Skip to content

Hiërarchie En Heerschappij. De Sociale Ecologie Van Murray Bookchin

20/08/2017

        Murray Bookchin

De Belgische libertaire auteur Johny Lenaerts woonde in het voorjaar van 1981 in Leuven een lezing bij van de voor hem totaal onbekende Amerikaanse denker Murray Bookchin. Die was toen 60 jaar en – zo leest hij in zijn biografie – bezig aan zijn magnum opus The Ecology of Freedom. Johny kan zich niet meer herinneren wat de inhoud van de lezing was, maar behield de indruk van een levendige, coherente en rijke voordracht. Na afloop zei er iemand: ‘Hij had deze lezing voor Agalev moeten houden.’ Johny had niets gemerkt van een polemische – zeg maar: twistzieke – inslag, zoals hij dat later terugvond in zijn kritieken op de ‘deep ecology’ en op hetgeen Bookchin ‘lifestyle-anarchisme’ noemde.  

Johny Lenaerts vond laatst tijdens een Citytrip naar Berlijn een Duitse publicatie van Bookchin uit 1981, de periode waarin hij zijn lezing bijgewoond had, en trof daarin de ideeën aan die hij in die tijd verkondigd heeft. Hij werd vooral getroffen door het denkbeeld dat buurtcomités en coöperatieven de armoede van de door het kapitalisme geproduceerde sociale vacuüm dienen te vervangen. Dan zou er ook weer gedachteuitwisseling, dialoog en oordeelsvorming mogelijk worden – in de plaats van de nu heersende ‘feedback’, ‘input’ en ‘output’. Het lijkt Lenaerts een zeer actuele gedachte, die hij hieronder uitwerkt. [ThH]

De vrije, mondige burger

Murray Bookchin (1921-2006) was nog een erfgenaam van de vooroorlogse communistische arbeidersbeweging, maar had in het begin van de jaren 1950 vastgesteld dat zowel het communisme als de arbeidersbeweging hun beste tijd achter zich hadden. In de jaren 1960 en 1970 was hij getuige van de opkomst van de ecologische en feministische beweging, van burgerinitiatieven en buurtcomités – door hem ‘community movements’ genoemd -, die op eclatante wijze het zwijgen doorbraken dat op de ondergang van het socialisme gevolgd was. In de tegencultuur – met de idealen van een leven in gemeenschap, van vrije menselijke verhoudingen, van liefde, seksuele vrijheid, zinnelijk genot in kledij en omgang – zag hij een utopisch denken in  de beste betekenis van het woord. Zelf had hij met zijn geschriften over ecologie en anarchisme in de jaren 1960 aan deze opleving van de contestatiebeweging bijgedragen.

Centraal staat bij hem de problematiek van hiërarchie en heerschappij. In zijn opvatting gaat de ecologie ervan uit dat de oorsprong van de heerschappij van de mens over de natuur berust op de heerschappij van de mens over de mens. Het feminisme gaat nog verder en stelt dat de heerschappij van de mens over de mens voortspruit uit de heerschappij van de man over de vrouw. Op een gelijkaardige manier verklaren de community-bewegingen dat er een nieuw type burger dient tot ontwikkeling te komen – de vrije, mondige burger – om sociale bevoogding door zelfbeschikking te vervangen; dat de burgers zich in nieuwe institutionele vormen zouden moeten verenigen, zoals bijvoorbeeld in volksassemblees, om het heersende staatsapparaat te bestrijden. In overeenstemming met hun eigen logica stellen volgens Bookchin al deze bewegingen niet enkel de klassenstructuur maar vooral de hiërarchie, niet enkel de materiële uitbuiting maar de heerschappij in al zijn vormen ter discussie. Hiërarchische structuren werken tot in de intiemste domeinen van het maatschappelijke en persoonlijke leven door. Volgens Boochin liggen de problemen die ze opwerpen en die in essentie niet veel met de klassenproblematiek te maken hebben, buiten het enge kader van de socialistische en de arbeidersbeweging. Om de logica van de ecologische, de feministische en de community-beweging in hun volle omvang te verbreden, dienen we bijgevolg onze opvatting van vrijheid in verregaande mate uit te breiden voorbij de voorstellingen die we vroeger met dit begrip verbonden hebben.

Eenheid van mens en natuur

Tegenover de reeds duizenden jaren heersende kloof tussen mens en natuur stelt Bookchin dat we een nieuwe eenheid tussen het maatschappelijke en het natuurlijke moeten vinden om te behouden wat in de loop van de geschiedenis van maatschappij en natuur bereikt werd. De reële geschiedenis van de mensheid (die door Marx tegenover de irrationele ‘voorgeschiedenis’ als voorloper van de communistische toekomst geplaatst wordt) moet opnieuw met de natuurgeschiedenis in verbinding gebracht worden. De scheiding van de mens met de natuur, haar enorme ontwikkeling in een geschiedenis die een reusachtige rijkdom aan geest, persoonlijkheid, technische kennis, cultuur en zelfreflectie produceerde, betekent het geestelijk potentieel in de natuur zelf, de geest als latente substantie, die tot bewustzijn komt in een mensheid die zich met de natuurlijke wereld vermengt.

Het is volgens Bookchin tijd dat een ecologische natuurfilosofie zich op basis van vrijheid en bewustzijn met een ecologische maatschappijfilosofie verbindt, een doel dat sinds de tijd van de presocratici in onze westerse filosofie rondwaart. Ongetwijfeld, zo stelt hij, staan de praktische implicaties van deze doelstelling op de eerste plaats. Wanneer we de ecologische catastrofe willen overwinnen, dan moeten we decentraliseren, opnieuw de bioregionale vormen van de productie en van de teelt van voedingsmiddelen invoeren, onze technologieën gedifferentieerder ontwikkelen, ze weer op menselijke maat brengen en overzichtelijke democratische vormen creëren. Voor Bookchin ligt evenwel de betekenis van alternatieve technologieën niet enkel in hun economische bruikbaarheid of in het hergebruik van de energiebronnen; veel meer wordt hij gedreven door de voorstelling dat deze technologieën een hernieuwd contact van de mens met de grond, met de dier- en plantenwereld, met de zon en de wind mogelijk maken, kortom: dat ze tot een nieuwe sensibiliteit voor de gehele biosfeer zouden leiden.

Bookchin zegt gefascineerd te zijn door de capaciteit van het individu om zich met de werkingswijzen van deze nieuwe technologieën vertrouwd te maken, zodat de persoonlijkheid met een nieuw gevoel van zelfzekerheid en autonomie tegenover de materiële aspecten van het bestaan verrijkt wordt. Daarom pleit hij voor de invoering van zonnepanelen, windturbines, organische tuinbouw en dergelijke meer. Bovendien vindt hij de kwestie van decentralisering niet enkel belangrijk omdat ze een betere invoering van de nieuwe technologieën garandeert en beter geschikt is voor bioregionaal gebruik; hij ziet in decentralisering veeleer een mogelijkheid dat de lokale leefgemeenschappen en het individu weer macht over hun eigen aangelegenheden krijgen en dat de libertaire voorstelling van vrijheid als een systeem van directe democratie een authentieke betekenis krijgt. Volgens Bookchin is ‘small’ niet enkel ‘beautiful’ – het heeft ook een ecologische, menselijke en vooral emancipatorische dimensie.

Holistische benaderingswijze

In de ecologie (zoals Bookchin die opvat) komen oeroude wensvoorstellingen van het ‘goede leven’ en de daadwerkelijke stootrichting van de geschiedenis nader tot elkaar. Hij herinnert ons aan de beruchte slogan van de Franse studenten in 1968: ‘Wees realistisch – doe het onmogelijke.’ Bookchin voegt daar iets aan toe: ‘Wanneer we niet het onmogelijke tot stand brengen, dan zal het ondenkbare zich voordoen.’ De utopie, die in de pre-industriële maatschappij nauwelijks méér was dan een droom, wordt met de verdergaande ontwikkeling van de moderne technologie tot een reële mogelijkheid. Bookchin is ertoe geneigd te zeggen dat ze een noodzaak geworden is – indien we de gevolgen van een totaal irrationeel geworden maatschappij, die elk leven op de planeet bedreigt, willen overleven.

Vooral wil Bookchin benadrukken dat hij in de verwerkelijking van een alomvattende eenheid van mens en natuur enkel één aspect van de menselijke aspiraties ziet, namelijk alle scheidingen te overwinnen waarop de hiërarchie sedert eeuwen berust: de scheiding tussen het ‘rijk van de noodzaak’ en het ‘rijk van de vrijheid’, tussen arbeid en spel, stad en platteland, lichaam en geest, man en vrouw, jong en oud, tussen etnische groepen en naties. De holistische benaderingswijze waar hij voor pleit leidt naar een onderzoek van de problemen van de community in hun stedelijke vorm en van het zelfbeheer. Bookchin behandelt bijgevolg niet enkel het thema ecologie maar ook stadsplanning en urbane toekomstperspectieven. Volgens hem is de crisis van de grootstad een uitdrukking van de vernietigende kapitalistische ingreep op de samenhang van maatschappij en natuur.

Zoals eerder gezegd, staat bij hem de problematiek van hiërarchie en heerschappij centraal. Dat is volgens hem het eigenlijke ‘maatschappelijk probleem’ als het om de toekomst van de mensheid gaat – en dat moet volgens hem duidelijk gescheiden worden van het zuiver economische probleem van klassenverbondenheid en uitbuiting van de arbeid. Het maatschappelijk ‘probleemveld’ heeft volgens hem zijn centrum niet in het conflict tussen loonarbeid en kapitaal in de fabriek; men vindt het evenzeer in de tegenstellingen tussen de ouderdomsgroepen en de geslachten in het gezin, in de hiërarchische onderwijsvormen in de scholen, in de machtsaanspraak van de stedelijke bureaucraten en in de etnische scheidingen in de maatschappij. Uiteindelijk vallen deze problemen te verklaren uit de hiërarchische opvatting van bevel en gehoorzaamheid, waarvan de oorsprong in het gezin te vinden is en die enkel hun meest opvallende maatschappelijke vorm in de fabriek, de bureaucratie of het leger vindt. Deze problemen bestonden al voordat het kapitalisme ontstond. Dit wil niet zeggen dat Bookchin een klassenanalyse zou uitsluiten. De klassenanalyse ligt bij hem ingebed in de analyse van de hiërarchische maatschappijstructuren.

Gemeentelijk zelfbeheer

Bookchin pleit ervoor het hiërarchische denken te vervangen door een ecologisch denken. Hij pleit voor een revolutionaire reconstructie van alle maatschappelijke verhoudingen en instellingen, voor de creatie van een volkomen nieuw economisch systeem, waarin het niet louter om de ‘democratie op de werkplaats’ gaat maar om een esthetisering van de menselijke creatieve kracht, de opheffing van hiërarchie en heerschappij in alle domeinen van het persoonlijke en het maatschappelijke leven, en de reïntegratie van sociale en natuurlijke gemeenschappen in een gezamenlijk ecosysteem.

Waar kan dit project verwerkelijkt worden? Beslist niet in de huidige arbeidsplaats, stelt Bookchin, of het nu in de fabriek of in het kantoor is. In de fabrieken van de VS heerst volgens hem een absolute stilte, terwijl in de steden, vooral in de getto’s en in bepaalde andere stadswijken, dat geenszins het geval is. De Amerikaanse arbeiders zijn momenteel gemakkelijker te bereiken als buur en burger en ze staan in die hoedanigheid ook veel meer open voor nieuwe ideeën dan in de fabriek als loonarbeider. De hoedanigheid van de arbeider als vrouw of als man, als vader of moeder, als stadsbewoner, als een jongere of een oudere, als een slachtoffer van de milieuvervuiling, als een dromer (de lijst is schier eindeloos) treedt volgens Bookchin meer en meer op de voorgrond.

Net zoals de gecentraliseerde staat momenteel synoniem is voor de nationale staat, zo is de maatschappij volgens Bookchin in toenemende mate identiek met lokale community. In een wereld waarin de staat en de economie meer en meer gecentraliseerd en met elkaar vervlochten worden, betekent de roep naar weder toe-eigening van gemeenschap, autonomie en directe democratie een vorm van verzet tegen de groeiende staatsautoriteit.

Volgens Bookchin kan bijgevolg gemeentelijk zelfbeheer gemakkelijk tot uitgangspunt voor een constellatie van maatschappelijke instellingen worden, die een brede basis hebben, direct democratische en werkelijk volkse instellingen zijn, en die vanuit hun aard in directe oppositie tegenover de alles doordringende staatsinstellingen staan. Bookchin twijfelt er niet aan dat in het gemeentelijk zelfbeheer een potentieel voor een libertair radicalisme schuilt. Ze vormt het kader voor directe sociale relaties, voor een democratie op persoonlijke basis en voor een goed buurtleven.

Bookchin geeft toe dat op zich de gemeente als maatschappelijke kracht vrijwel hulpeloos is. Daarenboven blijft ze, in de mate dat ze de politieke instellingen van de staat in stand houdt, niet enkel een maatschappelijk weinig actieve eenheid, maar een staat in miniatuurvorm. Maar, zo werpt Bookchin op, in de mate waarin lokale controle de vorm van vrije volksassemblees aanneemt, in de mate waarin zelfhulp de municipalisering van de grondstoffen betekent, en uiteindelijk in de mate waarin de administratieve coördinatie van de gemeenschappelijke aangelegenheden door afgevaardigden en niet door ‘vertegenwoordigers’ geschiedt – in die mate houden de gemeenten op staatsinstellingen te zijn. Bookchin droomt van een confederatie van zulke gemeenten als uitgangspunt voor een authentieke volksbeweging die zou leiden naar het geleidelijk afsterven van de staat. Tegen zijn anarchistische achterban stelt Bookchin nadrukkelijk: ‘Stadspolitiek is er niet a priori toe veroordeeld staatspolitiek te worden.’

Het was voor mij verheugend deze denkbeelden in hun oorspronkelijke vorm nog eens te kunnen lezen. In die oude teksten staan nog vele schitterende ideeën. Het is dan ook met grote voldoening dat ik vernomen heb dat Kelderuitgeverij (Utrecht) in september een bundel van acht essays van Bookchin over directe democratie zal uitbrengen.

Johny Lenaerts

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: