Skip to content

Mei 1968, Hoogtepunt Van Woede En Begeestering

29/03/2018
tags:

Het onlangs verschenen nummer 200 van het anarchistische tijdschrift de AS heeft als thema ‘1968’. De mei maand van dat jaar geldt als hoogtepunt (‘mei 68’). Dit alles ligt inmiddels een halve eeuw achter ons. Hoe kijken we daartegenaan zonder nostalgisch te doen? Langs verschillende lijnen wordt met een aantal bijdragen van diverse auteurs op deze vraag ingegaan. Daarbij gaat het niet om het vinden van hét antwoord, maar om verstrekking van inzicht-verwervende overwegingen en historische terugblikken. Ze moeten het bijvoorbeeld mogelijk maken de actuele (politieke) situatie beter te doorgronden. Wat treft men in dat AS-nummer zoal aan?

Woede en begeestering

Het jaar 1968 is het jaar van woede en begeestering schrijven Boudewijn Chorus en Martin Smit. Zij geven een historisch overzicht van wat er in de wereld aan de hand was in de voorafgaande jaren en zij maken duidelijk hoe in 1968 de woede (politiek) vorm kreeg in naar revolutie neigende revoltes. Rudolf de Jong schrijft wat hij op het hoogtepunt, mei 1968, in Parijs meemaakte. Bas van der Plas, Jan Bervoets en Roel van Duijn bespreken bepaalde facetten van dat hoogtepunt en de effecten ervan. Martin Smit gaat in op de verschillen van inzicht omtrent mei 1968 van twee bekende anarchisten in die dagen, te weten Arthur Lehning en Anton Constandse.

Aan twee gezichtsbepalende activisten uit die tijd wordt in de AS op verschillende wijze aandacht besteed. Van de een, Daniel Cohn-Bendit, is een uit het Duits vertaald vraaggesprek over ‘1968’ voor Der Spiegel in 2016 opgenomen. De ander is Guy Debord. Hij is een van de oprichters tevens leider van de Situationistische Internationale (opricht 1957). In de beschouwing van Johny Lenaerts in de AS worden ideeën van de situationisten besproken in relatie tot mei 1968. Zijn beschouwing kan in samenhang gelezen worden met Thom Holterman’s bijdrage, getiteld ‘Over mei 1968 – mei 2018: het kan verkeren’. Aan Johny Lenaerts ontleen ik het volgende.

Revolte en situationistische inzichten en praktijken

‘Vanaf het begin van de jaren 1960 schrikken de situationisten er niet voor terug te spreken over een ‘nieuwe armoede’: in de arbeid is elke handeling van zin ontdaan, in de vrije tijd worden de individuen gereduceerd tot passieve consumentenslaven. Deze maatschappij atomiseert de mensen tot geïsoleerde consumenten, die niet meer in staat zijn tot creativiteit, zelfs niet meer tot de meest elementaire communicatie. De mensen leiden een passief bestaan, opgesloten binnen het kader van het gezin. Hun leven wordt gedegradeerd tot de zuivere banaliteit van de herhaling, gecombineerd met de verplichte absorptie van een spektakel dat eveneens herhaling is. De maatschappij van de consumptie en van de vrije tijd wordt beleefd als een maatschappij van de lege tijd, als consumptie van de leegte’.

Het kan niet uitblijven dat een groter aantal mensen dit gaat beseffen zodat het een context gaat vormen voor de opleving van een verzetsgolf die de wereld overspoelt. ‘De situationisten raken zelf actief betrokken bij een aantal bewegingen. Zij beoefenen daarbij de praktijk van het schandaal, dat zij in het begin van de zestiger jaren bij de nozems waargenomen hadden’. Zij gaan verdraaide strips uitgeven bijvoorbeeld in het toenmalige Spanje van Franco. ‘Het ging om een nieuwe propagandavorm waarin bijvoorbeeld een naakt meisje uit een pornoboekje door middel van een subversief tekstballonnetje zegt: ‘De emancipatie van de arbeiders zal het werk van de arbeiders zelf zijn’, of ‘Ik ken niets beters dan te slapen met een mijnwerker van Asturias. Dat zijn pas mannen!’. Op die manier werd zowel de zuiver politieke als de morele censuur van de kerk geprovoceerd’.

Naar aanleiding van een door een situationist uitgebrachte brochure Over de armoede van het studentenmilieu (1966) verwerkt Johny Lenaerts nog het volgende. ‘Met slogans die aan zinnen van Marx ontleend waren (‘de schaamte nog beschaamder maken door haar openlijk ten toon te spreiden’) vatte het geschrift haast een decennium van situationistische teksten op 28 bladzijden samen, die de draak staken met de universiteit (‘de geïnstitutionaliseerde organisatie van de onwetendheid’), de professoren, het ‘idee van de Jeugd’ (een kapitalistische ‘reclamemythe’), de ‘beroemdheden van het Onbenul’ (Sartre, Althusser, Barthes), de moderne cultuur, en niet te vergeten de arbeidsethiek, de regering, de economie, de kerk en het gezin. Als de zwijgzame partner van de burgerlijke hegemonie werden traditioneel links en alle uiterst linkse partijtjes naar dezelfde vuilnisbelt verwezen’.

Toen de ‘Meirevolutie’ vlamvatte, ‘sloeg deze snel over naar alle sectoren van het sociale leven, en bereikte alle controlepunten van het kapitalisme en de bureaucratie. Het feit dat de stakingsbeweging – waar zo’n tien miljoen arbeiders aan deelnamen – zich uitbreidde naar activiteiten die in het verleden altijd ontsnapt waren aan de subversie, bevestigde volgens de situationisten twee oude stellingen van hun analyse: dat de toenemende modernisering van het kapitalisme de proletarisering van steeds grotere lagen van de bevolking veroorzaakt; en dat als de consumptiemaatschappij haar macht tot elk aspect van het leven uitstrekt, het overal een uitbreiding en verdieping van tegenkrachten oproept’. ‘De consumptie waar men het over heeft is alleen die van de waar, zo stellen de situationisten. Het is een hiërarchische consumptie die voor iedereen toeneemt, op een manier die steeds tot hiërarchischer verhoudingen leidt’.

‘De daling en de vervalsing van de gebruikswaarde in de moderne waar voor iedereen, hoewel in ongelijke mate, is duidelijk. Iedereen beleeft deze spectaculaire en reële warenconsumptie in een fundamentele armoede. De situationisten geven toe dat ook de arbeiders hun leven verspillen met het consumeren van het spektakel, van de passiviteit, van de ideologische en de warenleugen’. Dit alles neemt niet weg dat, ‘de rijkdom van de revolutionaire situatie in Frankrijk volgens de situationisten zijn uitdrukking vond in de spontane overname door de arbeiders van een groot aantal kritieken op hiërarchie, de waar, de ideologie, overleving en het spektakel. De twee boeken die de situationisten tijdens de laatste twee weken van 1967 gepubliceerd hadden – De Spektakelmaatschappij van Guy Debord en Handboek voor de jonge generatie van Raoul Vaneigem – vonden een ruime weerklank, zoals overigens al aan de inscripties op de muren van Parijs en elders viel af te lezen’.

En dan besluit Johny Lenaerts als volgt. ‘De situationisten zagen in de mei-gebeurtenissen “het grootste revolutionaire moment dat Frankrijk gekend heeft sinds de Commune van Parijs”. Terugblikkend denken zij vol leedvermaak aan al degenen die wel enige interesse getoond hadden in enkele elementen van hun theorie maar betreurd hadden dat zij hun heil verwacht hadden van een terugkeer van de sociale revolutie – en deze ‘hypothese’ als ongeloofwaardig van de hand gewezen hadden. “We hebben wind gezaaid, we zullen storm oogsten”. Zo hadden de situationisten, niet zonder megalomanie, in het begin van de jaren zestig geschreven. Op 1968 kunnen zij met voldoening terugblikken’.

Kortom, 2018 zou wel eens Act 2 kunnen opleveren van ‘Wij gaan door met de strijd!’.

Thom Holterman

De AS 200, thema ‘1968’, 66 blz., prijs 7,50 euro.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: