Skip to content

Over Vluchtelingen, Culturele Revolutie En De Franse Filosoof Alain Badiou

14/02/2016

Kop.BuitenOrde

De sociale strijd van anarchisten cirkelt om twee maatschappelijke verschijnselen: vrijheid en gelijkheid. Het verbindingswoordje ‘en’ moet daarbij niet over het hoofd worden gezien. Het een kan niet zonder het ander om onevenwichtigheid en uitwassen te voorkomen. Het is wat Bakoenin anderhalve eeuw geleden de lezer al voorhoudt: ‘Vrijheid zonder socialisme, betekent voorrecht en onrecht; en socialisme zonder vrijheid is slavernij en meedogenloosheid’ (uit: Federalisme, Socialisme en Anti-theologisme). Het maakt dat de sociale strijd zich op vele fronten afspeelt. Dat blijkt ook uit het onlangs uitgekomen nummer van het anarchistische kwartaalblad Buiten de Orde (BdO).

Voor.BdO4

Drie thema’s

In dit nummer wordt een grote verscheidenheid van artikelen aangeboden. Een aantal ervan is in het thema China geplaatst. Het omvat vijf bijdragen. De eerste bijdrage, verzorgd door Kees Stad, levert een overzicht van wat er in het heden zich afspeelt in China als ‘economische reus op terugtocht’. Peter Storm behandelt in een erop volgend artikel de Culturele revolutie als een ‘vermomde staatsgreep van Mao’. Ik kom op zijn bijdrage terug waar ik de ‘Badiou discussie’ behandel. De bloeitijd van het Chinese anarchisme (1910-1930) wordt uitgebreid geschetst door Dennis en Maartje. Daarna volgen twee artikelen van vooral religieus-filosofische inhoud van oude Chinese herkomst (Taoïsme in relatie tot anarchisme). Er zijn nog twee andere thema’s te ontwaren hoewel Buiten de orde ze niet zo noemt: ‘Vluchtelingen’ en ‘Midden-Oosten’.

BdO opent met wat ik het thema ‘Vluchtelingen’ noem. Ondermeer wordt aandacht gevraagd voor de rol van activisten in het vluchtelingendebat. Verder is er een artikel over de kracht van anarchistische netwerken waar het gaat om het ondersteunen van vluchtelingen (Food not Borders) en een artikel over de directe solidariteit met hen (Watch the Med Alarm Phone). Het thema wordt afgesloten met een ‘Kroniek migratiestrijd’. Merk ook de informatie op over het discussieweekend ‘Er zijn grenzen’, georganiseerd door 2.Dh5: 19-21 februari 2016 in Maastricht.

Het derde thema noem ik ‘Midden-Oosten’. De aanleiding ervoor is het feit dat vijf jaar geleden de ‘Arabische Lente’ inzette en, zoals in het eerste artikel erover, de vraag beantwoord moeten worden: ‘Is alles weer bij het oude?’. Peter Storm houdt zich met dit onderwerp bezig. Jan Bervoets vertaalde vervolgens een artikel over zelforganiserende vluchtelingen in Koerdistan. In een andere bijdrage laat hij zien hoe het parlementaire stelsel in Turkije werkt. Tevens komt kort de Rojava revolutie aan de orde.

Een artikel dat los staat van deze drie thema’s, maar dat zeker de nodige aandacht verdient, is getiteld ‘Patriarchaat in de verloskamer’. Het gaat om een ‘vrouwenkwestie’ maar de bedding is die van de strijd tegen neoliberalisme en patriarchale dominantie. Dit maakt de ‘vrouwenkwestie’ ook een mannenzaak, kortom het gaat over integraal feminisme dat een ieder aangaat.

Badiou buiten de orde

BdO heeft tevens ruimte gemaakt voor een discussie gewijd aan de opvattingen van de hedendaagse Franse marxistische filosoof Alain Badiou. Die discussie kwam op gang naar aanleiding van een artikel over hem van de hand van Jan Nol, in nummer 2 (2015) van BdO. Ook in het erop volgende nummer (3, 2015) werd een bijdrage van hem opgenomen. Ik besprak beide nummers en uitte kritiek op de producties van en over Badiou. In nummer 4 (2015) van BdO wordt nu gereageerd op mijn kritiek naar aanleiding van hetgeen in nummer 2 over Badiou werd gepubliceerd. Ik ging daar tegen in vanuit de vraag: ‘Wat is de relevantie van de opvattingen van de marxist en maoïst Badiou voor het anarchisme?’. Ik concludeerde: die is er niet! Jorg Meurkes en Jan Nol beogen nu in hun reactie in het huidige nummer 4 van BdO het tegendeel te demonstreren. Zij doen dat met drie artikelen (één van Jorg Meurkes en Jan Nol zelf, twee van Alain Badiou in de vertaling van Jorg en Jan).

Ik ga er vanuit dat zij weten, dat zij mijn vraagstelling niet hebben beantwoord. Immers aan de hand van de drie artikelen is des te meer aannemelijk te maken, dat Badiou anarchisten niets te vertellen heeft. Hoe kom ik daarbij?

Just Smile.Trez

Als reactie op mijn vraagstelling leest men in de eerste alinea van hun eigen artikel, dat Badiou ‘op het eerste oog weinig te zoeken heeft in een anarchistisch tijdschrift’. Ook geven zij toe dat Badiou, als autoritaire denker, niet thuis hoort in BdO. Zij formuleren dit in een retorische stijl. Dit maakt het hen mogelijk in de tweede alinea van hun bijdrage op de vorige alinea te kunnen terugkomen met een ontkenning. Waarop baseren zij dat? Op het door Badiuo onder vuur nemen van waarheid, communisme, geluk en democratie. Wel, wel… zijn dat geen begrippen waarover anarchisten in de loop van vele decennia hebben nagedacht en geschreven? Dus blijft de vraag: ‘Wat voegt Badiou daaraan toe, dat hem belangrijk voor het anarchisme zou kunnen maken? Daar hoor ik niets over van Jorg en Jan.

Als hij het over waarheid heeft, waar overtreft Badiou dan bijvoorbeeld Paul Feyerabend (Against method, 1975). Of geluk? Jorg en Jan voegen daarvoor een vraaggesprek met Badiou bij. Daarin leest men een opvatting van hem over geluk, die leert dat onze intuïtie daaromtrent grotendeels is voorgevormd. Stellig. Anarchisten hebben daarover al hun mening kunnen aanscherpen via bijvoorbeeld de situationisten, zoals Guy Debord (Spektakelmaatschappij, 1967). Ik wil maar zeggen anarchisten hebben Badiou niet nodig. Dat zou overigens niet zo’n punt zijn, als er niet meer is. Dat is er: Badiou vormt namelijk intrinsiek een vijandig referentiepunt als het om een anarchistische instelling gaat. Dat is ondermeer aan het materiaal te ontlenen dat in dit nummer van BdO zelf te vinden is.

Culturele Revolutie: Mao en Badiou

In het derde artikel dat Jorg en Jan hebben laten opnemen in BdO, licht Badiou iets toe over ware en onjuiste tegenstellingen van de huidige wereld. Daarin komen argumentatieve elementen voor, die het lezen van het artikel van Peter Storm over China en het bloedige huishouden van de communistische partij aldaar wenselijk maakt (BdO, p. 67-70). Daarom besteed ik nu eerst aan dat artikel aandacht waarna ik terugkeer bij Badiou.

Sterk.Trez

Een van de verschijnselen waarvoor Storm aandacht vraagt, is de wijze waarop de Chinese communistische partij (a) gebruik maakt van de massabeweging, (b) inspeelt op wat Chinese anarchisten in China van de grond hebben gekregen en (c) meegaat met het verzet van arme Chinese boeren. Dit soort handelen vindt telkens op zo’n wijze plaats, dat de erdoor ontstane machtspositie van de (communistische) partij wordt uitgebuit om die positie vervolgens met een ijzeren greep te vestigen – en als het moet met veel bloedvergieten te bestendigen, zo leest men bij Peter.Wat men ook in het artikel van Peter Storm tegenkomt, is het in uitvoering brengen van de substitutietheorie. In het communisme van marxistische snit ziet men in het licht van die theorie telkens het volgende proces: het proletariaat vervangt de massa (substitutie = plaatsvervanging, in de plaatsstelling), de communistische partij vervangt het proletariaat, de bestuur van de partij vervangt de partij, de secretaris generaal van het bestuur vervangt het bestuur. Het dan gecreëerde machtssysteem lijkt op dat van de rooms-katholieke kerk, met de paus als hoogste ‘geestelijk’ leider, een positie waarmee Marx zich in de Internationale nestelde en Lenin, Stalin, Mao in de communistische partij.

Hun centralistische, autoritaire stijl van handelen gaat terug tot op Marx. De autoritaire lijn die hij uitzette, vindt men terug in het marxisme-leninisme, stalinisme, maoïsme – en na Marx dan inclusief het bloedvergieten, genocide, verbannen van hele bevolkingsgroepen zowel in Rusland als in China. Het artikel van Peter Storm schetst daarvan het een en ander aangaande de Chinese geschiedenis en de rol van Mao daarbij. Nu kunnen we terugkeren naar Badiou.

In de vertaalde bijdrage van Badiou over de ‘ware en onjuiste tegenstellingen’ komen we stuk voor stuk de in het artikel van Storm genoemde elementen uit de marxistisch-leninistische praktijk tegen: (1) ‘het verbinding leggen met de werkelijke massa’ (‘werkelijke’?) (p. 57) en (2) het ‘overgaan tot een culturele revolutie’ (p.59). De lezer is dus gewaarschuwd. Verder komt men enkele keren de expliciete verwijzing naar Marx tegen, terwijl Badiou het tegelijkertijd heeft over het (geleidelijk) ‘verdwijnen van afgescheiden autoriteitsvormen van het type ‘staat’’. ‘Van het type staat’?, niet dus van de staat – want het gaat in de marxistisch-leninistische, stalinistische en maoïstische ideologie om het verwerven van de staatsmacht (en het behoud en de versterking van de staat). Wat Badiou in relatie hiermee oppert over het ‘uitvinden van een egalitaire symbolisering’ is alleen maar om libertaire geesten te paaien. Wie goed oplet merkt op, dat het slechts om symbolisering gaat. Maar bovendien: anarchisten hoeven helemaal niets uit te vinden over gelijkheid, het vormt al anderhalve eeuw een van de kernen van sociale strijd.

Badiou verwijst aan het eind van zijn betoog nog naar Marx en de ‘vrije associatie’. Het moet voor Badiou een intrinsieke reden hebben om niet naar een anarchist van enig kaliber te verwijzen maar naar Marx. Met zijn verwijzing naar hem geeft hij aan binnen de autoritaire lijn van zijn marxisme en maoïsme te blijven. En van iemand van het geleerde kaliber als Badiou, is dat als weloverwogen op te vatten. Ook hier dus weer een vorm van paaien van libertair ingestelde mensen. Later, wanneer de contrarevolutionaire communistische machtsgreep is gelukt, zal dat soort mensen worden geliquideerd. Vergeet niet dat wat er in China in dat opzicht is gebeurd onder het maoïsme, een herhaling is van wat zich in Spanje tijdens de Spaanse burgeroorlog onder dwang van het stalinisme heeft voorgedaan (en daarvoor tijdens de Russische revolutie onder Lenin). Badiou heeft anarchisten niets te leren, dat deed de geschiedenis al.

Libertair marxisme?

Vrolijk.Trez

In het kader van deze discussie heb ik eigenlijk geen idee van hetgeen Jorg Meurkes en Jan Nol voor hebben om de denkbeelden van Alain Badiou in de sfeer van het anarchisme te ‘promoten’. Is iets dergelijks, maar dan op een meer gepaste wijze, niet al eens in de jaren 1960 en 1970 aan de orde geweest met de introductie van het libertair marxisme door Daniel Guérin? Ten aanzien van Guérin spreekt in diens voordeel, dat hij zich in het anarchisme had verdiept en dat hij als sociale historicus onderzoek gepubliceerd had over onderwerpen die ook anarchisten aangaan. Waar hij vervolgens het pleit voerde voor het libertair marxisme verwerkte hij nadrukkelijk teksten van anarchistische auteurs. Niets van dat al is bij Alain Badiou aan te treffen (althans Jorg en Jan komen er niet mee aanzetten)..

Badiou heeft tot op hoge leeftijd alle stadia van, in de ogen van anarchisten, een ‘foute’ politieke route bewandeld (van marxisme-leninisme tot maoïsme). Het is bijvoorbeeld pas in 2012 dat hij zijn spijt heeft betuigd voor zijn enthousiasme in de jaren 1970 voor de overwinning van de Rode Khmer, die de meest vreselijke daden tegen de Cambodjanen beging zoals willekeurige executies, genocide (zie BdO, p. 59). Bedenk daarbij dat In de jaren 1970 Badiou allang niet meer een jonge blaag was (hij is geboren in 1937) en hij had dus allang kunnen onderkennen om welke mensonterende politieke organisatie het ging die hij bijviel. Een zo iemand krijgt de ruimte in BdO…

Schril tegenover een politieke positiekeuze als die van Badiou staat de intellectuele en politieke levenswandel van de marxistische filosofen en sociale wetenschappers van de ‘kritische theorie’ (de Frankfurter Schule), een instituut onafhankelijk van politieke partijen en al vanaf het begin van het stalinisme daarop scherpe kritiek leverend. ‘Door te helpen de integriteit van Marx’ libertaire prikkel te bewaren in een tijd, waarin het stalinisme hoogtij vierde, speelde Horkheimer en zijn collega’s van de Frankfurter Schule een beslissende rol bij het herstel van die prikkel door post-stalinistische radicalen later’, schrijft Martin Jay in zijn proefschrift De dialectische verbeelding [1973] (Nederlandse vertaling, Baarn, 1977, p. 340). De Frankfurter Schule is aangevallen en verguist door de marxistische garde waarvan Badiou bentgenoot was. Dat BdO juist met zo’n figuur een introductie laat zoeken in het anarchisme. Onbegrijpelijk.

Vaarwel Badiou

Dat Badiou een aantrekkingskracht heeft bij sommige radicale jongeren is niet te ontkennen. Badiou heeft altijd wel een snijdend commentaar of uitspraak klaar. Zo beschuldigde hij de redactie van Charlie Hebdo onlangs van het bedrijven van ‘cultureel racisme’ (Le Monde van 9 januari 2016). Als hij op die wijze in politieke microkringen zijn volgelingen toespreekt, alwaar hij zijn haat tegen het ‘capitalo-parlementarisme’ (sic) uit, dan kan hij op onstuimige bijval rekenen, zo schrijft Alexis Lacroix, die nu wel klaar zegt te zijn met Badiou (zie het Franse weekblad Marianne van 29 januari – 4 februari 2016).

Om het denken van Badiou te kunnen doorgronden is het goed te weten dat hij de invloed van de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) heeft ondergaan. Heidegger wordt beschouwd als een van de grootste filosofen van de 20ste eeuw. Een vervelende complicatie voor zijn volgelingen is, dat deze grote filosoof in 2005 door de Franse onderzoeker Emmanuel Faye als een nazi-filosoof werd neergezet in zijn Heidegger, een inleiding van het nazisme in de filosofie. Onlangs kwam ook de Franse taalkundige François Rastier uit met een studie in deze sfeer, getiteld De ondergang van een profeet, Heidegger vandaag (2015). Ik zou hier geen aandacht aan hebben besteed, als ik niet in het Franse weekblad Charlie Hebdo een vraaggesprek met Rastier was tegen gekomen, waarin ook de naam Badiou viel. Dit maakt de kwestie relevant voor de discussie die binnen Buiten de Orde is ontstaan.

Man in bek.Trez

Uit het vraaggesprek met Rastier valt op te maken dat Badiou, samen met anderen, sterk door Heidegger is beïnvloed. Rastier laat zien dat de gedachten van Heidegger overigens alle soorten radicalisme heeft gevoed. Wat die soorten aangaat onderscheidt hij er vier, te weten: het neonazisme, het nationalistisch-bolsjewistische eurasisme, het islamisme en het universitaire radicalisme.

Het universitaire radicalisme is heideggeriaans gebleven, maakt Rastier duidelijk. Zo merkte een bekende van Badiou, de filosoof Slavoj Zizek, ooit op: ‘Hitler is niet ver genoeg gegaan’. Een andere filosoof uit die kring, Gianni Vattimo, viel in 2005 de Iraniër Ahmadinejad bij met zijn idee ‘de staat Israël van de kaart te laten verdwijnen’. Badiou rechtvaardigde vervolgens de invasie in de Krimm. Hij voelde zich ook vertederd door de gesluierde vrouwen, omdat zij de druk weerstonden van de miljoenen mensen die bij massale demonstraties in januari 2015 de straat opgingen naar aanleiding van de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo en op een joodse supermarkt in Parijs. In de ogen van Badiou betroffen die miljoenen demonstranten niet anders dan ‘hulptroepen van de politie’.

Alle vier de vormen van radicalisme hebben één gemeenschappelijke vijand: het Westen. Dat wil in feite wil zeggen: de daar heersende vrijheden. In die zin is het te beschouwen als anti-Verlichting (oppositie tegen mensen als Denis Diderot; 1713-1784). Dit zit diep in de aangehangen en geprofeteerde ‘filosofische’ gedachte. Voor Heidegger, zo leest men in het vraaggesprek met Rastier, bestaat er geen ethiek. Het is een effect van een gevaarlijke joods-christelijke overgevoeligheid. Badiou zit in deze groef waar hij opmerkt, dat het nazisme van geen enkel belang is voor de filosofie. Op die wijze is alles om te keren (de genocide in Cambodja was immers evenmin van enig belang voor de filosofie…). Zo wijst Rastier in het vraaggesprek op een auteur als Peter Trawny die Heidegger heden ten dage portretteert als een moedige voorvechter van de vrijheid, waarbij hij tot het uiterste gaat en uitkomt bij een soort anarchist (Freedom to Fail: Heidegger’s Anarchy, 2015), terwijl deze auteur ook heeft uitgegeven Heidegger en het antisemitisme (2014) en dus bekend is met een verwerpelijk type denken.

Filosofen als Zizek en Badiou hebben zo hun eigen manier om zich in te dekken tegen verwijten waarom zij Heidegger als nazi-filosoof trouw blijven. Zizek verklaart nu dat Heidegger niet groot is ondanks (malgré) Hitler, maar dankzij (grace à) Hiltler. Badoiu meent dat men van alles kan zijn (geweest), zoals stalinist, antisemiet en nazi om toch de filosoof van het allergrootste belang te zijn. (geciteerd in Charlie Hebdo nr. 1221, 16 december 2015 in het artikel ‘Kan men heden ten dage nog heideggeriaan zijn?’). In dat artikel wordt daar de retorische vraag van Rastier tegenover gesteld: ‘Een filosofie die oproept tot moord is dat iets anders dan een gevaarlijke ideologie?’. Adieu, Badiou.*

Thom Holterman

BUITEN DE ORDE, nr. 4, 2015, 79 blz., prijs 2,50 euro.

[Beeld materiaal ontleend aan de Franse illustrator, politieke cartoonist en kunstschilder Trez (Alain Tredez). In 1991 ontving hij de prijs voor de Humour noir. Er loopt in Parijs een expositie van zijn werk tot 3 maart 2016 in galerie Lefor Openo.]

* ‘Adieu, Badiou’ (Vaarwel, Badiou) is de titel van de geciteerde bijdrage van Alexis Lacroix in Marianne

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s