zijn slotverklaring: ‘U weet nu wie ik ben: een opstandige, levend van de opbrengsten van inbraken. Daar komt bij het in brand steken van verscheidene huizen en het verdedigen van mijn vrijheid tegen het geweld van de huurlingen van de macht. Ik heb u heel mijn strijdbare bestaan uit de doeken gedaan en ik verschaf het u als een probleem om te overdenken. Omdat ik niemand het recht geef over mij te oordelen, vraag ik ook niet om verontschuldiging noch om vergiffenis. Ik vraag niets aan hen die ik wantrouw en die ik haat. U bent de sterkste! Beschik over mij zoals u wilt; stuur me de gevangenis in of het schavot op, het kan mij niet schelen! Maar alvorens onze wegen scheiden, laat mij u nog een laatste woord zeggen’.

Daarin houdt hij de rechters ondermeer het volgende voor: ‘U benoemt iemand tot ‘dief’ en ‘bandiet’ door van toepassing te verklaren wat u over hem in de wet vindt. U vraagt zich echter niet af of hij iets anders kon doen. Heeft men ooit een rentenier zien inbreken? Ik beken u er geen een te kennen. Welnu de bestaande maatschappij houdt mij drie bestaansmogelijkheden voor: werken, bedelen, stelen. Werken dat bevalt me best. Wat mij evenwel tegenstaat, is me in het zweet werken voor een aalmoes. Dat betekent rijkdom voor een ander creëren, wat mij volstrekt tegenstaat. Waarvan ik walg is mij uit te leveren aan de prostitutie van de arbeid. Bedelen, dat is de ontkenning van elke waardigheid. Ieder mens heeft het recht om aan het banket van het leven te zitten. Men bedelt niet om het recht op leven, men neemt het’ (we herkennen hier de na hem komende Nederlandse anarchist Piet Kooyman, zie de AS nummer 189).

jacobjardin

‘Stelen, diefstal, is restitutie, is het hernemen van het bezit. Eerder dan mij op te sluiten in een fabriek gelijk in een gevangenis, eerder dan te bedelen, geef ik er de voorkeur aan om mijn vijanden te bestrijden en oorlog tegen de rijken te voeren, door hun bezittingen aan te vallen. […] Wat mij persoonlijk aangaat, weet ik met zekerheid dat er geen andere weg is dan naar de gevangenis of het naar het schavot. U ziet dat me dit niet belet om te handelen zoals ik deed. Zo ik me aan diefstal heb overgeleverd, is dat niet een kwestie van winstneming, maar het is een principekwestie, een kwestie van recht. Ik geef er de voorkeur aan om mijn vrijheid, mijn onafhankelijkheid, mijn waardigheid als mens te behouden. Om het wat rauw en zonder eufemisme uit te drukken, ik geef er de voorkeur aan dief te zijn boven bestolen te worden’. En hij vervolgt met:

‘Zeker, ook ik wijs af dat iemand iets afneemt van een ander die daar voor heeft gewerkt. Maar dat is precies waar het om draait en waarom ik oorlog tegen de rijken voer, die ik beschouw als de dieven van wat armen bezitten. Ook ik zou willen leven in een maatschappij waaruit de diefstal is verbannen. Ik gebruik de diefstal slechts als middel van de revolte, om de meest onrechtvaardige van alle diefstal te bevechten: de individuele eigendom. […] Als revolutionair anarchist heb ik mijn revolutie gemaakt, de anarchie is aanstaande’. Voor jaren zou Jacob uit de circulatie worden genomen, maar zoals we zagen keerde hij terug.

Thom Holterman

DELPECH, Jean-Marc, Alexandre Marius Jacob, Voleur et anarchiste, NADA Éditions, Paris, 2015, 198 blz., prijs 16 euro.

[Beeldmateriaal ontleend aan de site van Atelier de création libertaire; zie Aantekening 2.]

Aantekeningen

[ 1 ] Ook in ons tijdperk krijgt Alexandre Jacob vanuit juridische hoek in Frankrijk aandacht. Zo vond ik op de site CRIMINO [Revue hypermedia. Histoire de la justice, des crimes et des peines], een uitgebreid artikel onder de titel ‘Alexandre Jacob, forçat anarchiste en Guyane: politique ou droit commun?’ (november 2013). Ik vertaalde samenvatting:

‘De kwestie van criminaliteit en politiek misdrijf, los van het gewone recht, wordt gekenmerkt door zijn complexiteit, niet zozeer vanuit het oogpunt van de bijzondere regeling beschreven in de uitvoering van de straf, maar vooral in de juridische definitie van een politiek delict. Het geval van de anarchisten in de late negentiende eeuw is daarom bijzonder interessant: fundamenteel politiek gezien, zijn hun acties veroordeeld onder het regime van het gewone recht en dat weer verhard met behulp van ‘worgwetten’, die van het anarchisme een verzwarende omstandigheid maken. De geschriften van Alexandre Jacob, een anarchistische gevangene (als banneling) in Guyana vormt een verhelderend beeld daarbij: ze vertellen ons net zoveel over de specifieke status van de verbannen anarchist, als ze ons te lezen geven over de evolutie van een libertair engagement en een politieke gedachte’.

[ 2 ] Over Alexandre Jacob vindt men meer informatie op de site van het Franse dorp Reuilly waar hij de laatste twintig jaren van zijn leven heeft gewoond. Over het blad Germinal is informatie te vinden op een blog op de site van de uitgever Atelier de création libertaire (ACL, te Lyon). Dit blok wordt onderhouden door de auteur Jean-Marc Delpech. De uitgever gaf van Delpech een eerder boek over Jacob uit (Alexandre Jacob, l’honnête cambrioleur) ; klik op ACL. Een van de blogs leerde mij dat ook Domela Nieuwenhuis de aandacht op Jacob heeft gevestigd. Er is eveneens een CD uitgegeven getiteld ‘Travailleurs de la Nuit’, songs voor Alexandre Jacob (de cover is hier opgenomen in het beeldmateriaal).

 

2 reacties leave one →
  1. Lydia permalink
    13/09/2015 12:09

    Misschien hoort het er bij: de uitzending van Buitenhof van vandaag, 13 september 2015. En dan m.n. de onderwerpen met Jesse Klaver en Bas Jacobs en consul voor Libanon Sigrid Kaag. Maar ook de rubriek Schuim en As…

  2. Martin Smit permalink
    13/09/2015 12:12

    Over Jacob en anderen

    De Franse auteur Bernard Thomas (1936-2012) schreef een geromantiseerde biografie over Alexandre Marius Jacob, Jacob dit le Voleur (1970). Daarvan is een eerste deel in het Engels uitgegeven door Elephant Press/Bandit Press in 2010, onder de titel Jacob. Of ooit een volgend deeltje is verschenen, heb ik niet kunnen achterhalen.

    Schrijver Thomas had blijkbaar een voorkeur voor het in sommige gevallen aan anarchisme verbonden ‘banditisme’. Eerder (1968) publiceerde hij een geromantiseerde geschiedenis over de Bende van Bonnot: La Bande á Bonnot, niet in het Engles vertaald, maar wel in het Duits als Anarchisten. Ein Bericht (Walter-Verlag 1970). Overigens een zeer nauwkeurige geschiedenis van deze groepering.

    Holterman noemt in bovenstaand artikel de Franse auteur Leo Malet als deelnemer van de groep Kring van oorlogweigeraars. Malet werd na Simenon de best verkochte detectiveschrijver in Frankrijk na de oorlog. Hij was voor de oorlog actief in anarchistische kringen en in de beginjaren van de surrealistische beweging rond André Breton. Over deze in Nederland nauwelijks bekende schrijver is in de As 157 een artikel te vinden.

    Over het bagno in Frans Guyana, het verbanningsoord waartoe velen werden veroordeeld en nooit terug keerden, is veel geschreven. Jacob zat er vele jaren, evenals vele andere politieke activisten. De bekendste publicatie over dit mensonterende strafcomplex is het boek Papillon van Henri Charièrre (1970). In de As 181/182 is een korte uiteenzetting te vinden over publicaties over het bagno.

    Martin Smit

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.