Spring naar inhoud

De Pedagoog Houdt Niet Van Kinderen – Henri Roorda (1870-1925)

29/04/2018

               Henri Roorda

Honderd jaar geleden verscheen van de Frans-Zwitserse libertaire docent en pedagoog Henri Roorda (1870-1925) zijn Franstalige geschrift getiteld Le pédagogue n’aime pas les enfants (1917) – De pedagoog houdt niet van kinderen. Eind vorig jaar zag dat opnieuw, nu in een schitterende facsimile uitgave, het licht. De tekst is voorzien van een voorwoord van de oudgediende libertaire auteur en onderzoekster, Marianne Enckell, die zich al jaar en dag inzet voor het CIRA (Centre International de Recherches sur l’Anarchisme). Het nawoord is van de Zwitserse literatuurdocent Doris Jakubec. Opgenomen zijn eveneens twee korte teksten met eerbetoon aan Henri Roorda, geschreven door twee oud-leerlingen van hem (de ene eerder gepubliceerd in 1945, de andere in 1958). De uitgave is voorzien van foto’s en ander beeldmateriaal.

[De foto op de omslag van het boek (voor- en achterkant) is van Paul Vallotton (1864-1936), de broer van de schilder en tekenaar Félix Vallotton. Rechts ziet men Henri Roorda die de kinderen Vallotton en zijn dochter Béatice vermaakt, in gezelschap van Dithée Vallotton, echtgenote van Paul en Roorda’s echtgenote Lili.]

Henri Roorda, een libertaire pedagoog

Henri Roorda is een merkwaardige persoonlijkheid over wie ik een kleine tien jaar geleden, naar aanleiding van de uitgave van een pedagogisch boekje over hem [op de site De Vrije], het volgende schreef. Henri Roorda is de zoon van de Nederlander Sicco Roorda van Eysinga, die zelf in Nederlands-Indië geboren was en daar als ambtenaar dienst ging doen. Op enig moment heeft hij het voor de Nederlandse regering volledig verbruid met zijn anti-kolonialistische getuigenissen. Hij wordt uit het koloniaal gebied verbannen. Vervolgens gaat hij in vrijwillig ballingschap in België alwaar Henri in 1870 in Brussel wordt geboren.

Vanaf 1872 verblijft het gezin Roorda in de omgeving van het meer van Genève. Na een verhuizing in dezelfde buurt wonen zij vanaf 1881 naast de familie Reclus, die uit Frankrijk is verbannen. Af en toe brengt Domela Nieuwenhuis hen en de familie Reclus een bezoek. Henri, die nog bij Élisé Recus op de knie heeft gezeten, krijgt zo het anarchisme in verschillende facetten met de paplepel ingegeven. Hij studeert wiskunde en ontwikkelt zijn eigen libertaire ideeën over onderwijs en publiceert daarover regelmatig in diverse libertaire Franstalige tijdschriften alsmede verwerkt hij ze in diverse brochures. De tekst waaraan ik hier aandacht besteed, staat dan ook niet op zichzelf.

Henri Roorda heeft zo’n vijfentwintig jaar in het (voortgezet)onderwijs gezeten als wiskundedocent. Wat hij steeds onderkend heeft en waar hij zich aldoor tegen verzette, is de vorming van volgzaamheid, van onderdanigheid. Een eerste lang artikel daarover in het tijdschrift L’Humanité nouvelle (1898) is getiteld ‘De school en de vorming van onderdanigheid’; later zal hij in L’École rénovée (april 1909) schrijven ‘Over de intellectuele volgzaamheid van scholieren’. En dan volgt zijn boek in 1917 met als titel De pedagoog houdt niet van kinderen. Is dat echt zo? Roorda legt het uit.

                    Henri Roorda

Ook in de tijd van Roorda bestond er een veelheid van soorten scholen. Naast het lager en voortgezet onderwijs (lyceum, gymnasium), kende men speciaal of vakonderwijs. Waar Roorda over ‘school’ schrijft, gaat het over het eerste type (lager en voortgezet onderwijs). Daarover legt hij de zweep. Hij kan dus opmerken, zoals hij in zijn boek doet, dat er scholen bestaan waar jonge mensen zich kunnen specialiseren (vakonderwijs). Maar, zo schrijft hij, we hebben nog geen school waar het kind zich zou kunnen ontplooien. En daarmee raakt hij de pretentie van het lager en voortgezet onderwijs in het hart. In oppositie tegen die visie bijvoorbeeld wordt hij wel geconfronteerd met het belang van het uit het hoofd leren van namen van personen, wat niets met ontplooienvan doen heeft. Want het heet enkel: ‘Er zijn vele namen die te belangrijk zijn om niet te kennen’. Hij legt betreffende dan voor: ‘Zeker, het kan zo zijn dat er zeer belangrijke dingen zijn die kinderen moeten kennen: het betreft evenwel dingen waar de school zich nooit mee bezighoudt…’.

Met zijn De pedagoog houdt niet van kinderen richt hij zich tot de school. De onderwijzers die hij kent doen hun best, maar in zijn ogen houden ze niet genoeg van kinderen, omdat ze niet ten strijde trekken tegen het schoolsysteem dat hen onderwerpt. ‘Door de verwerpelijke tendensen van onze oude pedagogie te personifiëren, kan ik ze met nog meer energie aanvallen. Daar komt bij, de tekst had een titel nodig!’.

Behoeften van de Moderne Maatschappij

De inhoud van het onderwijs in ons huidige tijdperk moet, naast aan andere vereisten, voldoen aan wat ‘maatschappelijke relevantie’ wordt genoemd. Zonder veel omwegen is te zeggen, dat die relevantie vooral door de behoeften van het (multinationale) bedrijfsleven worden bepaald – want voor loodgieter, elektricien of automonteur gaat het om vakkennis, die gedegen hoort te zijn. Al een eeuw geleden schreef Henri Roorda over de bedoelde relevantie in termen van de ‘Behoeften van de Moderne Maatschappij’. Daaraan worden mensen aangepast en daarmee wordt al in een vroeg stadium, dus op school, begonnen. De bedoelde behoeften hangen ten nauwste samen met onderdanigheid.

Het is al zo ver, lezen we bij Roorda, dat men zich beklaagt over jonge moeders. Zij weten niet methodisch van hun kinderen te houden. Hij oppert dan: gaat men niet weldra verplichte cursussen voor moeders organiseren om hen duidelijk te maken hoe men kleine kinderen voorbereidt om onderdanige scholieren te zijn? Wij weten dat in ons tijdperk de overheid die verantwoordelijkheid van ouders heeft overgenomen door verplicht onderwijs voor kleintjes in te richten, waarin zij met ‘taakjes’ in een gareel worden geperst.

Met deze en andere invullingen van de ‘Behoeften van de Moderne Maatschappij’ wordt geheel voorbijgegaan waaraan men volgens Roorda heeft te denken: de eeuwig gevoelde behoefte door elk jong kind om aan de waterkant te spelen, in het open veld of waar dan ook met vriendjes rond te darren. In plaats daarvan moeten ze stil zitten in de schoolbanken, waarbij de veroordeelden, zoals Roorda ze noemt, vaak hun hoofd naar het raam draaien. Dat brengt de pedagoog in verlegenheid van wie het essentiële werk is…hoofdarbeid!

Die hoofdarbeid bestaat, zo wordt gepretendeerd, uit cultiveren. Dat werkwoord verwijst naar het zodanig bewerken van grond dat die vruchtbaar wordt. Helaas!, slaakt Roorda, de school maakt de geesten die ze bewerkt niet vruchtbaar. Men zegt ook graag dat de school het kind leert leren, dat wil zeggen het in staat stellen zelf te studeren. Het idee is uitstekend, maar er komt niets van terecht. Roorda geeft met tal van voorbeelden aan waarom dat niet lukt en hoe het anders zou moeten. Welke educatie ten behoeve van gebruik van intelligentie is aan te raden? Eerst: waarnemen en vergelijken, dan (be-)oordelen. Als je kinderen dat bijbrengt, kan je je afvragen of dit niet het totaal van onnozelen aanzienlijk in aantal zal doen verkleinen, schrijft hij.

Roorda spreekt zich ook uit voor thematische behandeling van ogenschijnlijk gescheiden kwesties. Zo merkt hij het bestaan op van vakken als aardrijkskunde en geschiedenis. Maar dit zijn vakken die in elkaar overlopen als je het belang van omgeving en moment samenneemt, geeft hij aan. Daarmee toont hij de methodologie niet te veronachtzamen – wat eveneens aan vele voorbeelden die hij geeft, is af te leiden.

Zijn tirade tegen de School heeft hij opgebouwd uit een aantal hoofdstukken. Het slothoofdstuk is getiteld ‘De school en de toekomst’. Daarin treft men de paragraaf ‘De school en de sociale kwestie’. We mogen niet vergeten dat Henri uit een nest komt waarin die kwestie een belangrijke rol speelt. Zoals hiervoor opgemerkt, is zijn vader Sicco Roorda van Eysinga op Java ambtenaar geweest, die zich verzette tegen wat aldaar aan uitbuiting plaatsvond. Zijn kritiek kwam hem op verbanning uit Indië te staan. Sicco Roorda viel op enig moment ook koning Willem III aan, waarbij de spotnaam ‘Koning Gorilla’ in 1886 werd gemunt. Onder redactie van Sicco Roorda verscheen de brochure Uit het leven van Koning Gorilla. En van jongs af aan kwam Henri in contact met anarchisten, alleen al omdat het gezin naast het huis van Élisée Reclus woonde.

Vreemd is het dan ook niet dat Henri in het laatste hoofdstuk er nog eens op wijst dat, wat je verder ook over de school zegt, de vorming die alle scholieren ontvangen van nature strekt tot formeren van onderdanige geesten, van burgers die makkelijk regeerbaar zijn. Het schoolregime waaraan zij onderworpen zijn, ontneemt hen beetje bij beetje hun stoutmoedigheid en hun nieuwsgierigheid. Waar haal je dat vandaan? Wel, kijk in de gebruikelijke geschiedenisboekjes, schrijft hij in zijn boek. Die leren dat het eerder gaat om interesse te laten ontstaan voor mannen uit het verleden die gecommandeerd hebben en die van alles hebben vernietigd, dan dat het gaat om hen die hebben gewerkt en gecreëerd.

Zo’n tekst als die van Henri Roorda is niet meer van onze tijd? Wacht even. Zelfs minister-president Mark Rutte refereerde nog niet zo lang geleden aan die door Henri genoemde mannen, met zijn oproep dat Nederland naar de sfeer van de Gouden Eeuw moest terugkeren. Daarmee bracht Rutte een andere minister-president (Balkenende) in herinnering die pleitte voor het tonen van een VOC-mentaliteit. Dat wil dus zeggen de mentaliteit van roven, brandstichten, vermoorden en voeren van een koloniaal bewind. Dat correspondeert dus in de ogen van regeringsleiders met de ‘Behoeften van de Moderne Maatschappij’.

Onderwijs voor volwassenen

Waar Henri Roorda zich 100 jaar geleden tegen verzette, blijkt nog lang geen verleden tijd. Dat is mede op te maken uit een vraaggesprek in het Franse weekblad Marianne van 30 maart – 5 april 2018. Dit vraaggesprek, gevoerd met de Franse onderwijssocioloog Emmanuel de Lascure, docent aan de universiteit Paris-Descartes, sluit aan bij de geconstateerde sterke uitbreiding van onderwijs voor volwassenen in Frankrijk. Een van de vragen luidde: Waar komt die groei vandaan? Uit het antwoord blijkt dat het volgen ervan als een reactie wordt gezien op teleurstellende schoolse ervaringen. Lascure: ‘Het gaat om een soort ‘reparatie’. Natuurlijk geldt voor velen ook, dat het een vervolg is op een hobby. Er is een begeerte om te weten, maar dan wel een weten dat ligt in het verlengde van een bezigheid’. Dat is juist een libertair uitgangspunt ook bij Henri Roorda terug te vinden.

De daarop aansluitende vraag is, of dat dan komt omdat de school zijn rol niet meer vervult? Lascure dan weer: ‘Een student die een beetje filosoof, een beetje dichter is, die geen zin heeft in onmiddellijke professionalisering, kon inderdaad zijn tijd doorbrengen om Homerus met plezier te bestuderen. Dit profiel is aan het verdwijnen, want de aanmaning door de politieke instituties aan universiteiten is (..) professionele opleidingen ontwikkelen. De student met liefde voor kunst verdwijnt ten voordele van de calculerende student. En die maakt strategische keuzes met het oog op wat hij in zijn CV kan zetten…’. Ook hier zien we hoe de ‘Behoeften van de Moderne Maatschappij’ dwingende sturing uitoefenen op het curriculum. Dit gold in Zwitserland van toen, in Frankrijk van nu en ook in Nederland.

Knellende banden

Alles wat tot nu toe over school aan de orde is geweest, geldt zaken die ogenschijnlijk buiten Nederland vallen. Maar landsgrenzen gelden niet voor de neoliberale wind. Schoolsystemen, diploma’s en afstudeertitels zijn verschijnselen zonder grenzen geworden door uniformerering (althans afstemming op elkaar). De marktgerichtheid van de opleidingen en de concurrentiedrift wordt overal uitgespeeld op micro- (in de klas), meso- (instituten) en macroniveau (nationaal/internationaal). Het rendementsdenken dat druk op presteren legt, heeft in zich een ‘generatie van zombies’ op te leveren. Voor de beheerstechniek van dit stelsel worden met behulp van ‘benchmarking’ (kwaliteitsbewaking) en ‘monitoring’ (gegevensverzameling en opslag van gegevens) bestuurstechnische kaders gevormd waarbij kinderen al tot grafiekjes en balletjes-diagrammen zijn teruggebracht. Zij vormen voor het onderwijzend personeel en voor het kind knellende banden. Er moet immers worden voldaan aan de ‘Behoeften van de Moderne Maatschappij’, niet dus aan de behoeften van het kind. Daarmee zijn we 100 jaar terug, bij Henri Roorda en zijn Pedagoog die niet van kinderen houdt.

Hoe dit uit pakt laat zich raden. Zo wordt het binnen de lijntjes inkleuren beoefend om te controleren of het wel goed zit met de fijn-motoriek van het kind. Een kind kan daar gewoon een gruwelijke hekel aan hebben en meer plezier beleven aan het buiten de perken te treden. Door zo te handelen voldoet het tegelijk niet aan de toetsing. Conclusie: er is iets met de fijn-motoriek niet in orde… Iets dergelijks komt men op de lagere school tegen waar het kind moet leren lezen. Dat laatste is uiteraard verstandig en nuttig. Maar een kind dat weigert aan de leesopdracht te voldoen omdat het op dat moment andere interesses heeft, lijkt bij het lezen ‘achter’ te blijven. Uit eigen ervaring heb ik bij een dergelijk kind grote leeshonger én -vermogen kunnen constateren. Maar ja, op het moment van toetsing was niet voldaan aan de opdracht van de juf… Welk een weerzin tegen school wordt hier ontwikkeld! Henri Roorda verwerkt het herhaaldelijk in zijn boek.

Voorloper

Henri Roorda past als pedagoog in de libertaire stroom waarin men de Spaanse pedagoog Francisco Ferrer (1859-1909) met zijn ‘moderne school’ aantreft. Henri heeft diens werk in zijn libertaire kring in Lausanne bepleit. Ik zie in hem een voorloper van mensen als de Amerikaanse libertaire maatschappijcriticus, dichter, psychotherapeut Paul Goodman. Goodman pleitte onder meer voor ‘incidental education’, ‘learning by doing’. Diens teksten zoals Growing up absurd (1956) en ‘Education of the Young’ in New Reformation (1969) stralen de sfeer uit van de Pedagoog die niet van kinderen houdt. De Zwitserse uitgever en de Association des Amis de Henri Roorda hebben er goed aan gedaan een fraaie heruitgave te bezorgen van de pedagoog die Henri was.

Thom Holterman

ROORDA Henri, Le pédagogue n’aime pas les enfants[1917], voorwoord Marianne Enckell, nawoord Doris Jakubec, Éditions HumuS, Lausanne, 2017, 155 blz., geïllustreerd.

[Beeldmateriaal van de schilder en tekenaar Félix Vallotton.]

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: