Spring naar inhoud

Paul Feyerabend (1924-1994). Anarchisme En Kennistheorie (7/7)

11/10/2020

Hoofdstuk III            Feyerabend op herhaling?

Paul Feyerabend (1924-1994) is de wetenschapstheoretische auteur van het boek Against Method. Hij introduceerde de leus ‘anything goes’ in het veld van de kennistheorie. Hij is geboren in Oostenrijk, leefde daar maar ook in Duitsland, Engeland, Italië en zo’n vijfentwintig jaar in de Verenigde Staten. Feyerabend heeft zich toegelegd op het ontwikkelen van een anarchistische kennistheorie, die hij ook dadaïstisch noemde. Hij leverde kritiek op wetenschap, wetenschappers en ‘experts’ en wees daarbij op de politieke implicaties die dit alles had. Over die man, zijn anarchistische kennistheorie, politieke implicaties en verwante relevante opvattingen gaat het hier. Een ‘verhaal’ dat doorloopt tot in het heden. Ik behandel dit in zeven delen. Hier het zevende tevens laatste deel. [ThH]

Mantra’s

Het is niet nodig om doorgeleerd te hebben in een bepaalde sector om toch als ‘expert’ erkenning te krijgen. Wie oud genoeg is, herinnert zich nog hoe het komisch duo Van Kooten & De Bie daar op meesterlijke wijze de draak mee wisten te steken met het oproepen van ene Dr. Remco Clavan om iets te komen uitleggen. Het is evenwel volle ernst om heden menige wetenschapper de neurowetenschap te horen aangeroepen om zijn of haar beweringen erop te laten berusten. Wat dat aangaat zijn het vervalste (vrai faux) experts, die met beroep op de neurowetenschap gezag trachten te kweken. Aan een bespreking in Marianne van 24-30 april 2020 van het boek van Julia De Funes (Developpement (un)personnel, 2020) ontleen ik daarover het volgende.

Een groot aantal mobiliserende inzichten waarbij een verwijzing naar de neurowetenschap wordt gemaakt, berust op twee mantra’s die inherent zijn aan persoonlijke ontwikkeling: (a) er bestaan in onszelf verborgen bronnen en (b) wij kunnen altijd handelen ten opzichte van wat ons overkomt. Wanneer u dus wordt verteld dat ‘de neurowetenschap leert’, dat u uw geheugencapaciteit kan verbeteren, of dat u slechts 10% van uw hersens gebruikt, betekent dit dat het u altijd mogelijk is in situaties te handelen, hoe overheersend die ook zijn. De uitkomst is, dat als iemand het niet lukt zijn of haar probleem te boven te komen, dan is het diens eigen fout (want: ‘Je kan het!’). De auteur van het boek dan weer geciteerd: ‘Ik heb een aantal mensen ontmoet die bij de psychiater zijn terecht gekomen, nadat ze in handen waren gevallen van experts!’ 

De neurowetenschap is zelfs de staatsrechtswetenschap binnen gedrongen – als mantra wel te verstaan. De Leidse hoogleraar Staatsrecht, Wim Voermans, wijst in zijn vuistdikke boek over ‘ons’ en de grondwet op ‘onze neurobiologische aanleg’. Wat hij wil uitdrukken is dat geen enkel individu in staat is met een groot aantal mensen een stabiele sociale relatie te onderhouden. Hij brengt dit in verband met de functie van het (menselijke) vertrouwen. Dat soort vertrouwen verruimt de beperkte kring van mensen voor de stabiele sociale relaties, waarvan zojuist sprake was. De mantra die Voermans gebruikt om deze problematiek bespreekbaar te maken is het oproepen van de ‘neurobiologische aanleg’ en ook gebruikt hij de oproep ‘neurale capaciteit’. Alsof hij naast jurist ook ineens neurowetenschapper is. Hij hanteert daarbij een merkwaardige vorm van literatuurverwijzing.

De ene keer verwijst hij bij ‘neurobiologische aanleg’ naar de Amerikaanse politicoloog Fukuyama. De auteurs die hij opvoert wanneer hij ‘neurale capaciteit’ gebruikt, L.R. Weber en A.L. Carter, lijken mij ook al geen neurowetenschappers. Een daaropvolgende keer dat Voermans spreekt over ‘neurobiologische aanleg’, wijst terug naar hoofdstuk 3 van zijn eigen boek. Daar bespreekt hij het Dunbar-getal, dat de Britse antropoloog en evolutiepsycholoog Robin Dunbar heeft berekend op basis van meting van menselijke herseninhoud in een heel ver verleden, toen mensen nog in stamverbanden leefden. De psychologe Elke Geraerts spreekt in haar boek Authentieke intelligentie (2019) over ‘het beruchte Dunbar-getal’ – want mensen leven nu in een heel andere context en allerlei vermogens van mensen evolueren mee. Dat vermoedde Voermans waarschijnlijk ook wel vandaar dat hij nog wat na sputtert over Facebook en LinkedIn…

Argumentatieve willekeur

Gelet op het voorgaande lijkt mij dat er nog plaats is voor wetenschapskritiek op een manier als die van Paul Feyerabend. Of zijn teksten daarbij een (inspirerende) rol kunnen spelen, is voor mij duidelijk, maar verder kan alleen ieder voor zich dat uit maken. Of ik zelf beïnvloed ben door Feyerabend? Wie zal het zeggen. Ongetwijfeld blijft er bij bestudering van iemands teksten die je aanstaan het een en ander hangen. Maar de humbug van wetenschappers stond mij al tegen voor ik in aanraking met het werk van Feyerabend kwam en het anarchisme had ik eveneens al voordien redelijk bestudeerd. Het uitkomen van zijn boek Against Methode (1975) was het moment om mij nadrukkelijk met zijn visie op wetenschap bezig te houden.

Mijn manier van observeren en analyseren heb ik eens verwoord in het boek getiteld Argumentatieve willekeur en de beoefening van de staatsrechtwetenschap (1988). Daarin treft men tevens enkele verwijzingen aan naar Feyerabend. Wat ik ‘argumentatieve willekeur’ noem, lijkt mij, zeg ik nu, deels verwant met zijn leus ‘anything goes’. In mijn boek laat ik zien hoe juristen en rechtsgeleerden telkens weer juist die argumenten kiezen, die hen goed uitkomen om hun doel te bereiken – maar wie doet dat niet. De rechtswetenschap kent een groot aantal methoden en men gebruikt die, welke nuttig geacht worden. Dat was al zo, eeuwen vóór mijn tijd. Ik geef daarvoor als voorbeeld Hugo de Groot (1583-1645), die als jong jurist in opdracht van de Oost-Indische Compagnie (OIC) het boek schreef Het recht op buit (1605). Hij stak zijn tekst zo in elkaar dat zijn opdrachtgever eruit kon opmaken dat voor de OIC dit recht bestond. In mijn eigen tijd, dus de periode waarin ik het boek schreef, was het niet anders. Als een van de voorbeelden om de ‘argumentatieve willekeur’ bloot te leggen, diende het advies dat de staatsrechtsgeleerde D.J. Elzinga schreef inzake de rechtmatigheid van de pensioentoekenning aan mevr. Rost van Tonningen (TK 1986-1987, 19 783, nr. 3). 

Nu, decennia verder, geldt het nog steeds. Als voorbeeld gebruik ik de actuele mondmaskers-affaire in Frankrijk tijdens de coronacrisis in 2020. Het is duidelijk dat als er niet voldoende mondmaskers zijn voor de bevolking er geen verplichting kan gelden om mondmaskers te dragen. Dus worden er ‘experts’ aangewezen die betogen dat zulke maskers geen beschermend effect hebben tegen Covid-19. Eenzelfde type betoog geldt voor het testen van mensen. Zolang er niet voldoende (effectief) testmateriaal voorhanden is, heet het dat testen geen zin heeft. Op een halve pagina slechts van Marianne van mei 29 mei – 4 juni 2020 vindt u de opsomming van argumentatieve willekeur: door de minister van Gezondheid (toen nog Agnès Buzyn; 26 januari 2020) en door de eerste-minister Edouard Philippe (‘het dragen van maskers, in het algemeen door de bevolking, op straat, dat dient tot niets’; 12 maart 2020 op TF1), door de president van Frankrijk himself – hij weigert het dragen van maskers aan te bevelen aan iedereen (16 april 2020)…12 dagen later is zijn toon veranderd, als hij in het parlement zegt: ‘(..) het zal de voorkeur hebben in veel omstandigheden een mondmasker te dragen’. Van waar die draai? Wel, ondertussen was het tekort aan maskers weggewerkt…

Inmiddels loopt er een Franse parlementaire enquête, zo kwamen we al tegen. Ook in deze mondkapjes-soap stellen senatoren weer hun vragen over de tegenstrijdige discours van ‘het gezag’, in het begin van epidemie: de bevolking wordt eerst afgeraden mondkapjes te dragen en later wordt het dragen op straat en in gesloten ruimtes verplicht gesteld. Een hoofdverantwoordelijke ambtenaar zit te draaien, als hij voorgelegd krijgt dat hijzelf begin maart (2020) de Fransen het dragen van mondkapjes op straat afraadde. Omdat er wellicht schaarste heerste wat mondkapjes aangaat? Neen, er was geen pénurie (gebrek, tekort aan), maar wel was er de fortes tensions (hoge spanning; hier verschijnt Orwell en zijn newspeak om terminologisch te ontsnappen). Kom toch zegt een van de senatoren: ‘We hebben allemaal op de departementen gehoord over verpleegkundigen die huilden omdat er niet voldoende beschermingsmateriaal was’. ‘Kom niet met het verhaal dat alles was gedaan om ze te beschermen. Dat is onjuist. Ze zijn onbeschermd gebleven’ (Le Monde van 18 september 2020). Dezelfde soap is in Nederland opgevoerd, andere namen, andere plaatsen, maar wel hetzelfde gedraai en gelieg van experts en politici en eenzelfde datum 18 september 2020; zie Nieuwsuur, ‘Mondkapjesrichtlijn RIVM voor ouderenzorg tóch gebaseerd op schaarste’.

Zal de toekomst ook voorbeelden van argumentatieve willekeur geven? Ongetwijfeld. Zo heb ik hierboven steeds ‘feiten’ geconstateerd – terwijl ‘feiten geen feiten zijn’, zoals de rechtsfilosoof Glastra van Loon (1920-2001) ooit leerde. Dat ik naar Glastra van Loon verwijs, heeft als reden om (a) ermee een tijdstip aan te geven en om (b) een achterliggend doel te noemen. Het tijdstip geldt 1970 (jaar van publicatie van zijn artikel ‘Feiten zijn geen feiten’). Het achterliggende doel van Glastra van Loon was het torpederen van de rechtspositivistische insteek in de rechtswetenschap. Het wil vervolgens dat terzelfder tijd een aantal docenten in de nieuw opgezette Juridische faculteit in Rotterdam (toen nog NEH, daarna EUR) de wind vanuit diezelfde hoek lieten waaien.

Het was in 1969-1970 dat ik daar als rechtenstudent aankwam. Het was de tijd dat in de psychiatrie mensen als R.D. Laing en D. Cooper spraken en schreven over anti-psychiatrie. De Rotterdamse rechtstheoreticus Jack ter Heide, die Glastra van Loon kende en ons studenten wees op diens ‘Feiten zijn geen feiten’, gaf in de ‘korte zomer van de antiautoritaire culturele omwenteling’ (mijn parafrasering van een boektitel van Hans Magnus Enzensberger) uitdrukking aan de mogelijkheid om te denken in termen van anti-staat en anti-jurist (1976). Welnu, in Feyerabend’s Against Methode vindt men eveneens uitgelegd dat de wetenschap helemaal geen ‘bare facts’ kent. Ze kent alleen maar feiten die reeds op een bepaalde manier bewerkt, onze ‘kennis’ binnenkomen, waardoor ze in de kern ‘ideëel’ zijn [p. 19]. 

Deze verschillende elementen vormen onderdelen van een tijdsbeeld. Ook het optreden van Paul Feyerabend – hoewel in dit zevende deel als het ware op herhaling –  kan daarin floreren evenals Pflasterstrand. Feyerabend’s bijdragen pasten daarin vanwege de kritische formule die hij hanteerde èn omdat ook de politieke implicaties van zijn anarchistische kennistheorie tot uitdrukking kwamen – althans zo lees ik nu de serie jaarboeken.

Ik neem mij voor uitgebreider de inhoud van de jaarboek-serie Unter dem Pflaster liegt der Strand te evalueren. Dat zal ik in een andere serie doen.

Thom Holterman

[Beeldmateriaal met dank ontleend aan de Franse street art kunstenaar RNST.]

Afkortingen:

BriefePaul Feyerabend, Briefe an einen Freund, uitgegeven door Hans Peter Duerr, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1995.

PflasterstrandUnter dem Pflaster liegt der Strand, 15 Delen, Karin Kramer Verlag, Berlin, 1974-1985

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: