Spring naar inhoud

Rosa Luxemburg Over Gemeentelijk Socialisme

05/03/2017

rosa-postz

Volgens de Russische anarchist Peter Kropotkin was een sociale revolutie enkel mogelijk via de gemeenten, en waren het enkel de volkomen onafhankelijke gemeenten, bevrijd van de voogdij van de staat, die de weg naar de revolutie konden openen. Het was een standpunt waar de marxiste Rosa Luxemburg zich in kon terugvinden. Zij was noch is een anarchiste geworden. Haar kritische zin kent evenwel een ongekende scherpte waarmee zij zieswijzen fileerde die ook bij anarchisten onder het mes lagen. De Duitse sociaaldemocratie heeft deze marxistische theoretica en activiste dan ook geslachtofferd: samen met Karl Liebknecht is zij onder verantwoording van de sociaaldemocratische ministers Friedrich Ebert en Gustav Noske in de nacht van 15 op 16 januari 1919 vermoord. In de tekst hieronder komt dit niet aan de orde. Ik wil echter voorkomen dat het in de vergetelheid geraakt… Johny Lenaerts werkt een facet van het denken van Rosa Luxemburg uit waar de overeenkomsten met anarchisten duidelijk worden wat het gemeentesocialisme betreft. Het onderwerp heeft bovendien actuele waarde: maatschappelijke veranderingen komen niet van boven, maar van onderop. [ThH]

jaccuse

Dreyfus-affaire

Rosa Luxemburg was 27 jaar toen ze in 1898 in Duitsland aankwam. Ze vestigde zich in Berlijn en sloot zich aan bij de Sociaaldemocratische Partij. Voortaan zou haar naam nauw met de Duitse arbeidersbeweging verbonden zijn. Maar haar interesse strekte zich ook uit naar andere landen van Europa. Ze schreef over de Russische Revoluties van 1905 en 1917, over de strijd voor stemrecht in België, en ze volgde nauwlettend de verwikkelingen van de prille socialistische beweging in Frankrijk. Toen in juni 1899 in Frankrijk voor de eerste keer een socialist een ministerportefeuille aannam, was dat een gebeurtenis die heftige discussies in de internationale socialistische beweging opriep. Het was voor Rosa Luxemburg de aanleiding om haar ideeën over parlementarisme en ‘ministerialisme’ te specificeren. Vanaf het begin had ze grote bezwaren.

De discussie speelde zich af tegen de achtergrond van de Dreyfus-affaire. Dreyfus was een Frans officier die in 1894 gearresteerd werd op grond van valse documenten waaruit moest blijken dat hij voor de Duitsers zou gespioneerd hebben. Het feit dat hij een Jood was had met dit alles te maken. Zijn veroordeling veroorzaakte veel opschudding en talrijke personen – zoals Zola met zijn aanklacht ‘J’accuse!’ – hebben geijverd om hem vrij te pleiten. In deze crisissfeer kwam in 1899 de regering Waldeck-Rousseau tot stand, waarin de socialist Millerand de functie van minister van handel zou bekleden. Hij kon daarvoor op de steun rekenen van de socialistische leider Jean Jaurès. Het feit dat generaal Gallifet, een symbool van de slachting van de Parijse Commune, eveneens van het kabinet deel uitmaakte, mocht volgens Jaurès geen bezwaar zijn om de regering te steunen.

Knecht

Rosa Luxemburg beschuldigde Jaurès ervan de bedreiging van de republiek te overdrijven om de deelname van Millerand aan de regering goed te praten. ‘Het is weliswaar een feit,’ zo stelde ze, ‘dat de sociaaldemocratie, om effectief te zijn, alle bereikbare posities in de huidige staat dient in te nemen en overal op het voorplan moet trachten te treden. Voorwaarde is evenwel dat het posities zijn waarop men de klassenstrijd, de strijd met de bourgeoisie en diens staat kan voeren.’

Een principiële tegenstander van de bestaande orde staat volgens haar voor de keuze: ofwel overal oppositie tegen de burgerlijke meerderheid te voeren – d.w.z. geen actief lid van de regering te worden -, ofwel mee te doen als een radertje in de staatsmachine – en daarbij ophouden een socialist te zijn.

Jaurès ziet volgens haar in de deelname van de socialisten in de burgerlijke regering slechts de logische consequentie van het algemeen aanvaarde principe van deelname aan de wetgevende organen en de gemeenteraden, een verdere ontwikkeling van de socialistische tactiek van een utopisch-sektaire afwijzing naar een actieve realistische politiek. ‘Terwijl,’ aldus Rosa Luxemburg, ‘het parlement een orgaan van de klassen- en fractiestrijd binnen de burgerlijke maatschappij is, en dehalve het meest geschikte terrein vormt voor het systematisch verzet van de socialisten tegen de heerschappij van de bourgeoisie, is de rol van arbeidersvertegenwoordiger in de schoot van de regering vanaf het begin uitgesloten.’

rode-rosa

Niet enkel is de socialist als lid van een hedendaagse regering verplicht, zolang de basis van de burgerlijke maatschappij – het privébezit en de klassenheerschappij – bestaat, burgerlijke politiek te bedrijven. Op basis van de huidige maatschappij kan nu überhaupt enkel maar een burgerlijke politiek beoefend worden. Moest de minister zelfs alle eisen van het socialistisch programma uitvoeren, ook dan zou hij volgens Rosa Luxemburg niet ophouden een burgerlijke minister te zijn. Hij zou dan hooguit de progressieve tendensen van de burgerlijke ontwikkeling dienen. Maar niet genoeg. Het zou snel duidelijk worden dat een minister in de huidige regering niet louter aan de burgerlijke maatschappijorde in het algemeen, maar ook aan de heersende groepen- en kliekjesbelangen gebonden is, dat hij niet louter de knecht van de burgerlijke ontwikkeling maar de knecht van de burgerlijke reactie is. Rosa Luxemburg besluit: ‘De socialist die lid geworden is van de burgerlijke regering heeft niet de sociale politiek van de regering tot werktuig van het socialistisch streven gemaakt maar is daarentegen in zijn sociale politiek een werktuig van de burgerlijke regering geworden.’

Municipalisme

‘Helemaal anders is de kwestie van de deelname aan de gemeenteraad,’ zo stelt Rosa Luxemburg onomwonden. ‘Terwijl de regering de centrale staatsmacht belichaamt, ontspruit de gemeente uit het lokale zelfbeheer ten koste van de centrale macht, als bevrijding van de centrale macht. Terwijl voor de regering de specifieke middelen van de burgerlijke klassenheerschappij – het militarisme, de godsdienst, de handelspolitiek, de buitenlandse politiek – haar feitelijke kern vormen, is de gemeente daarentegen speciaal bestemd om culturele en economische taken te vervullen, dus taken die beantwoorden aan het administratieve mechanisme van de socialistische maatschappij. Daarom zijn de centrale regering en de gemeente in de huidige maatschappij historisch twee tegenpolen. In Frankrijk is de permanente strijd tussen de gemeente en de regering, tussen de burgemeester en de prefecten de concrete uitdrukking van deze historische tegenstelling.’

Daaruit volgt een heel andere socialistische tactiek. De centrale regering van de huidige staat is de belichaming van de burgerlijke klassenheerschappij, diens uitschakeling is de onmisbare voorwaarde voor de socialistische overwinning. Het zelfbeheer van de gemeente vormt de kiem waar een socialistische toekomst uit zou kunnen ontspringen.

De socialisten zouden volgens Rosa Luxemburg hun politieke doelstellingen niet mogen verloochenen: ‘Zolang ze in de gemeenteraden in de minderheid zijn, maken ze precies op dezelfde wijze als in het parlement de oppositie tot richtsnoer van hun handelen. Zodra ze echter een meerderheid vormen, transformeren ze de gemeenteraad zelf om tot een strijdmiddel tegen de centrale macht.’

Dit idee van lokaal zelfbestuur zou het vertrekpunt voor elke socialistische organisatievorm moeten vormen. Het vormde de kern van de Commune van Parijs en van heel de traditie van het democratisch en libertair socialisme. Kropotkin zou zelfs spreken over een ‘municipaal’of ‘gemeentelijk’ socialisme. De ‘federale’ organisatievorm – een term van Proudhon – vloeit daar logisch uit voort.

Volgens Rosa Luxemburg kan de activiteit van de Franse socialisten in de gemeenteraad voor de socialisten van alle andere landen tot voorbeeld dienen. ‘Alleen al de Franse Arbeiderspartij,’ zo schrijft ze, ‘beschikt in meer dan honderd gemeenten over een meerderheid, in honderden gemeenten vormt ze een sterke minderheid. Jaarin, jaaruit, dag na dag voert ze een onvermoeibare positieve activiteit, die op de meest uiteenlopende terreinen plaatsvindt: in het onderwijs, in de gezondheidszorg, op het vlak van de straatverlichting en de waterdistributie, zelfs in het theater en de kunst. En heel duidelijk behoort deze activiteit niet tot het verleden, tot op de dag van vandaag wordt ze in steeds grotere mate bedreven.’

rosa-teken

Rosa Luxemburg geeft het voorbeeld van de gemeenteraad van Roanne: ‘Voor kinderen werden vakantiekolonies georganiseerd. De gemeenteraad besteedde 75.000 francs aan werklozensteun, ze heeft het pensioen voor arbeidsongeschikten met 200 à 300 francs verhoogd, ze garandeert hogere subsidies aan diverse overheidsdiensten, ze heeft een pensioenkas voor het gemeentepersoneel opgericht en hun lonen verhoogd. Er werden gratis gemeentelijke lessen in tekenen en boekhouden georganiseerd. De gemeenteraad heeft eveneens beslist een gemeentelijk kantoor voor arbeidsbemiddeling en een volkskantine op te richten.’ En in Montluçon, zo merkt ze voorts op, ‘heeft de gemeenteraad beslist (met unanimiteit min één stem) om de octrooibelastingen op alle vormen van voedsel en hygiënische dranken af te schaffen en ze te vervangen door belastingen die noch de arbeidersklasse noch de kleine middenstand of kleine handwerkers zouden treffen.’ Het zijn al deze voorzieningen, het resultaat van de arbeidersstrijd van de 19de en  20ste eeuw, die momenteel door de ‘neoliberale’ politiek van zowel ‘links’ als rechts bedreigd worden.

Op straten en pleinen

Rosa Luxemburg stelt reeds in het prille begin van de 20ste eeuw het innerlijk verval van het burgerlijk parlementarisme vast. Ze verwijt Jean Jaurès bij de arbeiders overdreven verwachtingen en illusies over positieve resultaten gecreëerd te hebben. Ze verwijt hem dat hij het parlementarisme tot het uitverkoren middel voor het verwezenlijken van het socialisme gemaakt heeft. En ze stelt de toenemende teleurstelling van de Franse arbeiders over het parlementair stelsel vast. ‘Ze hebben lak aan het parlement en aan alles wat met politiek te maken heeft,’ schrijft ze in 1904. Het zou vandaag kunnen geschreven zijn!

‘De juiste methode is niet om de proletarische klassenstrijd te verdoezelen of af te gelasten,’ zo schrijft ze, ‘maar juist andersom om hier zoveel mogelijk de nadruk op te leggen, zowel in het parlement als daarbuiten. Voor dat doel moet de buitenparlementaire actie van het proletariaat versterkt worden, en de actie in het parlement van onze afgevaardigden moet een bepaalde gestalte aannemen.’

Rosa Luxemburg pleit voor ‘directe actie’ en stelt ‘dat de eigenlijke macht van de sociaaldemocratie niet afhangt van het optreden van de parlementariërs in het parlement, maar dat deze berust bij het volk zelf, “op straten en pleinen”, en dat de sociaaldemocratie in noodgeval het volk zowel wil als kan mobiliseren voor een directe verdediging van de politieke rechten.’

rosa-verzamel

Volgens haar zijn de arbeiders meer aangewezen op eigen actie en zouden ze de strijd in het parlement niet mogen beschouwen als het middelpunt van het politieke leven. De sociaaldemocratie zou de heersende klassen voortdurend moeten confronteren met het socialistisch maatschappij-ideaal. En aan de arbeiders moeten duidelijk maken dat het noodzakelijk is om de gehele maatschappelijke structuur omver te werpen, wil het socialisme verwezenlijkt kunnen worden. Ze besluit: ‘Juist met de ontwikkeling en het sterker worden van de sociaaldemocratie wordt het steeds noodzakelijker, dat zij met name in het parlement zich niet begraaft in vraagstukken van de dag en uitsluitend oppositie bedrijft, maar dat zij in plaats hiervan haar fundamentele beginselen krachtig onderstreept: de strijd voor de machtsovername van het proletariaat, die zal leiden naar de socialistische omwenteling.’

Indien men momenteel de grote meerderheid van de volksklassen rond een programma van geleidelijke ontmanteling van het kapitalistisch systeem wil verenigen (en niet louter een verkiezingsoverwinning wil behalen), dan dient men volgens mij aan te knopen bij de profetische intuïties van deze adelaar van het revolutionair denken.

Johny Lenaerts

Verder lezen:

  • Peter Kropotkin, Paroles d’un révolté (1885), Paris: Flammarion, 1978;
  • Rosa Luxemburg, ‘Die sozialistische Krise in Frankreich’ (1900-1901) en ‘Sozialdemokratie und Parlamentarismus’ (1904) in: Gesammelte Werke, Band 1 (1893-1905), Berlin: Dietz Verlag, 1970;
  • Henriette Roland Holst-van der Schalk, Rosa Luxemburg, Haar leven en werken, Rotterdam: Brusse, 1935;
  • Jean-Claude Michéa, Notre ennemi, le capital, Paris: Climats, 2017.
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: