Spring naar inhoud

Paul Feyerabend (1924-1994). Anarchisme En Kennistheorie (4/7)

20/09/2020

 

Hoofdstuk II             Feyerabend aan het werk

Feyerabend aan het werk

Paul Feyerabend (1924-1994) is de wetenschapstheoretische auteur van het boek Against Method. Hij introduceerde de leus ‘anything goes’ in het veld van de kennistheorie. Hij is geboren in Oostenrijk, leefde daar maar ook in Duitsland, Engeland, Italië en zo’n vijfentwintig jaar in de Verenigde Staten. Feyerabend heeft zich toegelegd op het ontwikkelen van een anarchistische kennistheorie, die hij ook dadaïstisch noemde. Hij leverde kritiek op wetenschap, wetenschappers en ‘experts’ en wees daarbij op de politieke implicaties die dit alles had. Over die man, zijn anarchistische kennistheorie, politieke implicaties en verwante relevante opvattingen gaat het hier. Een ‘verhaal’ dat doorloopt tot in het heden. Ik behandel dit in zeven delen. Hier het vierde deel. [ThH]

 

Oordeel wetenschappers niet onmiddellijk waar

Voor Unter dem Pflaster liegt der Strand schreef Feyerabend een aantal uiteenlopende, niet eerder gepubliceerde bijdragen. Van een aantal maakte ik al gebruik in het eerste hoofdstuk om iets van de persoon van Feyerabend te typeren. Tegelijk werd daar ook een indruk gegeven welke onderwerpen hij, en Hans Peter Duerr als eindredacteur, kennelijk van belang achtten voor het lezerspubliek van Pflasterstrand. Tevens is er iets van de signatuur van het tijdschrift mee af te lezen. Opgemerkt kan worden dat de ondertiteling ‘Anarchismus heute’ al na twee nummers komt te vervallen. Soms verschijnt er een nummer met als ondertitel ‘Zeitschrift für Kraut und Rüben’ (‘van alles wat’). Als lezer merk je op dat etnologische en antropologische onderwerpen zich vermenigvuldigen naast onderwerpen waarvan de dominante wetenschappelijke wereld de ‘wetenschappelijkheid’ betwist (zoals astrologie, parapsychologie). Feyerabend houdt zich juist daarmee bezig om ermee te demonstreren, dat de wetenschappelijkheid van de dominante wetenschap rammelt.

Een voorbeeld van het laatste ontleen ik aan de reeds gebruikte bijdrage in Deel 4 (1977) van Pflasterstrand. Feyerabend analyseert daar een Verklaring tegen astrologie, opgesteld en ondertekend door 186 leidende natuurwetenschappers, een verklaring gepubliceerd in 1975, in het tijdschrift Humanist.

De Verklaring, zo beschrijft hij, bestaat uit vier delen. Eerst komt de verklaring zelf. Die neemt één pagina in beslag. Het tweede deel telt de namen van 186 ondertekenaars van astronomen, fysici, wiskundigen, filosofiedocenten en individuen zonder beroepsaanduiding en 18 Nobelprijswinnaars. Deel drie en vier bevatten ieder een artikel waarin de kwestie tegen astrologie enigszins gedetailleerd uiteen wordt gezet. De lezer, zo schrijft Feyerabend, wordt enerzijds geconfronteerd met breed uitgemeten lofprijzingen van de wetenschap als zijnde een rationele, objectieve, onpartijdige activiteit. Anderzijds komen (a) de religieuze toonval van de documenten, (b) het analfabetisme van de ‘argumenten’ en (c) de autoritaire aard aan de oppervlakte, waarmee ze worden gepresenteerd. Dat wringt met de lofprijzingen van de wetenschap.

De geleerde heerschappen hebben uitgesproken overtuigingen en zij benutten hun gezag om die overtuigingen te verspreiden. Zij kennen een paar frasen, die zij als argumenten gebruiken, maar zij weten volstrekt niet waarover zij spreken (als het over astrologie gaat), vaart Feyerabend uit. De Verklaring geeft wijdlopig weer dat de astrologie een bestanddeel was van de magische wereldvoorstelling. In het tweede artikel wordt naar eigen zeggen een ‘definitieve weerlegging’ gegeven dat het wat astrologie betreft om wetenschap zou gaan. Het is namelijk aantoonbaar dat ‘de astrologie uit de magie stamt’. Maar waar heeft de geleerde heer die wijsheid vandaan gehaald, vraagt Feyerabend zich af. Zo vindt men onder de 186 ondertekenaars niet één etnoloog en Feyerabend twijfelt er sterk aan dat een van hen vertrouwd is met de nieuwe opvattingen en ontwikkelingen van deze discipline.

Het oordeel van de ‘186 leidende wetenschappers’ berust (a) op een etnologie van voor de zondvloed, (b) op onbekendheid met nieuwe onderzoeksgegevens in hun eigen disciplines (astronomie, biologie en de verbindingen daartussen) en (c) op het onvermogen, de implicaties van onderzoeksresultaten te begrijpen, die hen wel bekend zijn. Zichtbaar wordt de overmaat waarin wetenschappers bereid zijn, hun gezag ook te laten gelden op gebieden waar ze überhaupt geen verstand van hebben.

Feyerabend onderbouwt zijn betoog met enkele voorbeelden. Hij voegt daaraan toe, dat, wat de magische oorsprong van de astrologie aangaat, ook de wetenschap ooit sterk met de magie verbonden was. Dan merkt hij tenslotte op: ‘Deze opmerkingen mag men niet interpreteren als een poging mijnerzijds, de astrologie te verdedigen zoals die heden door de meerderheid van astrologen in de praktijk wordt gebracht. De moderne astrologie is in vele opzichten gelijk aan de astronomie uit de vroege middeleeuwen. Ze heeft interessante en diepzinnige ideeën geërfd, maar ze is verdraaid en door karikaturen vervangen.’ ‘Maar dat is niet het verwijt, dat onze wetenschappers maken. Ze kritiseren niet de bedorven lucht van stagnatie, die om de astrologie is komen te hangen, zij kritiseren de grondslagen zelf en maken deze dan tot karikatuur.’

Zijn verwijt is dat het publiek daarmee de horoscoop (een karikatuur) als vervanger van ‘eerlijk en gefundeerd nadenken’ wordt voorgehouden. Daarop reageert hij. Je kan je in zo’n geval ook afvragen hoe het zit met de psychoanalyse en het vertrouwen in psychologische tests. Zijn dat dan niet eveneens reeds lang vervangers geworden van ‘eerlijk en gefundeerd nadenken’ bij de inschatting van ‘kwaliteiten’ van mensen.

Hij had nog een ander oogmerk om met dit niet atypische voorbeeld van de Verklaring aan te komen. Hij wil namelijk aangeven dat het helemaal niet zo dwaas zou zijn om het oordeel van wetenschappers niet zonder meer aan te nemen. Wanneer de zaak waarom het gaat belangrijk is, voor een kleine groep of voor de hele samenleving, dan moet dat oordeel aan een uiterst nauwgezet onderzoek worden onderworpen. Een rechtmatig gekozen lekencomité moet dan nagaan of de evolutietheorie werkelijk zo’n stevige grondslag heeft, zoals biologen ons willen laten geloven. Zo’n comité moet onderzoeken of de medische wetenschap de enige positie is met theoretisch gezag, die de toegang tot de geldstromen is voorbehouden. Waarom de contraexpertise op deze wijze georganiseerd? Omdat naar het inzicht van Feyerabend vergissingen van experts door gewone mensen ontdekt kunnen worden…

Voorvaderen en ‘primitieve’ tijdgenoten

Dit is het waar Feyerabend zich voor Pflasterstrand ook mee bezighoudt. Het valt daarbij op dat hij aan de ene kant zijn vak als kennistheoreticus nuttig maakt en aan de andere kant, naast de problematiek van de democratie, de redactionele ontwikkelingen binnen het tijdschrift bijhoudt. Dat blijkt uit zijn verwijzing naar de etnologie, wat weer een verbinding met de antropologie mogelijk maakt, evenals naar studies over magie en mythes. In dat verband is te wijzen op de bijdrage van Feyerabend getiteld ‘Over de methode. Een dialoog’ (in Deel 3, 1976). Daarin is de vraag aan de orde waarom je in parapsychologische verschijnselen geïnteresseerd zou zijn. Het blijkt dat de parapsychologische studie, zo geeft hij aan, materiaal verschaft voor een realistische (dat wil zeggen een niet-verdichte) interpretatie van mythen, legendes, sprookjes en gelijksoortige overleveringen.

In de bijdrage van Deel 4 (1977) vat hij een en ander nog eens samen door het volgende op te halen. Nieuw onderzoek, dat zich ook met geschiedenis van de wetenschap bezighield, heeft in gebieden als die van antropologie, archeologie en parapsychologie tot de ontdekking geleid, dat onze voorvaderen en ‘primitieve’ tijdgenoten over hoogontwikkelde kosmologieën (bestudering van het heelal en de evolutie ervan), medische theorieën en biologische leerstukken beschikten. Die zijn dikwijls adequater, leiden tot betere resultaten dan hun westerse concurrenten en ze beschrijven verschijnselen die voor een ‘objectieve’ onderzoeksopzet in een laboratorium niet toegankelijk zijn. Laten we niet vergeten, schrijft hij, dat de uitvinders van mythen ook het vuur uitvonden en het middel om het te behouden. De mens uit het stenentijdperk was reeds een volontwikkelde homo sapiens.

In relatie tot anarchisten is het wel aardig erop te wijzen dat de pragmatisch anarchist Paul Goodman zichzelf een ‘neolithic conservative’ noemde, een ‘stenentijdperk conservatief’ (zie daarvoor zijn New Reformation: Notes of a Neolithic Conservative, 1969-1970). Goodman is er mede op uit om aan te geven welke ‘eenvoudige’ waarden wij te verdedigen hebben, zoals schone lucht, schoon water. En volgen we verder de beschrijving die Feyerabend geeft, dan komen we juist dat soort zaken al bij de stenentijdperkmens tegen. Die mens wist dieren om zich heen te verzamelen en nieuwe planten te ontwikkelen; hij vond de drievelden economie uit (te bewerken land wordt in drie velden gedeeld: een voor wintergraan, een voor zomergraan, het derde veld bleef braak liggen; in dat systeem circuleerde dus het gebruik van de velden).

Die stenentijdperkmens ontwikkelde verder een kunst, die naast de beste scheppingen van de westerse kunst kan staan. Niet door specialisering geremd, bespeurde hij vele verbindingen tussen mensen onderling en tussen mensen en de natuur.  Hij benutte deze verbindingen om zijn kennis en wetenschap en zijn samenleving te verbeteren: de beste ecologische filosofie vindt men in het stenentijdperk, aldus Feyerabend, die in Deel 4 (1977, p. 56-57) nog afsluitend opmerkt:

‘Pas sinds tamelijk kort is de wetenschap na lange en dogmatische volharding op ‘eeuwige natuurwetten’, op de inzichten van de stenentijdperkmensen teruggekeerd. Want wat werd erkend: deze inzichten omtrent de rol van verandering, hun theorieën daarover, over ontstaan en verval, zelfs van de ‘fundamenteelste’ wetten, waren geen instinctieve ontdekkingen, maar producten van nadenken en speculatie. Het wordt nu onderkend dat ‘de verzamelaars en jagers’ niet alleen voldoende te eten hadden, maar ook nog eens een overmaat aan vrije tijd kenden, die daadwerkelijk veel groter was dan die van de moderne industrie- en landarbeider of de archeologie hoogleraren.’

Ik heb er ook geen zicht op of een redactionele samenval bewust geconstrueerd is. Het valt namelijk op dat in Pflasterstrand ook teksten van de Amerikaanse anarchist Murray Bookchin zijn opgenomen. Die stond toen al bekend om zijn sociale ecologie, die mede een verwantschap vertoont met waarop Feyerabend bij de ‘stenentijdperkmens’ de aandacht vestigt. Het kan geen kwaad hier te wijzen op de bundel artikelen van Bookchin, verschenen in de periode tussen 1965-2002, onder de titel Sociale ecologie en politiek, Bookchins radicale politieke ideeën over een duurzame en libertaire maatschappij (Kelderuitgeverij, Utrecht, 2018).

Kolonisering en onderdrukking

Is het zo verrassend dat, ondanks deze bevindingen, de wetenschap zoals die heden regeert en als enige ideologie erkend, onaangevochten geldt? Wel, dat is zo omdat zij als enig resultaat in het verleden zich door institutionele maatregelen heeft weten te vestigen. Feyerabend verwijst daarbij naar het opgelegde soort onderwijs, naar de rol van experts en belangengroepen zoals de ‘American Medical Association (AMA). Deze institutionalisering heeft een terugkeer van rivalen weten te verhinderen. ‘De wetenschap is heden niet op grond van haar verdiensten in vergelijking tot andere ideologieën overheersend, maar omdat die de show ten gunste van haar heeft weten te organiseren’, aldus Feyerabend.

Wat dit organiseren aangaat wijst Feyerabend op de min of meer faire strijd die in de 16de en 17de eeuw in gang was gezet tussen de oude westerse wetenschap en filosofie en de nieuwe natuurwetenschappelijke filosofie. ‘Zo’n soort strijd is er nooit geweest tussen het complex van westerse ideeën en de mythen, religies en procedure van buiten-Europese maatschappijen. Deze mythen, religies en procedures zijn uit zichzelf verdwenen of verloren gegaan, niet omdat de wetenschap beter zou zijn geweest, maar ‘omdat de apostelen van de wetenschap vastberaden veroveraars waren, omdat zij de dragers van alternatieve materiële culturen onderdrukten’ (curs. Feyerabend).

Er is volgens hem geen objectief vergelijkend onderzoek gedaan naar methoden en resultaten. ‘Er was slechts kolonisering en onderdrukking van inzichten van gekoloniseerde stammen en naties. Weer is de overmacht van de wetenschap niet het resultaat van onderzoek of argumentatie, maar van politieke, institutionele en militaire druk.’ En het zijn deze door hem vertolkte gedachten, die volstrekt onderbelicht zijn gebleven in der tijd (jaren 1960-1980). Feyerabend, met Lakatos en Kuhn, bepaalden door een aantal van die zaken aan te kaarten, wel de sfeer van de discussie in wetenschappelijke kringen en Feyerabend ook in een tijdschrift als Pflasterstrand. Wat lieten de meeste wetenschappers volgens Feyerabend liggen? Daarover de volgende aflevering.

Thom Holterman

[Beeldmateriaal met dank ontleend aan de grafische kunstenares Anna Reinders, die deze tekeningen maakte voor haar broer, de overleden kritische jurist Alex Reinders, zoals je er nog maar weinigen hebt.]

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: