Spring naar inhoud

Anarchisten Aan Het Werk: Onverwachte Ontmoetingen, Onwaarschijnlijke Bondgenootschappen. De Dreyfus-affaire En De Briefwisseling Goldman/Huxley

22/09/2019

Het Franse studieuze anarchistische tijdschrift Réfractions (nr. 42) heeft haar lentenummer (2019) gewijd aan het thema ‘Onverwachte ontmoetingen, onwaarschijnlijke bondgenootschappen’. Dat is een ruim veld om je op te bewegen. Met behulp van welke criteria maak je keuzes om de inhoud van het thema te vullen? Ik vermoed dat het hier haphazard is gebeurd en of op grond van een vanzelfsprekendheid. Dat kan mooie dingen opleveren en ik zal er twee uit de opgenomen bijdragen in Réfractions selecteren. Maar alvorens dit te doen geef ik zelf eerst een voorbeeld van de noodzaak rekening te houden met de confrontatie van onwaarschijnlijke bondgenootschappen. Ik ontleen het aan een korte tekst van Malatesta.

 

Revolutie in praktijk

Wat mij in dit geval aan de hand van een element uit een tekst van de Italiaanse anarchist Errico Malatesta (1853-1932) bezighoudt, is het volgende. In 1922 schrijft hij over het onderwerp ‘Revolutie in praktijk’ (in: Umanità Nova, nr. 191). Hij heeft als stelling aangevoerd dat voor een geslaagde anarchistische revolutie het merendeel van de mensen anarchisten moeten zijn. Die stelling levert niets op, want daar zal geen sprake van zijn, zegt hij. Bovendien voert hij aan: revoluties breken uit – ook als je die niet gepland hebt. En daar sta je dan met een handje vol anarchisten… ‘Wij zijn dan ook blij als anderen die ondertussen handelen, zelfs met andere criteria dan de onze’. Waarom, zou je zeggen? Wel, het sociale leven staat niet toe dat er onderbrekingen zijn en de mensen willen leven op de dag van de revolutie, ‘s morgens en altijd’, aldus Malatesta.

Dat kan onverwachte ontmoetingen en onwaarschijnlijke bondgenootschappen opleveren, zou ik denken. Of we daar vrolijk van worden of verdrietig, of we onze activiteiten zullen voortzetten, of we zullen afhaken, wie zal het zeggen. We hebben dat steeds weer te overwegen. Malatesta gaat daar dan ook niet op in – want dat moet de praktijk zelf leren. Zijn inbreng heeft heeft hij dan ook in de vorm van een aandachtspunt geformuleerd, alsof hij wil zeggen: denk daaraan! En het is precies ook wat gebeurt als je in kringen van de (Franse) beweging van de Gele Hesjes komt, leren vier bijdragen in Réfractions – ieder op eigen wijze – opgenomen onder het sub-kopje ‘Enkele nuances Geel’. Hier geldt wat ik de vanzelfsprekendheid noemde. Maar ik had het ook over ‘mooie dingen’. Die laat ik nu volgen, het ene gaat over de Dreyfus-affaire en het andere over een briefwisseling tussen Emma Goldman en Aldous Huxley.

Anarchisten en de Dreyfus affaire

De bijdrage van Jean-Jacques Gandini in Réfractions levert een voorbeeld van hoe je de thema-problematiek aan de hand van een indringende affaire voor de lezer duidelijk maakt. Gandini schrijft over de (Franse) anarchisten en de Dreyfus-affaire in de tijd dat die speelde (rond 1900). In het kort komt die op het volgende neer. De Joods-Franse hoge militair Alfred Dreyfus (1859-1935) is in 1894 veroordeeld wegens spionage voor Duitsland. De veroordeling is gebaseerd op valse beschuldigingen. Dreyfus’ familie is overtuigd van zijn onschuld en tracht dit te bewijzen. De pers wordt wakker en een nieuwe directeur van de Franse inlichtingendienst, die een onderzoek in stelt, komt achter de ware aard van de affaire. Zijn superieuren trachten de boel in de doofpot te stoppen. Er worden valse documenten opgesteld. De nieuwe directeur wordt ontslagen en gevangengenomen. Je kan het zo gek niet bedenken wat zich aan ‘overheidssabotage’ in deze zaak heeft afgespeeld. Émile Zola publiceert zijn open brief J’accuse…! (1898). Hij zal ervoor worden aangeklaagd wegens laster en tot gevangenisstraf veroordeeld (waarna hij naar Engeland vlucht om aan volttrekking van het vonnis te ontkomen). Het Hof van Cassatie vernietigt vervolgens het vonnis van Dreyfus; in 1899 volgt amnestie en hij wordt vrijgelaten. In een derde proces wordt hij in 1906 van alle tenlasteleggingen vrijgesproken. Voor Franse anarchisten gold de vraag: wiens kwestie is het eigenlijk?

                    Turning

 

Dreyfus was naast jood ook een hoge Franse beroepsmilitair. ‘Die jood van een Dreyfus is een vaderlandslievende gegalonneerde tot aan de toppen van zijn vingers’, schreef de revolutionaire syndicalist Émile Pouget nog in Le Sociale (1896). Dit komt uit het oude anti-Joodse proudhonnistische fonds, licht Gandini toe om aan te geven hoe de verschillen liggen binnen Franse anarchistische kringen. Want de Franse anarchist Sébastien Faure stond juist aan de andere kant. Als Dreyfus gepakt wordt voor een puur militaire zaak, dan houdt het op; maar als dat niet het geval is en de kern van de reden wordt uitgemaakt door het joodse geloof, dan wordt er op directe wijze geappelleerd aan de anarchistische ethiek. Émile Pouget gaat dat, met vele andere anarchisten, ook inzien. In 1898 verenigt hij zich met Sébastien Faure als redacteur van het tijdschrift Journal du Peuple en hij toont zijn berouw over zijn eerder ingenomen standpunt in het blad Le Père Peinard (juli 1898).

Naast de splijting in de anarchistische beweging vanwege de anti-Joodse invalshoek speelt tegelijk, dat aan de ene kant een hoge beroepsmilitair staat afkomstig uit de grootbourgeoisie en aan de andere kant antimilitaristen en arbeiders staan, die een sociale strijd voeren (anarchisten). Dat zij voor een hoge militair in het krijt zullen treden, dat zou een onwaarschijnlijk bondgenootschap opleveren… Het ging evenwel om ‘machinaties van de staat’ met als drive een geloofskwestie. Daar moeten anarchisten toch gevoelig voor zijn om verzet tegen aan te tekenen en om daarmee in het kamp van de Dreyfussisten terecht te komen? Niet alleen Zola hielp hen over de streep. Er was namelijk ook de Franse schrijver, journalist, jood en anarchist Bernard Lazare (1865-1903; pseudoniem voor Marcus Manassé Bernard). In 1894 publiceerde hij Het antisemitisme, zijn geschiedenis en zijn oorzaken. Twee jaar later kwam hij uit met de tekst De zaak Dreyfus, een gerechtelijke dwaling. De anarchistische beweging ging om in de verdediging van Dreyfus. Een onwaarschijnlijk bondgenootschap was gesloten. Bernard Lazere zal zeggen: ‘Mijn strijd voor Dreyfus kon ik voeren omdat ik gekozen had voor gerechtigheid en waarheid’.

Jean-Jacques Gandini heeft voor Réfractions deze affaire in een aantal pagina’s opnieuw uit de doeken gedaan vanuit het zoeken naar een bondgenootschap dat situationeel-historisch niet vanzelfsprekend was, maar met nadenken en argumenteren toch te vinden bleek. Gandini vergeet daarbij niet nadrukkelijk op de inbreng van Lazare te wijzen, die ik te vaak niet in deze sfeer tegenkom. Hier wil ik er verder nog op wijzen dat de insteek die Lazare had gekozen de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt mede gediend heeft om haar strijdlustige geest te scherpen. En het strijden voor gerechtigheid en waarheid gaat tot op deze dag door, zo is ook op te maken uit wat de oprichter van WikiLeaks Julian Assange te verduren heeft.

Briefwisseling tussen Emma Goldman en Aldous Huxley

Een bijdrage die buiten het thema is gehouden, handelt over correspondentie in 1938 tussen de Russisch-Amerikaanse anarchiste en feministe Emma Goldman (1869-1940) en Engels-Amerikaanse schrijver Aldous Huxley (1894-1963). Het komt mij voor, gelet op wat ik lees, dat het ging om een ‘onverwachte ontmoeting’.

                          Motorcycling

De auteur van de bijdrage, José Ardillo, herinnert eraan, dat Aldous Huxley in de loop van de jaren 1930 evolueert naar een pacifisme en naar een geheel van ideeën over decentralisatie, dat met redelijk wat aspecten uit het fonds van libertaire ideeën overeenkomt. Vervolgens doet hij uitspraken ten gunste van de anarchistische beweging die hij publiceert in Left Review (1937).  Emma Goldman is daar zeer door geraakt en tracht hem te winnen voor steun van de Internationale Antifascistische Solidariteit (IAS). Hieruit ontstaat een briefwisseling waarbij Huxley in de loop ervan verwijst naar enkele personen die Goldman onbekend zijn (Ralph Borsodi, Kettering en Abbot). Het onderwerp betreft vooral technische zaken, waar de genoemde personen zich mee bezighouden: ontwikkeling van kleine dieselmotoren, gebruik van zonne-energie. Omdat zij denkt dat Rudolf Rocker over hen meer weet, schrijft ze hem om haar in te lichten opdat zij Huxley kan terugschrijven.

Het antwoord laat op zich wachten, maar komt wel. En die brief is typerend voor Rocker: openstaande voor aanpassing van zienswijzen, waar hij weergeeft dat het (technische) werk van Borsodi en Kettering wellicht kan ‘bijdragen aan het anarchisme en anarchistische methodes’. Het gaat niet aan om nu met de hedendaagse kennis te zeggen, dat dieselmotoren heel vervuilend zijn. Dat wist ik een halve eeuw geleden al, waarmee ik bedoel: iedereen die kon lezen, kon het toen al weten (zie mijn bijdrage daarover in de AS 201, zomer 2018, het thema ‘De auto voorbij’).

De onverwachte ontmoeting tussen Goldman en Huxley smaakt naar meer omdat wat werd uitgewisseld zo actueel overkomt. Maar het lijkt erop dat het hierbij zal blijven, tenzij nieuwe archiefbronnen hieromtrent meer ontdekkingen toelaten.

Verder treft de lezer in dit nummer natuurlijk onder meer nog de rubriek boekbesprekingen aan.

Thom Holterman

Réfractions, nr. 42, lente 2019, 199 blz., prijs 15 euro.

[Beeldmateriaal ontleend aan de Rotterdamse dichter en illustrator Manuel Kneepkens.]

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: