Spring naar inhoud

‘Unter dem Pflaster liegt der Strand’ (1974-1985): Anarchie – Antropologie

20/12/2020

is een Duits ‘jaarboek’ dat vijftien keer verscheen (1974 – 1985). In 2013 kwam het nog een keer uit (nummer 16) en daarna was het afgelopen. Ik kort de titel van het jaarboek hier af met Pflasterstrand. In Nederland is het jaarboek nauwelijks doorgedrongen. Over de bekendheid ervan in het Duitstalige gebied is mij niets bekend. Wel is het zo dat in Duitsland menig anarchistische stroming en haar afsplitsingen, ieder hun eigen blad uitgaven. Die indruk wekt tenminste het boek van Günter Bartsch (1927-2006) getiteld Anarchismus in Deutschland, 1965-1973, Deel 2/3 (Hannover, 1973). Waar Bartsch wat het tijdstip betreft eindigt met zijn opsomming, begint in het jaar erop Pflasterstrand. Wat maakte het jaarboek interessant en kunnen we er heden nog wat mee? Een evaluatie.

Uitgeverij en eindredactie

Het jaarboek werd uitgegeven door het anarchistische Karin Kramer Verlag te Berlijn. Die uitgeverij ontstond in de beginjaren 1970 in Berlijn waar Karin en Bernd Kramer vanaf 1968 in linksradicale, anarchistische sferen actief waren. De eerste twee nummers van Pflasterstrand verschenen met de ondertitel ‘Anarchisme heden’, maar ook enkele van de opvolgende nummers behielden die signatuur. Opgemerkt kan worden dat de aandacht gericht was op nieuwe impulsen binnen de ideologische stroming van het anarchisme, zoals ook door de initiatiefnemers van Pflasterstrand geschreven werd. Daarbij werd uitgegaan van mensen als Paul Goodman, Noam Chomsky, Murray Bookchin, Colin Ward. Daarnaast ging de aandacht uit naar anarchistische kennistheorie en wetenschapskritiek. Het was vooral de Oostenrijks-Amerikaanse Paul Feyerabend die daarvoor tekende.

De eindredactie van Pflasterstrand was in handen van de Duitse etnoloog en cultuurhistoricus Hans Peter Duerr, die Karin en Bernd Kramer reeds langer kende (beiden zijn in 2014 overleden; voor een in memoriam op deze site, geschreven door Tjebbe van Tijen, klik HIER). Ook had Duerr bij toeval in 1965 in Heidelberg voor het eerst Paul Feyerabend ontmoet (zie over deze ontmoeting het eerste deel van mijn Feyerabend-reeks op deze site, klik HIER). Feyerabend kwam dus via Duerr het jaarboek binnen. Met Duerr zelf ging de aandacht in het jaarboek ook naar antropologische onderwerpen uit, zoals het sjamanisme, het heksenwezen, mythen, etnologische onderwerpen als inlandse bevolkingsgroepen en autochtone volkeren.

Gesystematiseerde inhoud van de 15 delen: van anarchisme naar antropologie

Ooit had ik de vijftien delen Pflasterstrand gelezen, maar er was weinig van blijven hangen. Ik ben ze vanaf de tweede helft van 2019 tot in de eerste maanden van 2020 dan ook gaan herlezen met het oog op een poging tot evaluatie ervan en met in mijn achterhoofd de vraag, kunnen we er heden nog wat van leren? Ik legde drie categorieën aan om daarnaar het totale aantal items van 146 stuks in te delen: (1) anarchisme of anarchistisch gerelateerd, (2) antropologie (in ruime zin, dat wil zeggen dat ook etnologie er onder valt en dat het mogelijk voor anarchisten interessant is – zoals de bijdragen van de Franse antropoloog Pierre Clastres) en (3) Feyerabend (artikelen van zijn hand en die gerelateerd aan hem waren).

Gelet op de aantekeningen die ik maakte, vielen 25 bijdragen in categorie 1. In categorie 2 kwamen 21 bijdragen terecht en in categorie 3, van Feyerabend zelf 10 bijdragen en 6 aan hem gerelateerd. Dit betekent dat ik van de 146 items er 62 kon waarderen. Dat wil niet zeggen dat de overige items oninteressant zouden zijn. Die uitspraak kan ik niet verdedigen. Het betreffen bijna allemaal items die wel in de categorie ‘antropologie’ vallen, maar in ieder geval voor mij  geen enkele relatie tot het anarchisme vertoonden en ook overigens niet mijn belangstelling wisten te wekken. Deze verschuiving van anarchisme naar antropologie schrijf ik toe aan het redactionele beleid van Hans Peter Duerr, reden om iets meer te zeggen over diens inbreng.

Hans Peter Duerr

Hans Peter Duerr was ook in wetenschapstheorie geïnteresseerd. Dat blijkt onder meer uit zijn artikel ‘Fröhliche Wissenschaft’ (Pflasterstrand, Deel 4, 1977). Het betreft een artikel over zijn bijdrage aan een discussie over wetenschapstheorie met Paul Feyerabend en anderen (in Kassel, juli 1977). Hij spreekt uit dat hem eigenlijk maar drie auteurs hebben aangesproken in de wetenschapstheorie, Thomas Kuhn, Paul Feyerabend en Michel Foucault. Hij vult aan dat hij de eerste twee wel en de derde niet heeft begrepen. Vervolgens legt hij uit voorstander te zijn van pluralisme, niet alleen wat anarchisme aangaat, maar ook aangaande de wetenschap. Het kan bijvoorbeeld niet alleen rationalisme zijn, ook irrationalisme moet aandacht krijgen. Je moet je kunnen afvragen waarom er wel wetenschap is over prostituees, ‘wilden’, arbeiders enzovoort, maar nauwelijks wetenschap die van ervaringen van prostituees, heksen enzovoort geleerd heeft. In de etnologie wordt dat nog eens duidelijk, zegt hij. Er is volop structuralistische, marxistische, psychoanalytische, functionalistische analyse, dus analyses erover, erachter, eronder, zuivere en wat al niet meer. Maar nauwelijks hoor je de mensen zelf.

Dat je nauwelijks de mensen zelf hoort, wordt ervaren als een gemis. Er wordt iets door wetenschappers weggelaten. Dit gebeurt op meerdere vlakken. Er vindt een soort reductionisme plaats van het geen opgemerkt zou kunnen worden. Dat maakt weer dat zich wetenschappers aandienen die het zogeheten wetenschappelijke reductionisme bloot leggen. Een aantal keren komt men in de nummers van Pflasterstrand dan ook een artikel tegen dat het reductionisme aan de kaak stelt. Duerr is de eerste om zo’n artikel te leveren, getiteld ‘Kunnen heksen vliegen?’.

Om die vraag te beantwoorden, beschrijft hij eerst de omvangrijke plantenkennis en kennis van plantengif waarover heksen beschikken (nachtschade-planten; duivelskruid, enz.). Vervolgens gaat het over het gebruik van heksenzalf. Heeft dat effect en indien zo, welk? Sommige mensen zeggen dat zij vlogen… of beeldden zij zich dat in? Een sjamaan naar dit soort ervaringen gevraagd, gaf als antwoord: ‘Vogels vliegen als vogels, en een mens, die duivelskruid genomen heeft, vliegt ook zo’. ‘Zoals vogels vliegen?’ ‘Neen, hij vliegt als een mens, die kruid genomen heeft’. Kortom: wat zullen we in dat geval dus onder vliegen verstaan? Duerr daar dan over: ‘Voor de meeste wetenschappers die tot de westerse beschaving behoren, zal het niet moeilijk zijn hierop te antwoorden. Zij zullen spreken over ‘persoonlijkheidsdissociatie’ of het hebben over een interessant geval van ‘multiple persoonlijkheid’. Etnologen die dat soort voorstelling hebben gehad, die zeggen te hebben gevlogen, zijn het slachtoffer van hallucinaties’. Nu is Duerr  waar hij wezen wil: wetenschappelijke reductie.

Het redactiebeleid wordt dus mede gevoed vanuit het idee dat onze opvattingen van de werkelijkheid door de werkelijkheid ‘ondergedetermineerd’ zijn – de ervaring zegt niet van zichzelf wat het is, een belevenis spreekt niet over zichzelf uit, dat het een hallucinatie is of niet. De ervaring kan dus niet als ‘rechter’ optreden, aldus Duerr. 

De een houdt iets voor hallucinatie waar de ander het voor de werkelijkheid houdt. Hij formuleert met het oog hierop dan de stelling: ‘Alle oordelen, die wij aannemen en die ons hele wereldbeeld uitmaken, zijn nog niet door de ervaringsgegevens eenduidig bepaald, maar hangen af van de keuze van het begripsapparaat’. Daarmee is dan tevens ‘taal’ als een te bestuderen verschijnsel Pflasterstrand binnen gehaald. ‘Heksen’ zijn inmiddels een actueel onderzoeksthema geworden en vormen een actiethema.

Vroeg oordeel over de eerste delen door AS-redacteur Wim van Dooren

Alvorens met mijn evaluatie verder te gaan, wil ik de lezer niet onthouden tot welk oordeel een redacteur van de AS, de filosoof Wim van Dooren (1934-1993), kwam over de delen 4 en 5 van Pflasterstrand (in de AS 37, jan.-febr. 1979). Hij vindt deze twee nummers, evenals de drie voorafgaande nummers, opnieuw veel informatie leveren over anarchistische thema’s in de wetenschap en over de geschiedenis van het anarchisme. ‘Duerr weet van overal interessante artikelen te verzamelen en biedt ook enkele speciaal voor Pflasterstrand geschreven bijdragen, zoals iedere keer iets van Feyerabend. De laatste geeft in nummer 4 een boeiend overzicht van zijn kentheoretische opvatting, waarin hij aan de hand van veel voorbeelden zijn houding tegenover de wetenschap verduidelijkt’.

In een serie van zeven delen, onder de hoofdtitel Paul Feyerabend (1924-1994). Anarchisme en kennistheorie, heb ik kort geleden zelf uitgebreid becommentarieerd verslag gedaan van de artikelen van Feyerabend in Pflasterstrand (voor het eerste deel van die reeks, klik HIER).

Van Dooren wijst verder nog op artikelen die de moeite waard zijn, zoals in nummer 4 dat van de antropoloog Werner Müller over taal en natuuropvatting bij de Sioux [dat ik in categorie 2 heb ondergebracht; thh.]. Hij vindt het een ‘duidelijke ondersteuning voor Feyerabend’s pluralistische standpunt: de Sioux hebben minstens zo waardevolle opvattingen als moderne wetenschappers, maar wel totaal andere’. Vermeldenswaard vindt Van Dooren ook een oud artikel van Paul Goodman over ‘subtalen’. Hij onderscheidt die van ‘slang’, dat een werkelijk creatief taalproces inhoudt. Mij viel eerder de opmerking van Goodman op, die hij over het lezen van kranten maakt: ‘Het grootste deel ervan wordt uitgemaakt van ‘lezen om leegheid in het hoofd te vullen’. Het onderhoudt namelijk de mogelijkheid van small talk, het kletsen met elkaar’ (Deel 5, p. 85).

Ook wijst Van Dooren op de informatie over de Münchense Radenrepubliek van 1919, geschreven door Harry Pross. Het was een van de eerste artikelen die mij opviel bij mijn herlezing van Pflasterstrand en waarvan ik gebruikmaakte voor een geactualiseerde beschouwing onder de titel ‘Pre-Nationaalsocialistisch ‘Ordeherstel’: Ondergang Radenrepubliek München 1919. Neonazisme in ‘Ons land’ 2019. Wat volgt’. In de genoemde beschouwing verwerkte ik het schitterende beeldmateriaal van de Duits-Nederlandse grafisch kunstenaar Gerd Arntz. In Deel 7 van Pflasterstrand treft u een vraaggesprek met hem van Reiner Mausfeld getiteld ‘Kunstspektakel, Anarchismus und politische Kunst heute: Fragen anGerd Arntz’.

De slotopmerking van Van Dooren over de eerste nummers van Pflasterstrand sluit aan bij mijn algehele indruk van de nummers die na het vijfde deel volgden: ‘In de twee bundels staat nog het een en ander, wat minder van belang is, hoewel er toch altijd veel aardige voorbeelden uit te halen zijn ter ondersteuning van anarchistische ideeën’. Wat de latere nummers aangaat, merkte ik op dat het zeer wisselend is. Zo bevat nummer 6 artikelen van twaalf auteurs, waarvan slechts één artikel in een van de drie door mij gecreëerde categorieën paste; van nummer 7 pasten maar 4 artikelen. Het elfde deel is uitgegeven als een vriendenboek voor de jarige (75 jaar) Duitse hoogleraar antropologie Werner Müller…

Anarchie en antropologie

Een aanzienlijk aantal antropologische bijdragen in Pflasterstrand had weinig of niets met het anarchisme van doen, heb ik aangegeven. Sommige van die bijdragen konden evenwel voor een niet-antropoloog informatief of interessant zijn. Zo is er de categorie die of anarchiserend kan werken, dan wel zich direct of indirect met libertaire vraagstukken bezighoudt. Onder de laatste schaar ik bijdragen van de Franse antropoloog en etnoloog Pierre Clastres (1934-1977). Ook Hans Peter Duerr heeft dat zo begrepen.

Clastres is zich gaan bezighouden met wat hij politieke antropologie noemt. Daarbij gaat het om analyse van de kwestie van leiderschap en macht in relatie tot samenlevingen zonder staat. Gevonden inzichten kunnen dan weer dienen voor reflexie over de huidige bestaande (statelijke) maatschappijen. Hoewel dit niet direct over het anarchisme gaat, kunnen de verworven inzichten toch interessant zijn voor anarchisten en voor wie zich met libertaire leerstukken bezighoudt. Dat wordt duidelijk in het vraaggesprek met hem, afgenomen enkele weken voor zijn dood (bij een verkeersongeval). Dat vraaggesprek is in Deel 4 (1977) van Pflasterstrand in een Duitse vertaling uit het Frans opgenomen, getiteld ‘Over het ontstaan van macht: een interview’. Hierin gaat hij in op de vraag waar zijn term ‘politieke antropologie’ naar verwijst.  Ik ontleen het volgende aan de beantwoording.

Clastres spreekt over ‘primitieve’ samenlevingen. Wat zijn dat? Dat zijn samenlevingen zonder staat. Wanneer men daarvan spreekt is het noodzakelijk, zegt hij, ook te spreken over samenlevingen met staat. Waar ligt het probleem? Waarom ben ik daarin geïnteresseerd en waarom probeer ik daarover na te denken? Samenlevingen zonder staat wijzen de staat van de hand; ze zijn tegen de staat. Het niet voorhanden zijn van de staat in ‘primitieve’ samenlevingen is geen manco. Zij wijzen de staat af waarbij zij de staat als blote vorm van machtsverhoudingen begrijpen. En dan wordt het interessant om te onderzoeken hoe ‘primitieve’ samenlevingen het voor elkaar krijgen de staat van zich weg te houden. Het blijkt dat zij de volgende deling buiten de deur houden: zij die bevelen geven en zij die gehoorzamen. Pierre Clastres is hier duidelijk in zijn element. Wat je daarover kan zeggen gaat binnen de politieke antropologie vallen. Het woord ‘anarchisme’ is niet gebruikt – maar een anarchist zal de problematiek herkennen. In Deel 7 van Pflasterstrand vindt men vervolgens van Pierre Clastres een artikel ‘Marxisten en de etnologie’ en in Deel 8 een artikel ‘Vrijheid – Fataliteit – Naamloos’. Dat laatste gaat in op een gedachte van Étienne de la Boétie die zich al in 1577 afvroeg waarom de meerderheid van de mensen één iemand volgt – en zich daarmee overgeeft aan vrijwillige slavernij.

Hoewel in Pflasterstrand meer en meer antropologie aan de orde is gekomen, die niets met het anarchisme te maken had, mag men het toch een voorloperrol toeschrijven. Het stimuleerde namelijk de kennisname van sommige verschijnselen, die buiten het rationele kader van denken worden gehouden. Te denken is aan de functie van sjamanen in ‘primitieve’ samenlevingen. Maar wie durft samenlevingen zonder staat nog ‘primitief’ te noemen, als tegelijk in ‘samenlevingen met staat’ zichtbaar is welke aandacht er uitgaat naar hedendaagse religieuze leiders, zoals de paus – met al die merkwaardige gewaden, wijwaterkwast, wierookpotjes en aanroepen van onzichtbare machten? Het is zeker dat hele volksstammen evangelicals in de USA in zwijm voor de televisie hingen bij het zien van Trump, zwaaiend met een bijbel in de hand (op 2 juni 2020). Wat heeft dat allemaal met de geroemde rationaliteit te maken? Niets. Wel alles met ‘bezweren’.

Inmiddels is er een etnologie ontstaan, die zich in de richting van de politieke filosofie ontwikkelt. Dat maak ik op uit een bespreking van het werk van de hedendaagse Franse etnoloog Charles Stépanoff (in Le Monde van 6 september 2019; zie voor een presentatie van zijn werk op de site van de EHESS/Parijs). Hij haakt aan bij de Franse antropologische traditie, met name die van Pierre Clastres. Die aansluiting werd in onze tijd eveneens gezocht door de te vroeg gestorven Amerikaanse antropoloog en activistische anarchist David Graeber (1961-2020). Die stroming in de antropologie, zo leest men, weigert de ‘oude’ (primitieve) wereld te reduceren tot een affaire van exotische nieuwsgierigheid. Hetzelfde kan men zeggen als men studies leest van de Amerikaanse antropoloog James C. Scott (zoals zijn ‘graantheorie’) en van zijn Amerikaans-Franse collega Charles Macdonald. Kortgeleden kwam ik nog een bijdrage van de laatstgenoemde tegen in het Franse anarchistische maandblad Le Monde libertaire, getiteld ‘Gerechtigheid in samenlevingen zonder staat’ (nr. 1822, november 2020). Een andere interessante stroming die ik niet ongenoemd wil laten, is die van de Franse antropoloog Phillippe Descola en zijn kritiek op de deling natuur/cultuur. Hij deed, net als Pierre Clastres veldonderzoek in het Amazone gebied (bij de Jivaros Achuar in Equator). Een aantal jaren, tot 2019, bezette hij aan het Collège de France de leerstoel ‘Antropologie van de natuur’.

De voorloperrol die ik aan Pflasterstrand toedicht, is te danken is aan het werk van de eindredacteur, Hans Peter Duerr. In menige uitgave zijn bijdragen opgenomen die ingaan op uitwerkingen en discussies over etnologische en antropologische onderwerpen, afkomstig uit alle windstreken. Zelf concentreer ik mij op de politieke variant van dit studiegebied. Voor anarchisten is dan interessant hoe men omgaat met autoriteit en macht in een samenleving zonder staat. De vraag moet dan beantwoord worden hoe in zo’n samenleving de verhoudingen zo zijn geregeld, dat autoriteit en macht – waar die van individueel karakter kan zijn – geen kans tot staatsvorming krijgen (dus een deling instellen van bevelen/gehoorzamen). Wat zijn de beveiligingsmiddelen daartegen? De Duitse antropoloog Hermann Amborn heeft daar studie naar gedaan. Hij heeft dat beschreven in zijn boek getiteld Das Recht als Hort der Anarchie (2016). Ik baseerde daar weer mijn boek op met als titel Volken zonder staat (2018).

Merkpalen of scharnierpunten

Om iets te zeggen over de plaats die verschillende anarchistische tijdschriften innemen, heb ik voor een bijdrage in de AS 208 een tweedeling gemaakt, ‘merkpalen’ en ‘scharnierpunten’. Tijdschriften die bij een bepaalde tendens aansluiten, noem ik ‘merkpalen’. Dat was bijvoorbeeld het Engelse tijdschrift Anarchy (1960-1970), opgericht door de Engelse anarchist Colin Ward. De AS (1972-2020) reken ik daar ook onder. Pflasterstrand zou daar eveneens onder vallen door zijn aandacht voor de tendens van het pragmatisch anarchisme. Het eerste nummer ervan is niet voor niets opgedragen aan de Amerikaanse anarchist Paul Goodman (1911-1972).

De inbreng van de anarchistische kennistheorie met name van Paul Feyerabend (1924-1994), maakt dit voor mij niet anders. Diens inbreng verrijkt de discussie over het verschijnsel wetenschap in het anarchisme. Toch reken ik Pflasterstrand onder de ‘scharnierpunten’. Ik doe dat omdat er nadrukkelijk en veelvuldig wordt aangehaakt bij een sector van wetenschap, de antropologie en etnologie, die op zich niets met anarchisme van doen heeft, maar daar wel voor van belang kan zijn.

Hierboven heb ik beschreven dat in de loop van de jaren het anarchisme in Pflasterstrand bijna geheel door de antropologie verdrongen werd. Dat moet bij Karin Kramer Verlag ook zijn opgemerkt. Het is vermoedelijk daarom dat in 1983 verscheen Anarchistisches Ja(hr)buch I, met als thematitel ‘Nur die Phantasielosen flüchten in die Realität’ (Karin Kramer Verlag, Berlin, 1983). Men vindt er artikelen in van onder meer Noam Chomsky, ‘Über Anarchismus’, Gerd Arntz, ‘Erinnerungen an Mühsam‘, Rudolf Rocker, ‚August Reinsdorf – das Leben eines Rebellen‘. Het betreffen artikelen die een anarchistisch tijdschrift als ‘merkpaal’ zou kunnen typeren. Hoewel het cijfer ‘I’ de indruk geeft dat er van een vervolg sprake zou zijn, is dat er niet meer van gekomen. En Pflasterstrand liep ook naar zijn einde toe (1985, met nummer 15).

Het is de meer antropologische insteek, zo zagen we, die de signatuur van Pflasterstrand uit is gaan maken. Dit heeft geleid tot een doorzetten van een verbreding van het ‘fonds’ waaruit het anarchisme kan putten. Ik spreek over doorzetten, want sommige anarchisten waren zelf al begonnen dat bredere fonds aan te spreken. Zo neemt Hans Peter Duerr, niet verwonderlijk, een bijdrage van de Engelse anarchist Colin Ward op, in deel 3 (1976), getiteld ‘Harmonie en verscheidenheid’, dat uit het Engels in het Duits is vertaald. Het stamt namelijk uit Ward’s boek Anarchy in Action (1973), hoofdstuk 4, ‘Harmony through Complexity’. Daarin verwerkt Ward een aantal zaken direct aan antropologen ontleend.

De verwijzing naar primaire volken vond niet plaats op nostalgische gronden, maar om een confrontatie aan te gaan om op een andere manier te bespreken wat belangrijk geacht wordt op het sociale vlak. Het heeft van doen met wat hier boven al werd opgemerkt: leren dat indianen bijvoorbeeld minstens zo waardevolle opvattingen hebben als moderne wetenschappers, maar wel totaal andere. Er wordt ook een spiegel voorgehouden: hoe obsceen is de ‘westerse civilisatie’ niet. Denk eens aan de politiek verantwoordelijken voor de Toeslagenaffaire die rustig blijven zitten waar ze zitten? Pflasterstrand is hiermee niet langer ‘merkpaal’ maar wordt door het aanbieden voor nuttig gebruik van kennis en inzicht uit een ander ‘fonds’ dan het anarchisme, een ‘scharnierpunt’. Ik heb dan ook het gevoel Pflasterstrand niet voor niets opnieuw te hebben gelezen. Ik neem mij nog voor er meer uit op te diepen om enkele bijdragen eruit te actualiseren.

Thom Holterman

2 reacties leave one →
  1. permalink
    28/05/2021 08:29

    The first photo shows the physicist Hans-Peter Duerr, not the ethnologist & editor of “Unter dem Pflaster liegt der Strand” Hans Peter Duerr. Only difference is the mirror line between Hans & Peter.
    The devil is always a squirrel…

    • tijdschriftdeas permalink*
      28/05/2021 20:36

      Thank you for your comment. I have swapped the image for the intended Duerr.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: