Skip to content

Radensysteem En Vrijheidslievend Democratisch Bestuur

15/11/2015

Rechter

In de jaren 1970 verscheen een door Udo Bermbach samengestelde Duitstalige bundel teksten onder de titel Theorie en praktijk van de directe democratie, Teksten en Materiaal ten behoeve van een discussie over raden (Opladen, 1973). In de bedoelde jaren vroeg men zich af of de radengedachte of het radensysteem zich wel verhield met de Duitse grondwet. Met die vraag had de Duitse politicoloog Peter von Oertzen (1924- 2008) zich eindjaren 1960 beziggehouden. Een bijdrage van hem treft men in de genoemde bundel aan onder de titel ‘Freiheitliche Demokratische Grundordnung und Rätesystem’. De grondwet leerde (en leert) dat de Bondsrepubliek een ‘vrijheidslievend democratisch bestuur’ had (heeft) . De grondwet definieert dit begrip niet. Net zo min, zo constateerde Von Oertzen, bestaat er een ‘gecanoniseerde’ omschrijving van ‘radensysteem’. Ondanks dit definitorisch probleem toog Von Oertzen aan het werk. Zijn verhandeling kan gezien worden als een nog steeds bruikbare exercitie.

Rechtsstaat.Links

Voor een rechtsstaat van links

Grondwet en radensysteem

Von Oertzen somt enerzijds een aantal elementen op waaraan, naar zijn inzicht, een radensysteem moet voldoen. Het gaat bij hem om een sociaal-politieke orde in de vorm van een radicale directe democratie van antikapitalistische snit, want met een socialistische doelstelling. Waar de Duitse grondwet geen definitie van ‘vrijheidslievend democratisch bestuur’ geeft, heeft het Bundesverfassungsgericht (BVerfG) in een beslissing er wel een omschrijving van gegeven. Von Oertzen heeft elk element van deze omschrijving gewogen in het licht van een radensysteem. Langs die weg beziet hij of beide systemen met elkaar in overeenstemming zijn te krijgen, waar er altijd wordt gezegd dat ze onverenigbaar zijn.

De verschillende elementen van de omschrijving zijn voor ons herkenbaar, ook al speelt de discussie zich binnen een Duits juridisch kader af. Als er geen sprake van onverenigbaarheid wordt geconstateerd, dan moet dit ook voor de Nederlandse situatie kunnen gelden. De pretenties zijn namelijk dezelfde: de basisorde is vrijheidslievend en democratisch (als ik mij wat de Nederlandse situatie betreft vergis, hoor ik het wel). Welke elementen kent de omschrijving van het BVerfG en hoe reageert Von Oertzen daarop? Het gaat om de volgende elementen:

Aandacht voor rechten van de mens. Een dergelijke aandacht kan zonder twijfel in een constitutie voor een radensysteem worden opgenomen en verwerkt. Mensenrechten zijn niet exclusief of slechts voorbehouden aan een burgerlijke grondwet. Zij vormen geen tegenspraak met een radensysteem.

Volkssoevereiniteit. Dit wordt door een radensysteem juist heel letterlijk genomen, want anders dan in een burgerlijke situatie, waar ‘het volk’ onmiddellijk wordt weggezet door zijn vertegenwoordigers met een blank mandaat.

Verantwoordelijkheid van het bestuur. Juist in een radensysteem gaat het om verkiesbaarheid en controle van alle houders van leidende posities in dat systeem. Het gaat er in de gekozen raden juist om, de kiezers de greep op het bestuur te laten behouden (waarvoor allerlei juridische constructies worden gehanteerd, zoals terugroepingsrecht, bindend mandaat).

Rechtmatigheid van het bestuurlijk handelen. Het acht slaan op rechtmatig handelen is een essentieel bestanddeel van rechtsstatelijkheid. Er bestaat geen zinvolle grond om aan te nemen, dat ook de gekozen organen en ambtsdragers in een radensysteem verplicht kunnen worden hun handelen af te stemmen op wat in besluiten met betrekking tot hun handelen is vastgelegd (wetten, verordeningen, statuten).

Vallotton.De anarchist

Machtenscheiding. Hier komen we een van de weinige ogenschijnlijke tegenspraken tussen een radensysteem en een vrijheidslievend democratisch bestuur tegen. Voorstanders van het radensysteem eisen namelijk in de regel de opheffing van de machtenscheiding. Eigenlijk ligt, aldus Von Oertzen, het zwaartepunt van deze eis bij de opheffing van de scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht en wel om reden van het intensiveren van de democratische controle op regering en uitvoering (bestuur). Het gaat er met name om het – als machteloos beoordeelde – parlement te maken tot een werkelijk invloedrijk opererend orgaan. Tegen een dergelijke intensivering kan dus geen oppositie bestaan vanuit burgerlijke hoek.

Wat de machtenscheiding tussen regering en volksvertegenwoordiging aangaat, ruimt een kritische staatsrechtwetenschap plaats in voor een discussie daarover. Dan komt ook aan de orde de vraag of in een parlementair regeringssysteem niet sprake is van een feitelijke opheffing van de machtenscheiding, in zoverre een parlementaire meerderheid zowel de wetgeving als de regering controleert…

Onafhankelijkheid van de rechtspraak. De afschaffing van de onafhankelijkheid van de rechtspraak en haar uitsluitende binding aan de wet, ziet Von Oertzen in de radendiscussie weinig tot uitdrukking komen. In beginsel wordt een onafhankelijke rechtspraak in tegenstelling met een radensysteem gezien. Maar dat is sterk te relativeren. Er blijft namelijk weinig over van die tegenstelling als de wetten zelf van een radeninstantie afkomstig zijn en daardoor geacht mogen worden in overeenstemming te zijn met de bevolkingsgroepen die ze aangaan. En daar het om gekozen rechters gaat – zoals het radensysteem vereist –, is niet in te zien dat dit stelsel strijdt met ‘onafhankelijkheid’. Principieel is de verkiesbaarheid van rechters immers niet in tegenspraak met een basisorde van vrijheid en democratie: zowel bijvoorbeeld de USA als Zwitserland kennen verkiesbaarheid van rechters en andere justitiële organen (Officier van justitie, politiechef).

Meerpartijensysteem, gelijkheid van kansen van de partijen, recht op oppositie. Deze drie elementen zijn zowel voor de democratische als voor het rechtsstatelijke karakter van een constitutie van buitengewoon belang. Ze kunnen zonder enige twijfel zowel in een systeem van radendemocratie worden ondergebracht als in een parlementair-vertegenwoordigend systeem.

Wanneer de vrije verkiezingen van de raden niet slechts een farce zullen zijn, dan is niet in te zien dat er op grond van vrije concurrentie meerdere politieke richtingen zullen ontstaan. Echter zal in een systeem van directe democratie de onmiddellijk inwerking van de burger in de politieke organen groter zijn dan een parlementair systeem. Democratie is niet hetzelfde als een partijenbeginsel, formuleert Von Oertzen kort en bondig. Een ‘democratische vrijheidsorde’ laat zich niet beperken tot het parlementaire systeem.

Op grond van deze analyse kan niet worden volgehouden, dat een radensysteem onverenigbaar is met een basisorde die vrijheidslievend en democratisch is, dat wil zeggen met de grondaanname in de Duitse grondwet. Zoals men heeft kunnen lezen gaat het om een afweging van elementen, die ook in Nederland overbekend zijn. Dit kan de verzuchting ontlokken: waar wachten we nog op met de instelling van een radendemocratie?

Rivista.5

Private eigendom van de productiemiddelen

Von Oertzen verwacht een dergelijke vraag kennelijk ook, want hij brengt nog het volgende in overweging. Eerder dan om de voorgaande problematiek zal, zo meent hij, de strijd draaien om de problematiek van de private eigendom van de productiemiddelen. In een socialistisch systeem zal van een vermaatschappelijking ervan sprake zijn, wat niet moet worden verward met staatseigendom. Daar zit de angel van onverenigbaarheid. De juridische beschermingsconstructies van de privaat eigendom van de productiemiddelen zullen een fundamentele wijziging ondergaan (van privaat naar ‘publiek’). Betoogd zal worden dat daarbij vrijheid zal worden ingeboet. Maar voor wie?

Een radensysteem zal een aanmerkelijke toename van de gebruiksrechten laten zien: de voormalige arbeiders verwerven medezeggenschap in de productie-eenheden (economische democratie). De vrijheid voor persoonlijke ontplooiing wordt dus niet algemeen beknot. Dat geldt slechts voor de uitzonderlijk kleine groep die afstand zal moeten doen van kapitaalsaccumulatie [de zogeheten 1% uit de Occupy leuze]. Voor een grote groep wordt de vrijheid tot ontplooiing juist sterk uitgebreid [de 99%], wat de sociale rechtvaardigheid ten goede zal komen.

Thom Holterman

(Op basis van Peter von Oertzen, ‘Freiheitliche Demokratische Grundordnung und Rätesystem’, in: Politische Bildung, Jaargang 2, nummer 1, 1969, pp. 14-25; opgenomen in genoemde bundel)

Aanvulling

978-3-531-11145-2_Cover_1.indd

De bundel waarin ook het artikel van Peter von Oertzen is opgenomen, Udo Bermbach (red.), Theorie und Praxis der direkten Demokratie (1973), is ooit besproken in het dagblad Die Zeit van 22 maart 1974 (in het Duits), klik HIER.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s