Spring naar inhoud

Paul Feyerabend (1924-1994). Anarchisme En Kennistheorie (3/7)

13/09/2020

Paul Feyerabend

Paul Feyerabend (1924-1994) is de wetenschapstheoretische auteur van het boek Against Method. Hij introduceerde de leus ‘anything goes’ in het veld van de kennistheorie. Hij is geboren in Oostenrijk, leefde daar maar ook in Duitsland, Engeland, Italië en zo’n vijfentwintig jaar in de Verenigde Staten. Feyerabend heeft zich toegelegd op het ontwikkelen van een anarchistische kennistheorie, die hij ook dadaïstisch noemde. Hij leverde kritiek op wetenschap, wetenschappers en ‘experts’ en wees daarbij op de politieke implicaties die dit alles had. Over die man, zijn anarchistische kennistheorie, politieke implicaties en verwante relevante opvattingen gaat het hier. Een ‘verhaal’ dat doorloopt tot in het heden. Ik behandel dit in zeven delen. Hier het derde deel. [ThH]

Politieke elementen

In enkele van zijn bijdragen in Pflasterstrand doet Feyerabend ‘politieke’ uitspraken. In de bijdrage getiteld ‘Experts in een vrije maatschappij’ (Deel 3, 1976), geeft hij af op het ‘expertendom’, dat kans ziet macht uit te oefenen, bijvoorbeeld over schoolprogramma’s, evenwel zonder controle van buitenaf. Een van de basiselementen van de wetenschapsideologie (en experts-ideologie in het algemeen) is: alleen wetenschappers kunnen begrijpen wat een wetenschapper in de zin heeft. Bijvoorbeeld kan alleen een wetenschapper weten hoe zijn vak bestudeerd moet worden. En dit alles op voorwaarden, laat Feyerabend dan volgen, dat het allemaal door niet-experts – de belastingbetaler – gefinancierd wordt.

In de bijdrage ‘Onderweg naar een dadaïstische kennistheorie’ (Deel 4, 1977), vult Feyerabend het voorgaande aan. Als de burger ten behoeve van het functioneren van instituties een financiële bijdrage levert (als privaat persoon of als belastingbetaler) behoort hij, aldus Feyerabend, daarmee een medebeslissingsrecht te verwerven in statelijke colleges en universiteiten (hetzelfde geldt voor het lokale niveau). Feyerabend hanteert hier het beginsel ‘wie betaalt, bepaalt’. Het is overigens een oud beginsel. In de lage landen gaat het  terug tot in de vroege middeleeuwen ten behoeve van financiering en beheer van waterschappen. Wat de universiteiten aangaat schrijft Feyerabend: ‘De mening van experts wordt natuurlijk in de beraadslaging betrokken, maar zij zullen niet het laatste woord hebben. Het laatste woord is gegeven bij de beslissing van democratisch gecontroleerde comités, waarin leken de overhand hebben.’ Hier wordt dus een politiek element door Feyerabend ingevoerd.

Als ik bij Paul Feyerabend spreek over ‘politieke elementen’, dan gaat het over bovenindividuele verschijnselen in maatschappelijke verbanden. Hij schrijft bijvoorbeeld over de scheiding tussen staat en kerk. Hij doet dat om te pleiten voor een soortgelijke scheiding tussen staat en wetenschap, een ‘politiek element’ dus. Hij pleit daarvoor niet alleen omdat wetenschap een ‘bedrijf’ is geworden, maar juist omdat het zich in zijn ogen heeft ontpopt als een van de nieuwe, agressiefste en dogmatische religieuze instituties (Deel 4, 1977, p. 58).

Feyerabend pleit voor democratisering vanaf de basis als het om de inbreng van leken gaat. Leken kunnen en moeten toezicht houden op de wetenschap. Hij wijst erop dat men moet beseffen dat wetenschap niet buiten de reikwijdte van het menselijke verstand ligt. De ‘verstandskracht’ moet niet slechts voor juridische procedures (lekenrechtspraak) worden aangewend, maar in alle belangrijke sociale aangelegenheden, die nu in handen zijn van experts (Deel 4, 1977, p. 38-39). Daarmee heeft hij zijn politieke pleidooi verbreed tot ‘alle belangrijke aangelegenheden’.

In het reeds ter sprake gebrachte vraaggesprek met de Franse wetenschapsjournaliste wordt zijn pleidooi voor de scheiding van staat en wetenschap bediscussieerd (Deel 13, p. 89). Zij legt hem voor of dat niet utopisch is en vraagt hem hoe hij dit denkt te bereiken. Dat is niet zijn opdracht meent hij, de burgers moeten het willen. ‘Ik ben enerzijds voor volledige democratie en anderzijds is zo’n scheiding helemaal niet zo utopisch, aangenomen dat men lokaal begint en met concrete voorstellen komt.’ Met het voorbeeld van het toelaten van accupunctuur – waartegen van ‘wetenschappelijke’ zijde groot bezwaar was – is het gelukt op lokaal niveau die toelating te verwerven. ‘Zo wordt’, aldus Feyerabend, ‘de heerschappij van de wetenschappen langzaam ondermijnd, en dat is ook goed.’

Pragmatisch anarchisme

 

Ik vraag hier aandacht voor het feit dat hij als uitvalsbasis (a) de lokale situatie neemt en dat het om (b) een concrete zaak moet gaan, die (c) stapsgewijs wordt uitgewerkt. Ik benadruk dit om een vergelijking mogelijk te maken met het pragmatisch anarchisme dat een tijdgenoot van Feyerabend voorstond, te weten de Amerikaanse anarchist, auteur, dichter en maatschappijcriticus Paul Goodman (1911-1972). Bij de laatste vindt men namelijk ook steeds die drie punten in zijn zienswijze terug.

Later zal Feyerabend in het vraaggesprek nog eens benadrukken dat de burgers bij belangrijke beslissingen betrokken kunnen en moeten worden, zoals vele lokale initiatieven aantonen – initiatieven over wegenbouw, dammen, reactorbouw, medische zaken, leerdoelen op scholen. Als een aantal van dat soort zaken dan nog in te centralistische handen zit, ja, ‘dan zal een grotere decentralisatie de burgers helpen’, stelt hij voor. Het lijkt erop alsof ik Goodman hoor.

Verderop in het vraaggesprek, in dat geval naar aanleiding van het idee van complementariteit en nieuwe wetenschappen, wijst Feyerabend erop dat de ‘wereld eerder lijkt op meerduidige beelden, waarin Gestalt-psychologen zo’n groot genoegen scheppen. Zij doen dat omdat ‘die wereld geen eraan ten grondslag liggende eenheid kent.’ Deze verwijzing is frappant als men bedenkt dat Goodman ook Gestalt-therapeut was. Waarom draag ik dit aan?

Wel, we hebben gezien dat Feyerabend de [post-enlightment] politieke anarchisten aan de kant schuift [zie: Against Methode, p.187]. Dit heeft te maken met de hun toegedichte wetenschapsopvatting, zagen we. Echter, de enige op wie hij daadwerkelijk wijst is Peter Kropotkin (Deel 4, 1977, p. 14). Die hemelde de positivistische wetenschapsbeoefening op. Voor Kropotkin zelf was dat een hele stap, omdat hij daarmee religie en metafysica achter zich kon laten. Overigens had Kropotkin, bij al zijn enthousiasme voor de ontwikkeling van de exacte wetenschappen van zijn tijd, ook oog voor de onontwikkeldheid van bijvoorbeeld de dan nog jonge sociale wetenschappen. Als hij die vergelijkt met de stand van zaken in de meteorologie, dan heeft hij van beide geen hoge pet op. Al op de eerste bladzijde van zijn brochure De moderne wetenschap en het anarchisme (Den Haag, 1904; vertaling door F. Domela Nieuwenhuis) leest men:

‘En waar de meteorologie ons het weer niet eens een maand of een week vooruit kan bepalen, daar mag men van de jonge sociale wetenschappen, waarbij het handelt om veel meer gecompliceerde natuurverschijnselen dan regen en wind, niet verwachten, dat zij uit zichzelf sociale vervormingen van welke aard ook, zouden kunnen voorzien.’ Inmiddels zijn we meer dan een eeuw verder en de meteorologie is nog steeds niet tot meer in staat dan waarop Kropotkin wees, om maar te zwijgen van de sociale wetenschappen.

Politiek anarchisme

Feyerabend blijkt zo gezien één persoon te houden voor een hele stroming, het politieke anarchisme (pars pro toto argumentatie). Dit is niet vol te houden. Zo bestond er binnen het politieke anarchisme ook al kritiek van een tijdgenoot van Kropotkin, te weten Malatesta. Bovendien huldigde een andere tijdgenoot anarchist, Bakoenin, een geheel andere optiek op wetenschap. Kijken we vervolgens naar tijdgenoten van Feyerabend zelf, dan blijkt een aantal losgelaten te hebben waartegen hij zich verzet. Mijn kritiek op de afwijzing door Feyerabend wat hij ‘politiek anarchisme’ noemt, is van drieërlei aard.

In de eerste plaats wijs ik op de Italiaanse anarchist Errico Malatesta (1853-1932), tijdgenoot van Kropotkin. Die had kritiek op de wetenschapsvisie en -beoefening van Kropotkin. Hij doet dat in een eerbetoon aan Kropotkin, tien jaar na diens dood, getiteld À propos de Pierre Kropotkine (in: Studi Sociali van 15 april 1931; ik gebruik hier de Franse vertaling als annex opgenomen in Daniel Colson, L’anarchisme de Malatesta, Lyon, 2010). Malatesta beschrijft onder meer hoe Kropotkin te werk ging. Hij noemt Kropotkin ‘un poèt de la science’ (een dichter van de wetenschap), iemand die door geniale intuïties, nieuwe waarheden weet te ontwaren. Maar zo schrijft Malatesta, tegelijk verbond Kropotkin dat weer met een ‘mechanisch’ fatalisme, vergetend dat hij nu juist het ‘dialectisch’ fatalisme van marxisten had gekritiseerd. Kortom, Feyerabend had mede op kritiek binnen de anarchistische kring kunnen terugvallen (en dat eventueel nader kunnen uitwerken), zonder daarmee in het algemeen de ‘politiek anarchisten’ te passeren. Een van hen is zelfs als een voorloper van Feyerabend zelf te zien, te weten Michael Bakoenin (1814-1876).

In de tweede plaats is het de Nederlandse anarchist en historicus Arthur Lehning (1899-2000), die enkele tekstgedeelten verzamelde, die ons onderwerp bestrijken. Men vindt ze ondergebracht onder de hoofdstuktitel ‘Autoriteit en Wetenschap’ (in: Michael Bakoenin over anarchisme, staat en dictatuur, Den Haag, 1970; en in: Michael Bakunin, Selected Writing, New York, 1973, hoofdstuk VIII, ‘On Science and Authority’). De tekstgedeelten waarvan Lehning wat Bakoenin aangaat gebruik maakt, laten zien waarom deze al in de beginjaren 1870 de hegemonie van de wetenschap afwijst. Hij wil over zichzelf heer en meester blijven. Dat is zijn beweegreden. Ter ondersteuning van de argumentatie, verwijs ik nog naar een andere, bekende passage uit God en de Staat van Bakoenin (in de Nederlandse versie opgenomen in Michael Bakoenine, Nagelaten Werken, J. Sterringa, Amsterdam, 1899). Ik zou hiermee kunnen volstaan en wat nu over Bakoenin volgt in een ‘annex’ kunnen opnemen. Ik zie daarvan op dit moment af. Daarom ter aanvulling nog het volgende.

Gelet op het betoog dat Bakoenin vooraf laat gaan, stelt hij de retorische vraag: ‘Volgt hieruit, dat ik alle gezag verwerp?’. ‘Deze gedachte is verre van mij’, laat hij daarop volgen. En dan wordt hij heel concreet. Als het om een schoenreparatie gaat, dan laat hij het aankomen op het gezag van de schoenmaker. En als er sprake is van een huis, een kanaal of een spoorweg, raadpleegt hij een bouwkundige of ingenieur. ‘Voor enige bijzondere wetenschap richt ik mij tot een of andere geleerde’, verklaart hij. En dan volgt waar het mij om gaat: ‘Maar ik laat mij noch de schoenmaker, noch de bouwkundige, noch de geleerde opdringen.’ Hij behoudt zich het recht voor van kritiek en dat van ‘contra-expertise’. Want hij stelt zich niet tevreden met het raadplegen van een enkele speciale autoriteit; hij raadpleegt er veel, hij vergelijkt hun meningen en kiest die welke hem het meest juist voorkomt. Hij houdt dus de regie. Daar ligt de relatieve aanvaarding van gezag. Relatief, want hij erkent, schrijft hij, geen onfeilbaar gezag. Bijgevolg heeft hij in niemand een onbeperkt vertrouwen, zoals hij het uitdrukt. Wat zit daar als gedachte achter? Wel, ‘zulk een geloof zou noodlottig zijn voor mijn rede, mijn vrijheid en zelfs voor het welslagen van mijn activiteiten.’

Als hij buigt voor het gezag van de specialisten en bereid is hen te volgen, dan is dit omdat dit gezag hem door niemand, noch door mensen, noch door God wordt opgedrongen. Hij buigt voor het gezag van de specialisten, omdat het door zijn eigen rede opgelegd wordt. Hier legt Bakoenin vervolgens tevens het verband tussen de individueel gevormde rede en de alom aanwezige sociale context, ‘want het grootste verstand zou niet voldoende zijn om alles te bevatten. Daaruit volgt voor de wetenschap, evengoed als voor de industrie, de noodzakelijkheid van verdeling en van vereniging van de arbeid. Ik ontvang en ik geef, zo is het menselijk leven. Iedereen is leider en wordt op zijn beurt geleid. Er is dus geen vast en bestendig gezag, maar een onafgebroken, voorbijgaande en bovenal vrijwillige ruil van wederkerig gezag en ondergeschiktheid’, aldus Bakoenin.

Dan spreekt Bakoenin zich nogmaals uit over ‘mannen van genie’. Hij meent niet dat je ze slecht moet behandelen, maar evenmin moet je ze willen vertroetelen of enige voorrechten of uitsluitende rechten toestaan. En dit om drie redenen. In de eerste plaats omdat het gebeuren zou dat een kwakzalver voor een nuttig man wordt gehouden. Vervolgens zouden zij, dankzij dit stelsel van voorrechten, een werkelijk man van genie in een kwakzalver doen veranderen. De derde reden waarom de maatschappij niet met voorrechten moet komen is, omdat die maatschappij zich dan een meester zou geven.

Aan het eind van deze paragraaf in God en de Staat, vat Bakoenin nog eens samen wat zijn bedoeling is geweest om tot uitdrukking te brengen. ‘In een woord, wij verwerpen alle wetgeving, alle gezag en iedere bevoorrechte invloed, overtuigd dat hij nooit zou kunnen uitlopen dan ten voordele van een heersende en uitzuigende minderheid tegenover de belangen van de onmetelijk verdrukte meerderheid. Zie daar in welke betekenis wij werkelijk anarchisten zijn.’

Bakoenin komt in God en de Staat tientallen pagina’s later nog terug op wetenschap en geleerden. Zo is te lezen: ‘De regering van de wetenschap en van de wetenschappers – zelfs al noemen zij zich positivist, leerlingen van Auguste Comte, of zelfs leerlingen van de doctrinaire school van het Duitse communisme – kan slechts een machteloze zijn, belachelijk, onmenselijk, wreed, verdrukkend, uitbuitend, schandelijk. Men kan van wetenschappers als zodanig hetzelfde zeggen als ik van theologen en metafysica heb gezegd: zij hebben geen gevoel, geen hart voor de individuele levende wezens.’

In de derde plaats kan tegen Feyerabend’s afwijzing van het politieke anarchisme nog de veranderde houding van tijdgenoten van hem worden aangevoerd. In de tijd dat Feyerabend zijn kritiek op het (klassieke) politieke anarchisme uitte, waren tijdgenoten van hem onder de anarchisten bezig allerlei dogmatische elementen die aan het ‘klassieke’ anarchisme kleefden, op te ruimen. Ik noemde in het voorgaande al de naam van Paul Goodman. Zo behoort ook Rudolf Rocker (1873-1958) tot een van de eersten die direct na de Tweede wereldoorlog naar een nieuw begin zocht voor het anarchisme, onder meer door voor de instelling van wijkraden te gaan pleiten. Er is dan ook, zo lijkt het, sprake van een opnieuw opstarten van het anarchisme waarbij een aantal maatschappelijke verschijnselen meer in een libertaire lijn komen liggen. Ik heb dit zelf in het recht meegemaakt als van ‘anarchisme en recht’ tot ‘anarchie als orde zonder heerschappij?’ en met de anarchistische kennistheorie van Feyerabend. We zitten dan in de jaren 1960-1980.

Anarchisme ‘zonder franje’

Het is in de AS 54 (november-december 1981) dat Bas Moreel in een verzamelboekbespreking naar enkele nieuwe boeken van Paul Feyerabend verwijst. ‘Mijn vlam van het ogenblik is Paul K. Feyerabend’, schrijft hij, en hij laat zien hoe productief die is. Na een aantal titels te hebben genoemd, vervolgt Bas met: ‘Feyerabend vindt dat hij in de buurt komt van Bakoenin, maar is als wetenschapscriticus een stuk verder gegaan: Bakoenin wantrouwde de wetenschappers maar geloofde in de wetenschappen, terwijl Feyerabend meent dat de wetenschappen alleen iets bereiken omdat zij het op kritieke punten niet zo nauw met de wetenschappelijkheid nemen.’ Het is overigens niet de eerste keer dat de naam van Feyerabend in de analen van de AS verscheen. Voor zover ik kon nagaan is dat voor het eerst geweest in het themanummer ‘Anarchisme en wetenschap’, de AS 37 (1979) met daarin een vruchtbaar artikel van de Nederlandse kennistheoreticus Arnold Cornelis (1934-1999), getiteld ‘De anarchistische kennistheorie van Paul Feyerabend’ (p. 4-12). Dat wordt gevolgd door een overname van het leerzame vraaggesprek tussen de Belgische filosoof Frans Boenders en Paul Feyerabend gepubliceerd in de bundel Frans Boenders, Denken in tweespraak (1978).

Ondertussen blijft het verdedigbaar te zeggen, zo meen ik, dat Bakoenin een schaduw vooruitwerpt wat het afwijzen van alle tirannie aangaat – ook waar die verschijnt in het opleggen van een wetenschappelijke methode. Tegelijk wees hij op de gevoelloosheid van wetenschappers als zodanig (in de vorm van het zich verschuilen achter het rationalisme). Feyerabend zal dit punt opnieuw aan de orde stellen.

In de reeds genoemde voordracht door Feyerabend aan de Katholieke Loyola-Universiteit in Chicago, opgenomen onder de titel ‘Experts in een vrije maatschappij’ (Pflasterstrand, Deel 3, 1976), spreekt hij onder meer over de manier van schrijven over zaken waarmee wetenschappers bezig zijn. In 1610 bericht Galilei voor de eerste keer over zijn uitvinding van de telescoop en de waarnemingen ermee verricht. Feyerabend zegt erover dat dit een wetenschappelijke gebeurtenis is van grote orde, veel belangrijker dan wat ook dat in onze grootheidswaanzinnige 20ste eeuw is bereikt. Hoe leidt Galilei zijn thema in?

Feyerabend citeert: ‘Ongeveer tien maanden geleden bereikte mij het bericht, dat een zekere Hollander een vergrootglas geconstrueerd heeft, waardoor zichtbare objecten van ver weg precies te zien zijn,’ Feyerabend herinnert aan deze geschiedenis om te wijzen op de manier waarop verschillende geleerden over zoiets schrijven, welke woorden en werkwoorden zij gebruikten: ‘ik merkte op’, ‘ik heb gezien’, ‘ik was verrast’, enzovoort. Zelfs Newton, die volgens Feyerabend meer dan welk ander voor de plaag van professionaliseren zorgde, begint zijn eerste geschrift over verf en kleuren in eenzelfde soort stijl. ‘(..) Begin van het jaar 1666 bestelde ik een driekantig prismaglas om (..) kleuren te onderzoeken (..), levendige en krachtige kleuren te zien (..) in verwondering daarover (..).’

Feyerabend benadrukt dan dat de lezer zich in herinnering moet roep dat al deze berichten over de koude, objectieve, ‘onmenselijke’ niet-bezielde natuur gaan. Het gaat over sterren, prisma’s, lenzen, de maan…het wordt allemaal in een uiterst levendige en fascinerende vorm beschreven… Maak dan eens een vergelijk met hoe Masters en Johnson in hun bestseller Human Sexual Response (1966) hun onderzoeksresultaten verwoorden. Dat is geen menselijke taal meer. Dat is de taal van experts. De aanschouwelijke taal is geheel verlaten. Merk ook op, zegt hij, het overmatige gebruik van irrelevante technische begrippen. Dit gebeurt om uitspraken te doen die overeenkomstig zijn met een bepaald professioneel ideaal van objectiviteit.

Feyerabend is het verwijt gemaakt dat hij het taalprobleem sterk overdrijft. De taal is ook een instrument van het denken. Dat ontkent hij niet. Maar er is meer aan de hand, oppert hij. Wat we veelal tegenkomen is een tamelijk leeg idioom; echter mensen die denken hebben gevoelens’, en die wil Feyerabend niet onderschat zien.

Het voorgaande maakt het volgende duidelijk. De afwijzing van opgelegde autoriteit binnen het politiek anarchisme strekt zich ook uit over de wetenschap en ‘experts’. De principiële afwijzing van de overheersing van wetenschap en wetenschappers kwamen we tegen bij Bakoenin. Je zou kunnen zeggen dat Feyerabend op het vlak van de wetenschapsbeoefening de kritiek van hen heeft verdiept. Het is dus heel passend dat Feyerabend is gaan schrijven onder de noemer van ‘anarchistische kennistheorie’. Een andere kwestie is of Feyerabend zelf een anarchist is of zich zo wil noemen. Ik stel die vraag wel, maar ga die niet voor hem beantwoorden. Hij is er zelf mee bezig geweest.

In zijn brief aan Duerr van 11 juli 1969 merkt hij op: ‘Ik ben tegen law and order, niet alleen in de maatschappij, maar ook in de wetenschapsfilosofie’ (Briefe, p. 11). Een brief van 16 augustus 1969 leert vervolgens: ‘…wat het anarchisme aangaat: ik geloof dat ik me eerder een dadaïst zal noemen’. Een PS vult dan aan: ‘Natuurlijk wil ik het anarchisme niet tot de kennistheorie beperken’ (Briefe, p. 12). Dan, in een brief van hem uit 18 juli 1971 aan Hans Peter Duerr, schrijft hij geen anarchist meer te zijn, ‘behalve dan op zijn eentje’ (Briefe, p. 20). Maar hij handhaaft, zoals we weten, ‘anarchistisch’ als het gaat om de typering van zijn kijk op kennistheorie. Kortom, de voorliggende vraag levert geen eenduidig antwoord op; voor mij is het verder een non-issue.

Wel wil ik erop wijzen dat hij politiek en sociaal gezien een aantal opties heeft verwoord, zoals ik al aangaf, die Paul Goodman in de anarchistische kring heeft geïntroduceerd. Die ‘introductie’ geschiedde veelal door het houden van lezingen, het schrijven van artikelen en boeken. Langs die weg heeft Goodman, vooral in de periode na de tweede wereldoorlog, zeker invloed in anarchistische kringen uitgeoefend. Dit is weer te verbinden met wat niet onopgemerkt mag blijven.

Het is de Engelse anarchist Colin Ward (1924-2010) die baanbrekend is geweest met het uitgeven van en tevens verzorgen van de eindredactie, van het Engelstalig anarcho-politico-cultureel tijdschrift Anarchy (1961-1970), waarin ook Goodman publiceerde. Colin Ward was het te doen om op alle niveaus en in alle sectoren van de maatschappij autoritaire vormen van sociale organisatie verwijderd te zien. De autoritaire vormen moesten waar nodig of voor wie daar behoefte aan had, vervangen worden door zelfbestuurde, niet-hiërarchische vormen. Feyerabend heeft stukken geschreven die zeker in Anarchy hadden kunnen passen. Tenzij ik er overheen heb gekeken, ben ik Feyerabend niet in Anarchy tegengekomen. Slechts enkele jaren nadat Ward met Anarchy was gestopt, verscheen in 1974 het eerste deel van het Duitse jaarboek Unter dem Pflaster liegt der Strand. De eerste nummers, zoals reeds aangegeven, verschenen onder de ondertitel ‘Anarchisme heden’ en daarin vinden we bijdragen niet alleen van Paul Feyerabend, maar ook van anarchisten als…Colin Ward, Paul Goodman en Murray Bookchin. Het was een gistende periode!

Waar Ward allerhande zaken bespreekt bijvoorbeeld over urbanisme, doet Goodman dat over educatie. Bookchin schrijft erin over sociale ecologie en communalisme, terwijl Feyerabend zich niet onbetuigd laat over kennistheorie. Blijkens zijn behandeling valt volgens hem de wetenschapsopvatting, gehuldigd binnen het politiek anarchisme, niet meer samen met die uit de 17de en 18de eeuw (Verlichtingsideeën). Als dat al zo zou zijn is het goed dat Feyerabend’s kennistheoretische anarchisme de Verlichtingsideeën terughaalt en ze tegelijk moderniseert. Dat geldt overigens op gelijke manier voor andere sectoren van het maatschappelijk leven waar Ward, Goodman, Bookchin (en anderen) zich op hebben geconcentreerd… Op welke wijze komen we Feyerabend verder in Pflasterstrand tegen? Dat vinden we terug in deel vier.

Thom Holterman

[Beeldmateriaal, ‘Schuivende beelden’, met dank ontleend aan het werk van de jurist en graficus Henc van Maarseveen, die zich bij leven met plezier als ‘luis in de pels’ manifesteerde.]

One Comment leave one →
  1. nayakosadashi2020 permalink
    13/09/2020 11:44

    Mooie werken, Die zwarte etsen

    Dat soort werken zou ik wel in mijn crib hangen

    (crib is huis )

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: