Skip to content

Auguste Blanqui (1805-1881): Sociaalrevolutionair en Politieke Gevangene

27/09/2015

Blanqui.Straatnaam

“Ja, heren, dit is oorlog tussen arm en rijk: de rijken wilden het op die manier; ze zijn inderdaad de agressors. Alleen dat de armen weerstand bieden, zien zij als een schadelijke actie. Zij hebben makkelijk praten als zij over het volk zeggen: dit dier is zo wild omdat het zich verdedigt als het wordt aangevallen.” Aldus een zinsnede uit de verdediging van Auguste Blanqui voor de Volksrechtbank te Parijs, 1832. Het is Blanqui ten voeten uit. Hij zal de rest van zijn leven anderen sociaal begeesteren. 

Blanqui, anders dan Alexandre Jacob, is niet op inbrekerspad gegaan, nochtans bracht hij bij elkaar opgeteld meer dan de helft van zijn leven in gevangenschap door. In geval van Jacob ging het om ‘gewone’ delicten (inbraak) met een politieke motivatie: actie ondernemen ten behoeve van sociale gerechtigheid zonder winstbejag (stelen van de rijken om het onder behoeftigen te verdelen). Blanqui pleegde zogeheten persdelicten (drukpersmisdrijven) en hij organiseerde ‘samenzweringen’ tegen de heersende macht met het doel die macht gewapenderhand omver te werpen (via ‘geheime organisaties’, waarvoor hij kans zag verschillende keren zo’n 800 tot 2000 personen te mobiliseren). Het ging erom een ‘revolutionaire dictatuur’ te vestigen, die moest uitlopen op ‘autonomie voor groepen en individuen’, ‘federatie’ en ‘anarchie’ (l’anarchie régulière).

Het is over deze revolutionair dat Gustave Geffroy in 1897 een omvangrijke biografie publiceerde. Die is bekend onder de titel L’Enfermé (De opgeslotene), de bijnaam die Blanqui verwierf. De tekst van Geffroy is in 1926 heruitgegeven, waarna die uitverkocht raakte. Onlangs opnieuw uitgebracht onder de titel Blanqui, L’Enfermé.

Voorkant.Blanqui

Zijn biograaf Geffroy

Gustave Geffroy is er voor gaan zitten. Aan het boek heeft hij tien jaar gewerkt (1886-1896). Het heeft een omvang van tegen de 600 pagina’s. De tekst is eerst gepubliceerd in feuilletons (wat in die tijd niet ongebruikelijk was) en later zijn die losse delen tot boek gebonden en uitgegeven (1897). Het leeftijdsverschil tussen Blanqui en Geffroy is ongeveer 50 jaar. Geffroy heeft Blanqui nog horen spreken. Gefascineerd door de figuur is hij op onderzoek uitgegaan, heeft alles van Blanqui gelezen, heeft vrienden, bekenden, familieleden gesproken. Vervolgens heeft hij van de verzamelde gegevens een ‘verhaal’ willen maken. Geffroy was journalist en historicus maar ook romanschrijver en liefhebber van de Franse auteur Honoré de Balzac (1799-1850). Hij was tevens een van de oprichters van de Academie Goncourt (1903), die nog steeds jaarlijks een literatuurprijs verleend.

Gelet op deze achtergrond is het niet vreemd dat het boek meer de allure heeft van een historische roman en zeker geen ‘intellectuele biografie’ is. Het werk staat vol weetjes en is zodanig betrouwbaar, dat de anarchistische historicus Max Nettlau (1865-1944) er in zijn driedelige Geschichte der Anarchie (1931, 1972) herhaaldelijk naar verwijst. Ik zie in de biografie vooral een ‘sociale geschiedenis’ van de 19de eeuw in Frankrijk, beschreven vanuit de weerspannigheid van een buitengewone revolutionair, Blanqui, orerend, schrijvend, organiserend en daar tussen door gekerkerd, opgesloten, ingesloten.

Het miserabele van de 19de eeuw is natuurlijk beter in romanvorm verwerkt door de Franse schrijver Victor Hugo (1802-1885). Maar Goffroy beschrijft aangrijpend de onmenselijke situatie van de verschillende soorten opsluiting in die periode, die gelijk is te stellen met martelen (het overlijdenspercentage onder de gevangenisbevolking was hoog). Dat Blanqui niet veel eerder het lootje heeft gelegd mag wonderbaarlijk heten. Het is niet mijn bedoeling om alle data en plaatsen van opsluiting de revue te laten passeren. Daarvoor moet men het boek ter hand nemen. Hier wil ik, wat de opsluiting betreft, nog aandacht voor het volgende.

‘Presse-gefängnis’ Sainte-Pélagie

In 1861 wordt Blanqui opgesloten in een van de Parijse gevangenissen, de Sainte-Pélagie. Het is een gevangenis met drie verschillende afdelingen, waarvan één voor politieke gevangenen. Men kwam daar ondermeer terecht wegens het plegen van het delict ‘Offense au Président de la République’. Het waren vooral intellectuelen die het delict met hun geschriften tegen de publieke macht pleegden (zo zat Proudhon hier drie jaar gevangen, mede vanwege overtreding van het verbod). In Nederland staat het delict bekend als ‘majesteitsschennis’ (opzettelijke belediging van de Koning, art. 111 Wetboek van Strafrecht). In de literatuur wordt hier gesproken over een ‘zuiver’ politiek misdrijf (een ‘mengvorm’ ervan is een gewoon delict gepleegd met een politiek motief; we kwamen dat bij Alexandre Jacob tegen).

Blanqui.Postz

Blanqui was al eerder opgesloten geweest in Sainte-Pélagie (in 1831 en 1835). Volgens zijn biograaf heeft Blanqui er in de jaren 1861 en volgende de gelukkigste tijd van zijn leven gehad. Op de afdeling van de politieke gevangenen – Max Netllau spreekt over de Presse-gefängnis – was het namelijk mogelijk in je cel te lezen, te schrijven en met mede politieke gevangenen in gesprek te zijn. Voor het eerst van zijn leven voelde hij zich ook begrepen. Hij waardeerde het contact met een nadenkende jeugd en een burgerlijke elite afkomstig van de Revolutie, die hij er aantrof (allen eveneens tegenstanders van de bestaande macht). Daarnaast besteedde Blanqui zijn tijd in Sainte-Pélagie aan het mensen leren lezen, afkomstig uit een ander deel van de gevangenisbevolking – de groep analfabetische kleine criminelen…

In 1864 wordt hij ernstig ziek en vindt opname in een bewaakte kliniek plaats. Eind 1865 zal zijn gevangenisstraf aflopen. In mei 1865 richt hij het tijdschrift Candide op. Daarin voert hij ondermeer atheïstische propaganda. Na acht nummers wordt het tijdschrift door de machthebbers verboden. Blanqui voorvoelt dat een veroordeling er toe zal leiden dat hij eind 1865 niet vrij komt en zet een geslaagde ontsnapping uit de kliniek op touw. Dit doet hem met de trein in Brussel belanden, waar hij een aantal jaren zal verblijven. Tot hij – na verschillende malen in Frankrijk te zijn teruggekeerd enkele jaren later – weer voor een politiek misdrijf – wordt opgepakt en een levenslange gevangenisstraf krijgt opgelegd (1870).

Blanqui lijkt mij hier een slachtoffer van wat nadien bekendheid krijgt met de term vijandstrafrecht. Een van de elementen ervan is, dat een straf wordt opgelegd die gericht is op uitsluiting, zonder naar behoren het strafprocesrecht te hanteren. De veroordeling kan berusten op een daad in de toekomst gepleegd. Bij de veroordeling van Blanqui is sprake van zo’n juridische misslag, zo maak ik bij Geffroy op. Hij werd veroordeeld voor daden die hij in de toekomst zou hebben gepleegd (l’accusé [Blanqui] ‘aurait’ pu prendre part à la Commune [van Parijs; 1871]). De argumentatie is ‘jezuïtische’ te noemen. De betreffende wet (La loi de sûreté générale) was namelijk tot 1870 van kracht.

Zeker, het is niet ondenkbaar dat de sociaalrevolutionair Blanqui aan de Parijse Commune in 1871 had deelgenomen, als hij in vrijheid was geweest (zijn ergste vijand, de reactionaire politicus Aldolphe Thiers, was tevreden dat Blanqui uit de circulatie was verdwenen). Dus los nog van het onrechtmatige dat het om toekomstige daden ging, zouden het bovendien daden zijn van na de geldingsperiode van de wet, waaronder hij werd veroordeeld. Na zijn dood is de illegaliteit van de veroordeling komen vast te staan…

Als een kleine tien jaar van zijn gevangenschap is verstreken, worden er acties gevoerd om hem vrij te krijgen, wat ook lukt. Hij herneemt zich vrijwel onmiddellijk en richt eind 1880 het tijdschrift Ni Dieu ni Maître op (eerst als dagblad, daarna als weekblad). Nettlau citeert daarover Kropotkin: ‘De man die als geen ander de incarnatie is van een samenzweringssysteem en die dat met zijn leven in kerkers betaald heeft, slingert aan de vooravond van zijn dood de woorden eruit die een heel programma vormen: Geen God geen Meester’ (Nettlau, Deel III, p. 31, noot 34). Door een hersenbloeding getroffen, zal hij enkele dagen later op 1 januari 1881 overlijden.

De rol van de ‘gedeklasseerden’

Blanqui was, anders dan Franse socialisten in het begin van de 19de eeuw, zoals Saint-Simon en Fourier, geen utopist. Hij huldigde een materialistische visie en hield zich bezig met het ontwikkelen van ideeën over de organisatie van het verzet om de bestaande politieke macht om ver te werpen en een ‘revolutionaire dictatuur’ in te stellen. Over wat daarna moest gebeuren had Blanqui geen uitgewerkte plannen en voorstellen, zoals utopisten die wel hebben. Wat nodig was, zou wel blijken, meende hij. Het belangrijkste was de revolutie en de afwenteling van de bestaande macht. Blanqui’s opvatting was doortrokken van autoritarisme en hij had geen belangstelling voor vrijheid, gelijk Max Nettlau opmerkt in zijn Geschichte der Anarchie (deel I, p. 134-5).

Blanqui,Foto,jpg

Blanqui is wel een van de weinige grote revolutionairen gebleven, die niet in een corrumperende situatie is terechtgekomen, zoals Lenin (hoewel die Blanqui afkraakt, maar diens revolutionaire autoritarisme heeft overgenomen) en bijvoorbeeld ook Fidel Castro. Die zijn allen dictators geworden en gebleven, binnen de dictaturen die zij hebben ingesteld. Zij hebben allen met jezuïtische argumenten aan hun belangen vastgehouden en consultatie van het volk als ‘burgerlijk’ verworpen. Het is ook precies waarvoor anarchisten waarschuwen, dat dit te gebeuren staat: als men begint met te werken met een kleine, elitaire naar commando’s luisterende groep, dan zullen er altijd wel argumenten zijn om de dictatuur, die gevestigd wordt, onder elk beding te continueren. Blanqui is dan ook geen anarchist.

Dit neemt niet weg dat hij als revolutionair niet aflatend het sociale onrecht de bevolking aangedaan, heeft bestreden. Hij richtte zich evenwel niet op de arbeidersklasse, waardoor hij evenmin als marxist wordt beschouwd. Het waren in zijn ogen eerder de déclassées (gedeklasseerden), zoals hij zelf, mensen afkomstig uit de bourgeoisie (veelal met een opleiding; Blanqui studeerde rechten en medicijnen, studies die hij niet afmaakte omdat het sociale activisme niet kon wachten). Deze gedeklasseerden zouden de massa moeten opvoeden. Het proletariaat ondergaat de laatste vorm van slavernij, zo herinnert Bertrand Noël eraan, in de inleiding die hij bij de uitgave van 2015 schreef. De gedeklasseerden hebben bij Blanqui als rol de strijd tegen die slavernij te leiden.

Gustave Geffroy volgt hem op zijn levenspad – iets wat je van een biograaf mag verwachten. Hij portretteert hem als de ‘geest van opstand’, die is als zout in de revolutionaire pap.

Thom Holterman

GEFFROY, Gustave, Blanqui, L’Enfermé, ingeleid door Bernard Noël, verluchtigd met portrettekeningen door Ernest Pignon-Ernest, L’Amourier éditions, Coaraze, 2015, 591 blz., prijs 26 euro.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s