Spring naar inhoud

Over Het Gebruik Van De Vrije Tijd. ‘Internationale Situationniste’ (III)

07/10/2018

Dit jaar wordt mei 68 herdacht. Het kan geen kwaad om verschijnselen naar voren te halen die in die periode aandacht kregen en die na een halve eeuw nog steeds de aandacht vragen. De situationisten waren sterk in het formuleren van kritiek op bestaande praktijken. Zij gaven op onregelmatige momenten het tijdschrift Internationale situationniste (IS) uit (1957-1972). Een tijdje terug kreeg ik de vertaling uit het Frans in handen van een aantal artikelen gepubliceerd in dat tijdschrift. Ik selekteerde er enkele en bewerkte die. Inmiddels heb ik twee ervan gepubliceerd. Hier volgt het derde stuk. Dat gaat over vrije tijd. Het is in ‘Redactionele gedachten’ onder het kopje ‘Sur l’emploi du temps libre’ opgenomen (IS nr. 4, 1960, p. 3-5). Dit thema zou in onze tijd mede geëvolueerd kunnen worden in het licht van wat de Amerikaanse libertaire antropoloog David Graeber publiceert over ‘bullshit jobs’. [ThH]

De grofste banaliteit van de linkse sociologen van de laatste jaren is de nadruk op de rol van de vrijetijdssector, als overheersende factor in de ontwikkelde kapitalistische maatschappij. Dit vormt de inzet van eindeloze debatten over het pro of contra van het belang van de reformistische verheffing van het levensniveau; of van de deelname van de arbeiders aan de heersende waarden van een maatschappij waarin zij steeds meer geïntegreerd worden. Het contra-revolutionaire karakter van al dit geklets ligt in de benadering van vrije tijd als een passieve consumptie, als de mogelijkheid om steeds méér toeschouwer te zijn van de gevestigde onzin.

Het tijdschrift Socialisme ou Barbarie (nr. 27) was gewijd aan een goedbezocht colloquium van dit type onderzoekers (Arguments, nr.12-13) [Frans filosofisch tijdschrift in die jaren]. Het riep de deelnemers tot de orde door hun mythologische werken terug te plaatsen in de hemel van de sociologen. Canjuers schreef:  ‘Omdat het moderne kapitalisme, om de consumptie steeds meer te kunnen ontwikkelen, in dezelfde mate de behoeftes ontwikkelt, blijft de onbevredigdheid van de mensen onveranderd. Hun leven neemt geen andere betekenis aan dan die van een loop naar de consumptie, in wier naam men de meer en meer radicalere frustratie van elke creatieve activiteit, van elk waarachtig menselijk initiatief rechtvaardigt. Dit wil zeggen dat deze betekenis voor de mensen minder en minder waardevol lijkt…’.

Vervolgens merkte Delvaux op dat het probleem van de consumptie nog kan gedeeld worden door de grens armoede-rijkdom: 4/5 van de gesalarieerden zou onophoudelijk in moeilijkheden verkeren. En vooral zou er helemaal geen reden voor ongerustheid zijn als het proletariaat wel of niet deelneemt aan de waarden omdat ‘er geen zijn’. En hij voegde er de essentiële vaststelling aan toe dat de cultuur zelf  ‘… meer en meer gescheiden is van de maatschappij en van het leven van de mensen – schilders die schilderen voor de schilders, schrijvers die schrijven voor de romanschrijvers over de onmogelijkheid een roman te schrijven –, en in haar meest originele aspect, niet méér is dan een onophoudelijke zelf-aanklacht, aanklacht van de maatschappij en woede tegen de cultuur zelf.’

De leegte van de vrijetijdsbesteding is de leegte van het leven in de huidige maatschappij, en kan niet bevredigd worden in het kader van deze maatschappij. Het wordt getekend, en tezelfdertijd verhuld, door heel het bestaande culturele spektakel waarin men drie grote vormen kan onderscheiden.

Kattengejammer

Er bestaat nog steeds een ‘klassieke’ vorm, die in zuivere staat verkeerd of die verlengd door imitatie wordt gereproduceerd (bijvoorbeeld de tragedie, de burgerlijke beleefdheid). Er bestaat vervolgens een oneindig aantal aspecten van een geërodeerd spektakel, dat de voorstelling vormt van de heersende maatschappij ten dienste van de uitgebuitenen voor hun eigen mystificatie (televisiespelen, de quasi-totaliteit van de film en de roman, de auto als teken van maatschappelijk prestige). Ten slotte bestaat er een avant-gardistische negatie van het spektakel, dat zich dikwijls niet bewust is van zijn motieven, en dat gevormd wordt door de huidige cultuur ‘in wat het origineel is’. Het is vanuit de ervaring van deze laatste vorm dat de ‘woede tegen de cultuur’ tot uiting komt en zich uiteindelijk vertaalt tot dezelfde onverschilligheid die proletariërs als klasse hebben ten aanzien van alle vormen van de cultuur van het spektakel. Totdat het spektakel volledig ontkend is, is het publiek dat de ontkenning van het spektakel aanschouwt niet meer te onderscheiden van dat verdachte en ongelukkige publiek bestaande uit geïsoleerde kunstenaars en intellectuelen. Wanneer het revolutionaire proletariaat zich als zodanig manifesteert, zal het niet als een nieuw publiek voor een nieuw spektakel zijn. Het zal dan namelijk als mensen actief deelnemen aan elk aspect van hun leven.

Er bestaat geen revolutionair probleem van de vrijetijdsbesteding – van de leegte die moet gevuld worden – maar een probleem van de vrije tijd, van de voltijdse vrijheid. Wij hebben reeds gezegd: ‘Er bestaat geen vrijheid in het gebruik van de tijd zonder het bezit van de moderne middelen om het dagelijkse leven te construeren. Het gebruik van dergelijke middelen zal de sprong betekenen van een utopische revolutionaire kunst naar een experimentele revolutionaire kunst.’ (Debord, ‘Stellingen over de culturele revolutie’, Internationale Situationniste, nummer 1).

Love game

De opheffing van de vrijetijdsbesteding naar een activiteit van vrije creatie-consumptie kan enkel begrepen worden in haar relatie tot de ontbinding van de oude kunsten; met hun mutatie in hogere actiemiddelen die de kunst niet weigeren, niet afschaffen, maar haar verwerkelijken. De kunst zal aldus opgeheven worden, behouden en overstegen, in een meer complexe activiteit. Haar oude elementen kunnen er voor een deel in teruggevonden worden, maar omgevormd, geïntegreerd en gemodificeerd door de totaliteit. De vorige avant-gardes bevestigden de voortreffelijkheid van hun methodes en principes, van waaruit men onmiddelllijk moest oordelen over hun werken. De Situationistische Internationale is de eerste artistieke organisatie die zich baseert op de radicale ontoereikendheid van alle toegestane werken. Hun betekenis, succes of mislukking kunnen slechts beoordeeld worden met de revolutionaire praxis van zijn tijd.

Anoniem: Internationale situationniste, nr. 4, juni 1960, p 3-5.

[Vertaling uit het Frans; bewerking Thom Holterman.]

[Beeldmateriaal afkomstig uit de nog te verschijnen gedichtenbundel Mei 2018 van de Rotterdamse dichter en illustrator Manuel Kneepkens (in november). Bij de door hem gemaakte tekeningen plaatste hij later de door hem ervoor geschreven gedichten; het geheel wordt uitgeven als ‘risografische gedichten’. Dit betreft een techniek die in de meidagen van 1968 werd toegepast, waarmee Kneepkens Mei ’68 wil eren. Waarom van de ‘Kneep’ juist ook bij dit IS-item beeldmateriaal opgenomen? De opvatting van hem vind ik er geheel bij passen, want die luidt: ‘Het streven  van deze pensionisto –  nooit pensionado zeggen – want dan lig je op rug in Benidorm… – was:  iedere dag een ‘goede’ tekening maken. Dat is niet gelukt. Maar de productie is niettemin hoog. Als pensionisto word je nu eenmaal niet meer afgeleid door ‘trivialiteiten’  als een baan, vaderschap, politiek, etc. Ik schrijf en ik teken, en dat is dat…’ (Manuel Kneepkens)].

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: