Skip to content

Étienne De La Boétie (1530-1563): Over Vrijwillige Slavernij. De Herontdekking Door Gustav Landauer

06/03/2016

Boétie-Standbeeld-Sarlat

In 1907 werd Landauers monografie Die Revolution, een geschiedfilosofische verhandeling over het revolutionaire proces in de historische ontwikkeling van de nieuwe tijd, in de door zijn vriend Martin Buber geredigeerde reeks Die Gesellschaft in het Frankfurter Verlag Rütten & Loening gepubliceerd. Samen met Skepsis und Mystik (1903) en Aufruf zum Sozialismus (1911) behoort het tot één van Landauers hoofdwerken.

In Die Revolution tracht Landauer aan te knopen bij de ideeën die de Franse renaissancegeleerde Etienne de La Boétie (1530-1563; geboren in het Franse stadje Sarlat) in zijn geschrift Discours de la servitude volontaire (Over de vrijwillige slavernij) ontwikkeld had. Gustav Landauer komt de verdienste toe dit werk herontdekt te hebben. Hij zou het geschrift in het Duits vertalen en zijn vertaling in 1910-1911 in Der Sozialist publiceren. Hieronder treft men de vertaling door Johny Lenaerts uit het Duits van betekenisvolle fragmenten over La Boétie uit: Gustav Landauer, Die Revolution, Münster: Unrast-Verlag, 2003. De citaten van La Boétie komen uit: Etienne de La Boétie, De vrijwillige slavernij, vertaald uit het Frans door Dick Gevers en Bart Schellekens, Amsterdam: Uitgeverij Iris, 1999. [ThH]

Boétie.etienne

Etienne de La Boétie

Etienne de La Boétie

[Landauer] […] Laten we een man, La Boétie, ontmoeten naar wie we al dikwijls verwezen hebben, een man die aan de revolutie een universele draagwijdte toeschreef en die haar een psychologie en een klassieke uitdrukkingsvorm verleende. Dit zou ons niet mogen verbazen. In het tijdperk van het individualisme worden de gebeurtenissen voorbereid door genieën, wier werk gedurende een lange tijd zonder gevolg blijft en haast dood lijkt te zijn. Maar het blijft leven en wacht om in de praktijk omgezet te worden door mensen met een sterke geesteskracht, die evenwel niet zo visionair en niet zo eenzaam zijn.

Volgens Montaigne schreef Etienne de La Boétie, die op 33-jarige leeftijd overleed, zijn Discours de la servitude volontaire (Over vrijwillige slavernij) toen hij 16 was. Er zijn redenen om hieraan te twijfelen, maar het was in elk geval op zeer jonge leeftijd en niet later dan 1550. Al zeer vroeg werden er kopieën van het geschrift verspreid, maar het zou pas nà de Sint-Bartolomeusnacht, lang nà de dood van La Boétie, door revolutionairen gepubliceerd worden, zeer tegen de zin van de politicus Montaigne in. Later zou de verhandeling als een bijlage bij Montaigne’s Essays afgedrukt worden, naast Montaigne’s ontroerende herinneringen aan het leven en de dood van zijn jonge vriend.

Etienne de La Boétie was steeds lid van de katholieke kerk gebleven en leek een intieme maar Voltairiaanse vrije opvatting van God gehad te hebben. Als kind van zijn tijd zou hij, net als de 18de eeuw, een aanhanger worden van de natuur en de rede, namen waaronder men niets anders verstond dan een onbevangen manier om de dingen te benaderen en de logica te benoemen; in zekere zin zou men het ook onafhankelijkheid en dapperheid kunnen noemen. La Boétie wierp de vraag op van zijn tijd, indien die tijd in staat geweest zou zijn haar probleem zo diep aan te pakken: hoe kan een heel volk, bestaande uit ontelbare individuen, één enkele persoon toestaan haar te kwellen, te mishandelen en over haar te heersen, tegen haar belangen en tegen haar wil in? Een persoon die geen Hercules of Samson is maar een miserabel wezen, dikwijls het lafste en zwakste wezen van het hele land. Indien we de natuur zouden volgen, zo stelt La Boétie, dan zouden we onze ouders gehoorzamen, de rede verdedigen en zouden we niemands slaaf zijn.

La Boétie wil niet ingaan op de vraag of de rede aangeboren is of niet. Hij laat dit over aan de geleerden. Voor hem is van belang dat de natuur God dient en de mensheid leidt, dat de natuur altijd redelijk is en ons naar hetzelfde beeld en als kameraden en broeders gevormd heeft. Volgens hem heeft de natuur niet degenen die sterker en slimmer zijn de wereld in gestuurd om als gewapende bandieten in een bos zwakkeren met geweld te beroven, veeleer wilde ze ‘plaats inruimen voor broederliefde en wilde ze zorgen dat deze in praktijk gebracht werd, aangezien de een het vermogen heeft hulp te bieden en de ander de behoefte heeft hulp te ontvangen’.

Vrijwillige slavernij

Voorkant.Boeetie

Waar spruit de reusachtige macht van de tiran dus uit voort? Externe dwang kan niet het antwoord zijn. Want indien twee even sterke legers tegenover elkaar staan, en het ene gedreven wordt door machtswellust terwijl het andere zijn vrijheid verdedigt, dan zal het vrijheidsleger winnen. De macht van de tiran spruit voort uit de vrijwillige slavernij van de mens. ‘Hoe zou hij aan al die ogen kunnen komen waarmee hij jullie bespiedt, als jullie hem die niet zouden geven, waar anders dan uit jullie midden zou hij al die handen kunnen halen om jullie te slaan, en de voeten waarmee hij jullie steden vertrapt, dat kunnen toch alleen die van jullie zijn? Hoe kan hij enige macht over jullie hebben, behalve door jullie zelf? Hoe zou hij jullie durven aanvallen als jullie niet met hem samenspanden? Wat zou hij jullie kunnen aandoen, als jullie niet de helers waren van de dief die jullie besteelt, de medeplichtigen van de moordenaar die jullie doodt, de verraders van jullie zelf?’

Waar spruit zoiets ongelooflijks uit voort? Er bestaat een natuurlijke drang naar vrijheid. Indien de dieren hiërarchie en waardigheid zouden kennen, dan zouden ze streven naar vrijheid. Het antwoord op onze vraag luidt als volgt: op een gegeven moment – door een aanval van buitenaf of door interne list – verloren de mensen hun vrijheid. Ze werden gevolgd door individuen die nooit vrijheid gekend hadden en er geen idee van hadden hoe zoet ze is. De gewoonte heeft ons de slavernij bijgebracht. Want de gewoonte is sterker dan de natuur. ‘Hoe goed de natuur ook is, ze gaat verloren als ze niet wordt gevoed, want wij worden altijd gevormd door de manier waarop wij worden grootgebracht, hoezeer die ook ingaat tegen de natuur.’ Net zoals vruchtbomen gemanipuleerd kunnen worden om vreemde vruchten te dragen, zo kunnen mensen gemanipuleerd worden om hun vrijheidsverlies te aanvaarden. De mensen weten tegenwoordig niet beter dan onderdanig te zijn. Het is altijd zo geweest, zeggen ze. ‘Ze maken zichzelf tot bezit van degenen die hen onderdrukken, omdat de tijd dit als iets onoverkomelijks doet voorkomen. In feite geeft de tijd niemand het recht verkeerd te doen, maar ze vergroot het onrecht.’ (Ik herhaal hier deze woorden om te signaleren dat Languet – die deze woorden ook aanhaalt – La Boétie’s geschrift moet gekend hebben.) [Thomas Lanquet (1521-1545), Brits historicus.]

Natuurlijk zijn er enkele individuen die door hun afkomst beter bedeeld zijn dan de massa. Wanneer deze hun welopgevoed hoofd door verdere studie en kennis verbeteren, dan verwerven ze vrijheid. Vrijheid kan volledig aan hun dagelijks leven ontbreken, maar zij kunnen het zich voorstellen. Ze voelen diens geest. Maar ze kennen elkaar niet. Ze zijn beroofd van de vrijheid van spreken en handelen. Ze blijven eenzaam in hun spirituele wereld.

De tweede verklaring waarom de slavernij blijft voortbestaan schuilt in het feit dat ze de mensen uitput en verzwakt. De tirannen hebben altijd al het mogelijke gedaan om bij het volk onzedelijk gedrag, frivoliteit, speelsheid en gulzigheid te stimuleren.

De derde verklaring voor de slavernij is dat de monarchie de godsdienst voor haar eigen belangen wist te gebruiken en de priesters aan zich wist te binden. De kroon werd met wonderen omhuld en de koning werd met de schijn van heiligheid en goddelijkheid bekleed. ‘De leugens waarin het volk gelooft, heeft het steeds zelf gecreëerd.’

De vierde verklaring voor de slavernij schuilt in het feit dat er zich tussen de koning en het volk een speciale klasse genesteld heeft die zich aan beide en aan elkaar tracht te verrijken. En zo ontstaat haast een situatie waarin bijna evenveel mensen van de tirannie profiteren als dat er mensen zijn die baat hebben bij vrijheid. La Boétie’s geschrift levert een prachtige psychologische studie van de hofdienaar. Hij schrijft dat men de koning zou kunnen beklagen door dergelijke kruiperige wezens omringd te zijn. Maar ook met de hovelingen zou men medelijden moeten hebben omdat deze door God en de mensheid verlaten wezens zich zo beschamend laten behandelen.

Standbeeld De la Boétie te Sarlat

       Standbeeld De la Boétie te Sarlat

De boer en de ambachtsman worden weliswaar onderdrukt maar ze moeten enkel doen wat hen opgedragen wordt. Voor hovelingen is dat niet voldoende: ‘Zij moeten denken wat de tiran wil, en vaak, om hem tevreden te stellen, zelfs zijn gedachten raden. Voor hen is het niet voldoende te gehoorzamen, zij moeten ook bij hem in de smaak vallen, zij moeten zich voor hem afbeulen, zich afpeigeren, zich kapot werken; en verder moeten zij behagen scheppen in datgene waarin hij behagen schept, hun eigen smaak vervangen door de zijne, hun eigen aard geweld aandoen, zich ontdoen van alles wat hen aangeboren is, en goed letten op zijn woorden, zijn stem, zijn gebaren en zijn blikken; ze moeten volledig – met ogen, handen en voeten – op de uitkijk staan om zijn wensen te raden en zijn gedachten te ontdekken. Is dat gelukkig leven? Is dat leven? Is er iets ter wereld ondraaglijker, niet voor een verheven mens, niet voor iemand van goede komaf – daar heb ik het niet eens over – maar gewoon voor iemand die gezond verstand of alleen maar het uiterlijk van een mens heeft – is er iets ergers dan zo te leven, zonder iets van zichzelf te hebben, omdat welstand, vrijheid, lijf en leven afhangen van iemand anders?’

Maar volgens La Boétie is ook de koning te beklagen. Hij kan niet beminnen en bemind worden. Enkel onder goede mensen kan er vriendschap bestaan. ‘Er kan geen vriendschap bestaan als er sprake is van wreedheid, trouweloosheid, onrechtvaardigheid.’ ‘Als slechte mensen bij elkaar komen is dat een complot, geen vriendengroep; ze houden niet van elkaar, maar vrezen elkaar; ze zijn geen vrienden, maar medeplichtigen.’

Boétie.Spreuk

‘Zij zijn zo groot, omdat wij op ons knieën zitten.’

Besluit niet meer dienstbaar te zijn

La Boétie vraagt zich af wat er kan gedaan worden tegen de slavernij die over de mensheid gekomen is. Wat kan er gedaan worden tegen deze ramp die voor iedereen een ramp is, voor de koning, voor de hovelingen, voor de ambtenaren, voor de denkers en voor het hele volk? […] Het enige wat we nodig hebben, zegt hij, is het verlangen en de wil vrij te zijn. Wij lijden aan een vrijwillige slavernij. Het lijkt er haast op dat de mensen het schone goed van de vrijheid versmaden omdat ze zo gemakkelijk is: ‘Neem het besluit niet meer dienstbaar te zijn en dan zijn jullie vrij; ik verlang niet dat jullie hem verjagen of omverwerpen; als jullie hem alleen maar niet meer steunen, dan zullen jullie zien hoe hij als een enorme kolos die men van zijn voetstuk heeft beroofd, door zijn eigen gewicht neerstort en aan stukken breekt.’

Vuur kan met water gedoofd worden. Maar samenzweringen die een tiran verjagen of doden kunnen erg gevaarlijk zijn als ze uitgevoerd worden door machtswellustelingen die de tirannie reproduceren. Zulke lieden misbruiken de heilige naam van vrijheid. Bescheiden helden – zoals Harmonidios, Aristogeiton, Thrasybulus, of Brutus de Oude – die hun vaderland bevrijd hadden en het ware vrijheid gaven, zijn zeer zeldzaam. Weliswaar hebben Brutus en Cassius tijdelijk een vorm van vrijheid ingesteld toen ze Ceasar doodden (Ceasar was de gevaarlijkste van alle tirannen omdat hij niet gemeen en brutaal was maar de mensen hun rechten en vrijheden ontzegde onder een waas van menselijkheid en mildheid), maar deze periode kwam, samen met hen, tot een eind.

Het punt is: de tirannie is niet een vuur dat men moet en dat men kan doven. Het is geen extern kwaad. Het is een intern gebrek. Het vuur van de tirannie kan niet van buitenaf met water worden bekampt. De bron moet uitgeschakeld worden. De mensen die haar voeden moeten daarmee ophouden. Wat ze voor haar opofferen moeten ze voor zichzelf houden. ‘Het is niet nodig de tiran te bestrijden. Evenmin is het nodig zich tegen hem te verdedigen. Hij is vanzelf verslagen, zodra het volk weigert onderworpen te zijn. Het is niet nodig hem iets te ontnemen, maar om hem niets te geven. Een volk hoeft zich geen moeite te getroosten voor zijn eigen welzijn, als het maar niets doet dat tegen zijn eigen welzijn indruist… Wanneer men de tiran niets geeft en hem niet gehoorzaamt, dan is hij zonder slag of stoot machteloos en verslagen, dan is hij niets meer, zoals een boom, als de wortel geen vocht en voeding meer krijgt, verdort en afsterft.’

La Boétie’s boek is in Duitsland nauwelijks bekend. In Frankrijk is het pas sinds Lamennais opnieuw verspreid. Ik heb de inhoud van dit geschrift om twee redenen enigszins uitvoerig samengevat. Op de eerste plaats omdat ik meen dat wanneer we de sociale psychologie en de voorwaarden van de revolutie willen bediscussiëren, het beter is te verwijzen naar diegenen die als eerste het wezenlijke daarvan geformuleerd hebben. Op de tweede plaats omdat dit ons in staat stelt niet te hoeven ingaan op denkbeelden van vele latere revolutionairen en revolutionaire bewegingen die ver achter La Boétie gebleven zijn of, in het beste geval, diens denkbeelden herhaalden, zelfs indien sommige van hen momenteel beter bekend zijn.

VrijwilligDienstbaar

Microkosmos van de revolutie

De strijd tegen de tirannen zou nog lang de focus van de revolutie blijven. De woorden van La Boétie zijn nog steeds relevant. Zelfs indien de komende revolutionaire strijd minder zal geconcentreerd zijn op bepaalde individuen en meer op de instelling van de abstracte staat, dienen slechts weinig woorden van La Boétie veranderd te worden om deze nieuwe revolutionaire fase te kunnen begrijpen. Indien de revolutie een steeds terugkerende microkosmos is die de algemene ideeën van de revolutie samenvat en aankondigt, dan is La Boétie’s essay de microkosmos van de revolutie. Het drukt een geest uit die aanvankelijk enkel in negatieve vorm opduikt, maar al snel genoeg positiviteit uit deze negativiteit puurt om het positieve dat komen gaat, uit te drukken, zelfs als het dat nog niet kan beschrijven. Reeds in La Boétie’s essay staat wat anderen later in vele talen zouden zeggen: Godwin, Stirner, Proudhon, Bakoenin, Tolstoj… De boodschap is: het zit in jullie zelf, niet ergens anders; jullie zijn het zelf! […]

Uit: Gustav Landauer, Die Revolution, Münster: Unrast-Verlag, 2003. Vertaling: Johny Lenaerts.

De citaten van La Boétie komen uit: Etienne de La Boétie, De vrijwillige slavernij, vertaald uit het Frans door Dick Gevers en Bart Schellekens, Amsterdam: Uitgeverij Iris, 1999.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s