Spring naar inhoud

Paul Feyerabend (1924-1994). Anarchisme En Kennistheorie (2/7)

06/09/2020

Hoofdstuk 1              Feyerabend en Pflasterstrand

Paul Feyerabend

Paul Feyerabend (1924-1994) is de wetenschapstheoretische auteur van het boek Against Method. Hij introduceerde de leus ‘anything goes’ in het veld van de kennistheorie. Hij is geboren in Oostenrijk, leefde daar maar ook in Duitsland, Engeland, Italië en zo’n vijfentwintig jaar in de Verenigde Staten. Feyerabend heeft zich toegelegd op het ontwikkelen van een anarchistische kennistheorie, die hij ook dadaïstisch noemde. Hij leverde kritiek op wetenschap, wetenschappers en ‘experts’ en wees daarbij op de politieke implicaties die dit alles had. Over die man, zijn anarchistische kennistheorie, politieke implicaties en verwante relevante opvattingen gaat het hier. Een ‘verhaal’ dat doorloopt tot in het heden. Ik behandel dit in zeven delen. Hier het tweede deel. [ThH]

Anarchistische of dadaïstische kennistheorie

Of Feyerabend een studie heeft gemaakt van het anarchisme is niet expliciet uit zijn bijdragen in Pflasterstrand op te maken. Dat is wel het geval wat het dadaïsme aangaat. In Deel 4 (1977) is een omvangrijke bijdrage van hem te vinden getiteld ‘Onderweg naar een dadaïstische kennistheorie’. Dit betreft de Duitse vertaling van enkele hoofdstukken uit de inleiding bij de paperback editie van Against Method. De titel van het stuk in Pflasterstrand is een voorstel van Hans Peter Duer door  Feyerabend geaccordeerd (Briefe, p. 40).

De bijdrage geeft weer dat Feyerabend het dadaïsme onmiddellijk na de Tweede wereldoorlog heeft bestudeerd. Dat was zeer verhelderend, merkt hij op. Wat hem in het dadaïsme (en in het expressionisme) aantrok, was de stijl, die de oprichter ervan toepaste. Deze stijl was duidelijk, vol licht en eenvoudig (zonder platvloers te zijn) en precies (zonder benauwend te zijn). Het was een stijl die uitdrukking gaf aan gedachten èn gevoel. Dit verwijst naar een dubbelslag, gedachte en gevoel in dit geval. Maar een dubbelslag is in meer teksten van Feyerabend te vinden, zoals die van zijn ideeën over wetenschap en de politieke implicatie ervan.

Na de (maatschappelijke) diagnose van de dadaïsten kregen dadaïstische analyses een andere en veel onheilspellender betekenis: zij onthulden de ongehoorde overeenkomst tussen de taal van de tophandelsreizigers in gewichtigheid, de taal van de filosofen, politici, theologen. Gewichtigdoenerij aan de ene kant, hondse onduidelijkheid aan de andere kant, werd bloot gelegd. In zijn artikel met als titel ‘Hoe filosofen het denken bederven en de film het uitdaagt’ (in Deel 2, 1975) laat Feyerabend een fraai beeld van de dadaïstische onthulling verschijnen: ‘Een voor onze ogen interessant gebeuren is vandaag de dag op te merken: zakenlui, filosofen, wetenschappers en huurmoordenaars gaan hetzelfde gekleed en hebben een vergelijkbare beroepsstatus. Echter de aktetas die deze lui meedragen kan zowel een zakelijk contract, een wetenschappelijk proefschrift, een nieuwe berekening van de S-matrix als ook een machinepistool bevatten.’

In de tijd dat Feyerabend het dadaïsme bestudeerde, liep bij hem alles wat zich als gewichtig dan wel onnauwkeurig aandiende door elkaar. Hij onderging dit als een periode van twijfel en aarzeling. In die periode las hij voor het eerst het boek On Liberty (1859) van de Engelse filosoof John Stuart Mill (1806-1873). Dit zette bij hem, zo schrijft hij, alles op zijn plek. Het was de Engelse filosoof John Watkins die Feyerabend aanraadde, toen hij diens probleem begreep, om Mill te lezen (leert noot 48; Deel 4, 1977, p. 88). Feyerabend zou Watkins daarvoor altijd dankbaar zijn. Want wat bleek, zo schrijft hij in de genoemde noot 48: ‘Essentiële elementen van de filosofie van Popper (zoals het proliferatiebeginsel) stammen van Mill. Maar haar oorspronkelijke onbepaaldheid en elasticiteit werd door Popper niet overgenomen.’

‘Terwijl Mill door een juist inzicht opmerkt, dat maatstaven zich tegelijk met onze intellectuele bekwaamheden veranderen, moet evenzeer een veelheid van maatstaven een veelheid van inzichten opleveren, zonder dat keuzecriteria worden vastgelegd. Popper ging echter ‘kenniswetten’ vastleggen,’ aldus Feyerabend. ‘Mill is bereid ieder gewenst argument te benutten, dat de gewenste werking heeft; Popper onderscheidde echter tussen psychologie en logica en beperkte streng het gebied met betrekking tot de werkzaamheid van een argument.’ Met dit verschil van inzicht tussen Mill en Popper is duidelijk om welke overweging Feyerabend Popper is gaan bestrijden.

In discussies gaat dit aardige tafrelen geven zoals te lezen is in het stuk dat de titel draagt ‘Klein gesprek over grote woorden’ (Deel 5, 1978). Het betreft een verslag over het betoog van Feyerabend over de dadaïstische kennistheorie. Als hij reageert op een vraag roept plotseling een ander in de zaal: ‘Popper!’ Feyerabend’s reactie: ‘Niet Popper, maar common sens! Weet u dan niet dat Popper al zijn ideeën overal vandaan gejat heeft. En dat hij heden alleen daarom zo origineel lijkt, omdat de meeste mensen voor filosofen historische analfabeten zijn?’

Feyerabend gebruikt de termen anarchistische en dadaïstische kennistheorie door elkaar. De semantische velden van de termen overlappen elkaar. In dit licht kan het dus bevreemden dat Feyerabend in zijn Against Method naar Lenin verwijst – want die heeft niets van doen met die semantische velden. Wie goed kijkt, ziet dat Feyerabend alleen een uitspraak van Lenin hanteert die iets uitdrukt, dat we zojuist bij Mill tegen kwamen: ieder argument gebruiken als het de gewenste werking heeft [in de sfeer van het politieke is Lenin dan ook door de Duitse filosoof en socioloog Hugo Fischer als de Machiavelli van het Oosten beschreven; thh.]. Feyerabend gebruikte de verwijzing naar de betreffende uitspraak van Lenin alleen om argumentatieve reden, niet om een politieke. Hans Peter Duerr zal aan Feyerabend, als hij hem iets schrijft over anarchisten die hij kent, daaraan nog toevoegen: ‘..marxisten daarentegen zijn een moderner slag mensen, in alle gevallen streven zij naar een wereld, waarin jij en ik geen plaats zullen hebben.’ (Briefe, p 138).

Kennistheoretisch anarchisme

De eerste bijdrage van Feyerabend die de term ‘anarchisme’ in de titel heeft, is te vinden in Deel 1 van Pflasterstrand (1974) en luidt ‘Stellingen over anarchisme’. Ook hier is niet uit op te maken, dat er een grondige studie naar het anarchisme aan ten grondslag ligt. Anders dan de titel laat lijken, gaat de bijdrage niet over het anarchisme in het algemeen. Het beperkt zich enerzijds tot een aantal opmerkingen over ‘politieke anarchisten’. Anderzijds gaat hij op de ontwikkeling van wetenschap in, die zich niet zozeer voltrekt vanuit de logica maar vanuit ‘anarchie’. Dit loopt bij Feyerabend uit op wat hij kennistheoretisch anarchisme noemt, waarbij hij ook gebruik maakt van een term als ‘kennistheoretische anarchisten’.

De politieke anarchisten stellen zich op tegen de bestaande orde; zij willen die vernietigen of ontvluchten. Deze instelling laat zich verbinden met wat zich ontwikkelt in de periode van de Verlichting. Het belang van zijn betoog ligt in die verbinding. Zouden er in de 17de en 18de eeuw, in de periode van de Verlichting, politieke anarchisten hebben geleefd, dan zouden die doordrongen zijn van het geloof in de wetenschap en het natuurlijke mensenverstand. Dit geloof in de wetenschap is tot op zekere hoogte gerechtvaardigd, aldus Feyerabend, vanwege de revolutionaire rol, die wetenschap toen, in de 17de en 18de eeuw, heeft gespeeld. Anarchisten predikten destructie. De wetenschappers van die tijd bestreden het harmonieuze wereldbeeld van de achter hen liggende eeuwen. Zij wezen vruchteloos weten af, veranderden maatschappelijke verhoudingen en voegden elementen aan het nieuwe weten toe, zo schrijft hij. Vervolgens hebben anarchisten dogmatische opvattingen ontwikkeld over wat waar, goed en waardevol is voor de mensheid.

Deze wat naïeve opvatting over wetenschap, aldus Feyerabend, wordt volgens hem in de loop van de tijd door twee maatschappelijke ingrepen bedreigd. Hij wijst op het feit dat wetenschap is veranderd van een filosofische behoefte in een onderneming (‘has become a powerful business’). In de tweede plaats ontstond er hiërarchie in zake wetenschappelijke status van feiten en theorieën: het beroep op ‘wetenschap’ leverde een verhoogde de status op. Dit alles heeft zich doorgezet. De wetenschap in de 20ste eeuw heeft alle filosofische aanspraak opgeheven en is één grote onderneming geworden. Ze vormt heden niet meer de bedreiging van de maatschappij, maar is een van haar sterke instandhouders geworden. Goede betaling, goede relaties met de leiding en de collega’s met wie men direct te maken heeft, zijn de belangrijkste doelen van de mens-mieren, zoals Feyerabend ze noemt, die er in rondlopen. De wetenschap heeft opgehouden een bondgenoot van anarchisten te zijn. Dat is zijn punt. En omdat politieke anarchisten zijn blijven hangen in wat voorbij is, hebben zij voor hem afgedaan. Dit standpunt is evenwel te weerleggen.

Het kennistheoretische anarchisme, waaraan Feyerabend werkte, heeft het probleem opgelost door de dogmatische elementen van vroegere vormen van anarchisme te verwijderen. Ik ben geneigd dit om te keren: het anarchisme, door latere anarchisten verlost van allerlei dogmatische elementen, is vervolgens in staat een anarchistische kennistheorie tot haar open arsenaal van (libertaire) opvattingen, ideeën en visies op te nemen. Stellige uitgangspunten over hoe de mens ‘is’, vindt men dan ook niet meer en het onvoorwaardelijke respect voor de wetenschap is door anarchisten aan de kapstok gehangen. Bakoenin heeft daar al in 1871 een eerste bijdrage aan geleverd als hij opmerkt dat ‘geleerden de wetenschap monopoliseren’ en erop wijst dat een en ander veel analogie vertoont met de ‘kaste der priesters’ (geciteerd bij Wim van Dooren in zijn ‘Wetenschappelijk anarchisme of anarchistische wetenschap?’ in: de AS 37 (1979), themanummer Anarchisme en wetenschap).

Kennistheoretisch anarchisme onderscheidt zich zowel van scepsis als van politiek anarchisme, zegt Feyerabend. De scepticus deelt iedere opvatting óf als even goed óf als even slecht óf sluit zich überhaupt niet aan bij een oordeel. Daarentegen, zegt hij, heeft kennistheoretisch anarchisme van te voren geen bedenkingen tegen welke opvatting ook. Hij citeert vervolgens een bewering van Einstein: ‘(..) de systematische kennistheoreticus moet een scrupuleuze opportunist zijn’ [de verwijzing is te vinden in zijn Against Methode, p. 18, noot 6]. Feyerabend zal dit maximaal gebruiken om zijn publiek te overtuigen. De enige wetmatigheid, waaraan men een gerust geweten overhoudt, en die een wetenschapper in de gaten moet houden om binnen zijn gebied verder te komen, bestaat erin dat alles mogelijk is (‘anything goes’).

Anything goes

Alles is mogelijk. Of dat zo is zal al dan niet, gaandeweg in het onderzoeksproces, de experimenten, de uitkomsten ervan, blijken. Het is een van de kernpunten van Feyerabend’s optiek. Zijn vriend en ‘fellow-anarchist’ zoals hij Imre Lakatos noemt, is het daar niet mee eens. Dat komt duidelijk in zijn artikel ‘Stellingen over anarchisme’ tot uitdrukking. Zijn boek Against Methode (1975), met als ondertitel Outline of an anarchistic theory of knowledge, draagt hij ook aan Lakatos op. In het voorwoord legt hij het ontstaan ervan uit. Het blijkt het eerste deel te zijn van het boek dat het moest worden. De andere helft zou door Lakatos worden geschreven als een reactie op het eerste deel. Daarin zou Lakatos, zoals Feyerabend weergeeft ‘making mincemeat of me in the process’. Door voortijdig overlijden van Lakatos kon dat plan geen uitvoering vinden, zodat Feyerabend mede als eerbetoon aan Lakatos alleen het eerste deel publiceert. Het boek is ook in een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel In strijd met de methode, Aanzet tot een anarchistische kennistheorie(1977).

Anarchistische kennistheorie dus, terwijl het dadaïsme steeds in het hoofd van Feyerabend is blijven zitten. Een dadaïst ‘not only has no programme, [he is] against all programmes’, zegt hij in het boek. In de inleiding ervan (noot 12) leest men ook nog eens: ‘It is for these reasons that I now prefer to use the term dadaism’ (in plaats van anarchisme).

Voor de goede orde kan het geen kwaad erop te wijzen dat de leus ‘anything goes’ een langer verleden heeft, te weten als de titel van een… musical, Anything goes uit 1934, van Cole Porter. Feyerabend maakte daar geen geheim van. Vanwege de anekdotische waarde wijs ik nog op het volgende. Een van mijn leermeesters, de Rotterdamse rechtstheoreticus Jack ter Heide, had met betrekking tot zijn denken over het recht, dit mede in samenhang gedaan met het door hem gebruikte motto ‘It ain’t necessarily so!’ (het motto is aan te treffen bij ‘Probleemstelling’, van zijn proefschrift getiteld Vrijheid, Over de zin van de straf; Den Haag, 1965). Wat wil? ‘It ain’t necessarily so!’ is een song in de opera van George Gershwin ‘Porgy and Bess’. ‘Het hoeft niet zo te zijn’ vind ik nauw samenhangen met ‘alles is mogelijk’…

Lakatos is het niet eens met de uitdrukking: ‘alles is mogelijk’. Wel geeft Lakatos toe, zo schrijft Feyerabend in zijn ‘Stellingen over anarchisme’ (Deel 1, 1974), dat bestaande methodologieën in absolute tegenspraak staan met de wetenschappelijke praktijk. Feyerabend werkt dit uit en komt dan met de conclusie die alleen voor zijn rekening blijft, omdat het verstoken is van het antwoord van Lakatos. Toch is het goed om het volgende nog op te merken.

Heeft wetenschap voorrang boven hekserij?

Feyerabend beweert dat Lakatos nergens heeft aangetoond dat de doelen van de hedendaagse wetenschap beter zijn dan die van de Aristotelische wetenschap. Evenmin is de kwestie wetenschap/hekserij (om een voorbeeld te noemen), die tussen Feyerabend en Lakatos speelde, beslist.  Wellicht zou Lakatos dat nu net in het tweede deel van het boek hebben gedaan. In Pflasterstrand zullen antropologische en cultuurhistorische items behandeld worden, waar naast ook bijvoorbeeld hekserij en parapsychologie.

Ik zelf moet binnen het kader van wetenschap en hekserij altijd denken aan het CERN in de omgeving van Genève (Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire). Daar is een immens altaar opgericht voor het geloof Wetenschap, een miljarden euro’s kostend project waar meer dan 10 000 wetenschappers hun brood verdienen op zoek naar…ja, naar wat? De ‘big bang’ zoals dat raadselachtig heet. Met de ‘big bang’, de oerknal, is de wereld ontstaan, daar is alles mee begonnen (wordt gezegd). Duidelijk wetenschappelijke taal, niet? Het zoeken is ook naar het ‘kleinste deeltje’. Dat laatste zal nooit worden gevonden, meen ik, omdat vóór dat kleinste deeltje altijd een nog kleiner deeltje zal blijken te liggen…Hekserij dus, die er bedreven wordt? Ja, moderne. Daarvoor is een enorme (heksen)cirkel onder de grond in het graniet van het Zwitserse bergmassief uitgehouwen. Daarin is een ‘deeltjesversneller’ geplaatst, een dure gedaantewisseling van de bezemsteel…

Waar het Feyerabend dan weer om ging was te kunnen concluderen, dat de wetenschap noch de methodologie van onderzoeksprogramma’s argumenten leveren tegen het wetenschapstheoretische anarchisme. Lakatos noch iemand anders heeft bewezen, dat wetenschap beter is dan hekserij en dat wetenschap rationeel voorgaat. Naar voorliefde en niet naar argumenten richt zich onze keuze voor wetenschap. Voorliefde en niet argumenten zorgt ervoor, zo gaat hij verder, dat we bepaalde stappen zetten binnen de wetenschap. Er is overigens geen grond, zo vindt hij, daarover te neer geslagen te zijn. Ten slotte is wetenschap ons product, niet onze overheerser: dus zal het aan ons onderdanig zijn en niet de tiran van onzer wensen.

‘Anything goes’ is niet: ‘zonder regels’

Feyerabend heeft door de vroegtijdige dood van Lakatos geen vervolg kunnen geven aan hun discussie. In de bijdrage over dadaïstische kennistheorie (Deel 4, 1977) bespreekt hij dan ook een aantal kritieken op Against Methode. Aan de kritieken ontleent hij verschillende soorten methodologische posities waarin critici hem onderbrengen. Ik neem daarvan over zijn verweer ertegen, omdat het verhelderend werkt met betrekking tot het absoluut klinkende ‘anything goes’. Zo wijst hij erop in zijn boek nadrukkelijk te hebben aangegeven: ‘Ik heb niet de bedoeling een aantal algemene [methodische] regels door andere te vervangen; mijn doel is veeleer de lezer ervan te overtuigen, dat alle methodologieën, ook de plausibele, hun grenzen hebben.’

In relatie tot een andere positie (een anarchistische) waarin critici hem onderbrengen, omvat die positie twee groepen inzichten.  De ene betreft dat zowel absolute als voorwaardelijke regels hun grenzen hebben; zodanig gerelativeerde kennis kan ons hinderen bij het bereiken van ons doel. De andere betreft, dat alle methodologische regels waardeloos zijn en opgegeven kunnen worden. Feyerabend betuigt zijn instemming met het eerste geformuleerde inzicht en verwerpt het tweede. Want, legt hij uit, ‘ik beweer dat alle regels grenzen kennen, ik zeg echter niet dat we in het geheel zonder regels kunnen.’ Kortom, noch wil hij alle regels afschaffen, noch de waardeloosheid ervan uitroepen. Zijn oogmerk is dan ook de regelinventaris uit te breiden en hij stelt een nieuw gebruik voor. ‘Het is dit gebruik dat mijn positie karakteriseert’, schrijft hij, ‘en niet een of andere uitzonderlijke regelinhoud.’

Feyerabend benadrukt dat wij ons bij onze onderzoekingen of manier van handelen, door een regel laten leiden, maar we kunnen ook toelaten, dat ze enkele handelingen uitsluit en andere varieert, we kunnen ook toelaten dat ons onderzoek de regel opschort hoewel alle bekende voorwaarden haar toepassing eisen. Hij geeft dan het voorbeeld van een krijger uit een vroege periode die zijn gewonde vijand verpleegt, in plaats van hem te laten sterven, zoals de regel van zijn gemeenschap van hem verlangt. Die krijger mag daarmee volledig ongegrond handelen, maar hij is op dàt moment gerechtvaardigd, als blijkt, dat verbanden tussen rivaliserende culturen tot groter nut leiden dan de vernietiging van de tegenstander. ‘Dat is bedoeld met de slogan: ‘anything goes’.’ (Deel 4, 1977, p. 46).

Dit heeft natuurlijk consequenties voor de wetenschap en het kijken naar wetenschap. Zo moeten we volgens Feyerabend erkennen, dat de wetenschap veel flexibeler en gedifferentieerder is, dan rationalisten aannemen. Wanneer er dus geen wetenschappelijke methode bestaat, wanneer iedere vorm van kennis in de wetenschap kan voorkomen, dan kan de wetenschap ook niet langer een bijzondere vorm van kennis inhouden. Wetenschap is zo teruggebracht tot niet meer dan een van de maatschappelijke verschijnselen. We hoeven er geen hoge hoed voor op te zetten. Ik denk dat deze zienswijze niet verschilt met hoe daar binnen het ‘politiek anarchisme’ over gedacht zal worden. In het volgende deel van de serie wordt dit aannemelijk gemaakt.

Thom Holterman

[Beeldmateriaal met dank ontleend aan het boek van de Franse anarchist, antimilitarist, corrector, André Bernard, getiteld Ma chandelle est vive, je n’ai pas de dieu, Papiers collés et petits textes, Atelier de création libertaire, Lyon, 2008, p. 15, 17, 81, 82, 95.]

One Comment leave one →
  1. Bart Jan Bert van Oost permalink
    12/09/2020 08:34

    Filosofen die zich ook binnen de neoliberale orde bewegen. De orde van de stropdassen en geld en overheden en banken.

    Ik denk dat de meeste filosofen er wel buiten kunnen denken. Ik denk dat ze weten hoe relatief het allemaal is. Althans, niet allemaal. Maar die mensen zie ik dan niet als filosofen.

    Filosofen weten wel wat anarchisme is en ze weten dat ‘onze’ argumenten helemaal niet zo zwak zijn als gesuggereerd wordt. Maar filosofen moeten ook geld verdienen. Dus gaan ze bij bedrijven. Zogenaamd helpen ze bedrijven dan in het maken van ‘ethische afwegingen’. Omdat bedrijven zogenaamd ethische afwegingen maken. Een van mijn docenten kwam een beetje over als een Macdonalds manager, in de manier waarop hij praatte/redeneerde. Een oplichter dus. Ze vertellen je leugens en ze weten ook dat dit zo is. Ze praten over ‘burgerschap’ en ‘de vrije markt’. Ze weten zelf ook wel dat er verbale diarree uit ze komt. Maarja, wat moet je anders ?

    Ik ken ook een docent op de universiteit, die openlijk anarchist is. Hij zegt, het is haast niet te doen, als je daarvoor uitkomt.

    Filosofen die zich vasthouden aan de neoliberale theorie, die zich binnen de orde bewegen, doen dit voor het geld. Het kan haast niet anders. Je praat mee, je doet mee en anders hebben ze geen geld voor je. Er zijn bepaalde dogma’s die je behoort te omarmen. Het punt is alleen een beetje met de filosofie, dat dit nogal botst met filosoof zijn. Het neoliberale verhaal is filosofische gezien nogal wankel. En toch proberen ze je het door je strot te duwen. Maarja, als je in de DDR een filosoof was, kon je ook niet om de marxistische theorie heen. In Nederland kan je dan niet om de neoliberale dogmatiek heen.

    Zo’n universiteit krijgt bestaansrecht via mama staat. En mama staat wilt er dus grip op hebben. Mama staat wilt dat de universiteit ‘burgers’ maakt. De paradox is alleen, dat een filosoof geen ‘burger’ kan zijn. Ze maken dus niet echte filosofen, vind ik. Ze maken gewoon een soort macdonalds filosofen, die bij bedrijven mogen werken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: