Spring naar inhoud

Kolonialistische Denkvormen En Terreurregimes. Pflasterstrand-serie I

31/01/2021

Dit is het eerste item in het kader van wat ik ‘Pflasterstrand-serie’ noem. Ik heb ten behoeve daarvan twee artikelen genomen uit Unter dem Pflaster liegt der Strand, het ene uit deel 12 (1983) en het andere uit deel 15 (1985). Het artikel uit 1985 concentreert zich op de Duitse filosoof Hegel, en wel diens visie op Afrika en zwarte bevolking in relatie tot slavernij. Het artikel uit 1983 gaat over het nazisme en de onkunde van de sociale wetenschappen Hitler als (sociaal)‘verschijnsel’ te begrijpen. Ik koppel de twee artikelen vanwege de relatie die racisme, fascisme en kapitalisme verbindt onder meer in het zoeken en vinden van zondebokken (joden, vreemdelingen, migranten, zwarten) zoals we dat heden terugvinden. Aldus actualiseer ik de artikelen.

‘Ze schieten op zwarten, hè?’

Een aantal maanden geleden schoot in het plaatsje Kenosha (USA) een 17jarige Amerikaanse extreemrechtse jongeling twee demonstranten dood en verwonde een derde ernstig (augustus 2020). De demonstratie waaraan zij deelnamen vond plaats nadat twee dagen ervoor een witte politieagent in dat plaatsje een Afro-Amerikaanse man zeven kogels in zijn rug schoot. Diens drie kinderen waren getuigen van dit drama. Het gaat om gewone voorvallen in hedendaags USA. Herhaaldelijk worden we ermee via de media geconfronteerd. De Verenigde Staten zijn natuurlijk niet het enige land waar dit gebeurd. Een gepubliceerd Frans onderzoek getiteld Le sang des nègres (Het bloed van negers) door X-M Bonnot en F-X Guillerm (2015) gaat over een slachtpartij in een Frans overzees gebiedsdeel (Guadeloupe). Daar werd bij een manifestatie van arbeiders in staking in mei 1967, hun verzet in bloed gesmoord: 87 dodelijk slachtoffers. In 1985 erkende de Franse staat verantwoordelijk te zijn voor de gebeurtenis.

Net als Frankrijk kennen de Verenigde Staten een maatschappij met een kapitalistische economie. Om te functioneren heeft het kapitalisme behoefte aan samenlevingen die doordrenkt zijn met het idee dat er winst gemaakt moet worden. Dit vormt een dragend idee van de culturele laag waarop het kapitalisme rust. In die culturele laag, die uit vele onderdelen bestaat, vindt men visies, opinies, gedachten waarin men gelooft; daarmee hangen bijbehorende beelden, symbolen, verhalen, mythes samen. Als ik hier over een culturele laag spreek, dan gaat het mij specifiek om de cultuuronderdelen die bij het kapitalisme aansluiten. Men komt daarvoor de term ‘cultuurkapitalisme’ tegen, maar het is ook kapitalistische ideologie te noemen.

In de loop van vele eeuwen is de cultuurkapitalistische laag tot stand gekomen. Een van de beginpunten wordt gevormd door het christendom als monotheïsme: één God, de Vader, wraakzuchtig heerschap, de mens als aardse heerser aanwijzend (althans zo schrijft de Bijbel erover en dat is weer een cultuurproduct). De verticale machtsrelatie tussen de Heer en de gelovige repeteert zich in het wereldse (de monotheïstische voor de religieuze betrekkingen wordt een monarchistische voor de wereldse betrekkingen). We zien dan ook de onder/boven schikking in vele soorten relaties oplichten (van baas/knecht tot patriarchaat). Hieruit kon ook het christelijke kolonialisme ontstaan.

Tot de vertegenwoordigers van dat christendom behoren bijvoorbeeld de initiatiefnemers en de leiding van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (opgericht 1602), waarnaar de huidige Nederlandse VVD minister-president Rutte vanwege de handelsgeest met genoegen verwijst.  Hun missie was een kapitalistische, ingegeven door roofzucht (‘nemen’ als de meest goedkope vorm van toe-eigening). Maar ook de latere politici en uitvoerders van de ‘politionele acties’ in Indonesië van 1947-1949 was die missie niet vreemd. Net onder het juk van Duitse overheersing vandaan, zetten zij vervolgens de overheersing in het oude koloniaal gebied voort. Velen onder hen waren ‘vrome lui’, zoals bijvoorbeeld Colijn.

Tot de symbolen van het cultuurkapitalisme dat er zich uit ontwikkelde behoren Zwarte Piet, moorkoppen, negerzoenen en tien kleine negertjes. Het verbaast niet. Evenmin verbaast het, dat daartegen een al lang lopend verzet bestaat, wat weer een tegenreactie geeft. De Zwarte Piet-discussie verloopt in de laatste jaren zodanig via botsingen tussen links en extreemrechts, dat die kwestie een eendimensionale uiting is geworden. Het lijkt me goed om die kwestie weer te verbreden.

Kolonialistische denkvormen

Die verbreding zoek ik via twee artikelen uit de jaarboek-serie Unter dem Pflaster liegt der Strand. In het laatste deel (nr. 15, 1985) bevindt zich een artikel van Helmut Stockhammer. Het is getiteld ‘Schnappschüsse in Schwarzweiß oder: Wo liegt Afrika?’ (Momentopnames in zwartwit of: Waar ligt Afrika?). De ondertitel luidt: ‘Kolonialistische Denkformen in Hegels Geschichtsphilosophie und Freuds Metapsychologie’. Hij vat een aantal beschrijvingen van de Duitse filosoof Hegel (1770-1831) samen uit diens Geschiedenisfilosofie. Het betreffen zijn karakteriseringen van Afrika en zijn zwarte inwoners. Stockhammer doet dat om te kunnen wijzen op enkele merkwaardige paralellen met wat de Duitse psychiater Sigmund Freud (1856-1939) in zijn Voordrachten ter inleiding in de psychoanalyse zegt. Ik ga dit niet allemaal uitwerken. Ik wil slechts aangeven wat Hegel te berde brengt in relatie tot cultuurkapitalisme.

Hegel zag drie karakteristieke beelden, die hij als grondslag nam voor de gang van de wereldgeschiedenis: het ‘hoogland’ (waterloos; grote steppen), het ‘dalland’ (land doorsneden door grote rivieren), het ‘oeverland’ (land dat onmiddellijk aan zee ligt). Het betreffen drie delen van de aarde, Afrika, Azië, Europa. In zijn polemische uiteenzetting is het ‘eigenlijke Afrika’ het ‘Kinderland’. Het is deze driedeling die Stockhammer intrigeert en maakt dat hij een verband legt met Freud. Naast Hegel maakt ook Freud gebruik van een driedeling. Een van de drie elementen is bij Freud het ‘Es’ (‘het’). Dat vormt een reservoir van (onberedeneerde) impulsen en energie; een pasgeborene heeft alleen ‘Es’.

Hegel erkent dat je weinig over ‘het Afrikaanse karakter’ kan zeggen omdat er niet zo veel van bekend is. ‘De neger vertoont zich als een natuurmens in zijn algehele woestheid en onbedaarlijkheid: van alle eerbiedwaardigheid en zedelijkheid, van dat wat men gevoel noemt, moet men abstraheren’ (Hegel geciteerd bij Stockhammer, Deel 15, p. 132 ev.). Stockhammer bespreekt in het licht van deze visie op mensen afkomstig uit dit ‘duistere continent’ nog enkele ermee samenhangende thema’s. Aan de orde komen Afrikaanse religie als ‘tovenarij’ en ‘kannibalisme’, waarna het thema ‘slavernij’. Duidelijk is dat er vooral geschreven wordt vanuit projecties. Stockhammer licht daarom toe dat de door Hegel geprojecteerde bestemming van negers, te weten slavernij, evenwel iets is dat Europeanen van zwarten gemaakt hebben (Stockhammer zet het gebruik van de term ‘neger’ voort omdat Hegel die consequent gebruikt; in Pflasterstrand is het vanaf het begin van de serie jaarboeken al gebruikelijk om over ‘zwarten’ en ‘witten’ te schrijven).

In de Hegelse historische constellatie is slavernij de ‘karakteristieke’ levensvorm voor hen. Hegel: ‘De negers worden door Europeanen in slavernij naar Amerika gebracht en daar verkocht. Nochtans is hun lot in eigen land erger. Daar wacht hen namelijk een absolute slavernij. Ouders verkopen hun eigen kinderen en ook andersom’ (geciteerd bij Stockhammer, Deel 15, p. 136). Waar Hegel over grondwettelijk recht van Zwart Afrika komt te spreken, ziet hij de gelding van een grenzeloze ‘natuurtoestand’. Stockhammer laat vervolgens deze ‘afwezigheid van Afrikaanse organisatie’ als door Hegel gesignaleerd, corresponderen met Freud’s beschrijving van het ‘Es’ als ‘chaos’.

Het laat zich raden dat de tekst van Hegel een inhoud heeft die extreemrechtse personen zal aanspreken. De beschreven historische stand van zaken is evenwel algemeen bekend. Ze is onlangs nog op een walgelijke manier door een rechtsconservatief Frans opinieblad, Valeurs actuelles (Actuele waarden), gebruikt. In een fictief verhaal van zeven pagina’s, in een serie waarin een aantal politieke persoonlijkheden een reis maakt door de loop van de geschiedenis gerelateerd aan hun herkomst, speelt de zwarte Franse volksvertegenwoordigster van ‘La France Insoumise’ (Ongehoorzaam Frankrijk) Danièle Obono de hoofdrol. Zij wordt afgetekend als een slaaf en is afgebeeld met een ijzeren ketting om haar nek. Het racisme-verwijt dat van alle kanten naar de redactie van Valeurs actuelles toestroomde werd afgedaan met de verwijzing: de slavernij werd door de Afrikanen in de 18de eeuw zelf zo op touw gezet (zie voor meer informatie Le Monde van 29 augustus 2020).

Met name in relatie tot het vervolg van dit artikel is het goed er op te wijzen dat Hegel ook over de opgave spreekt van het bieden van vorming (scholing) om de toestand van slavernij in de loop van de tijd af te schaffen. Dit zit verpakt in een trapsgewijze strategie. Zoals bij Freud, de overgang van kind naar rijpe volwassene aan de orde komt, lijkt het bij Hegel te moeten gaan van neger naar Europeaan. Stockhammer geeft weer dat er scherpe kritiek is te leveren op die visie, niet in de laatste plaats omdat het eigenlijke doel van de stapsgewijze ontwikkelingslogica een opvoedingsstrategie is, die door internalisering leidt tot aanvaarding van voorgegeven gezag.

Terreurregime en ideologische implicaties

Welke kritiek men op deze ingroeistrategie ook kan hebben, het is toch iets anders dan het opzetten van een bureaucratisch uitroei-plan en het ten uitvoer brengen van dat plan. Hoe krijg je op die planvorming en -uitvoering als sociale wetenschapper, vanuit de sociale wetenschappen, greep? Dat is een van de vragen waaraan Manfred Henningsen werkt in zijn artikel getiteld ‘Traumzeit oder Hitler’. De ondertitel maakt duidelijk waarom het draait: ‘Anmerkungen zum Einfluß des Positivismus in den Sozialwissenschaften’ (Pflasterstrand, Deel 12, 1983).

Een pijnpunt voor Henningsen is dat onder ‘positivisme’ zich een sterke reductie van de werkelijkheid heeft voorgedaan. De empirische sociale wetenschappen hebben zich aangepast aan het wetenschapsmodel van de natuurwetenschappen of hebben dat zelfs gekopieerd. ‘Traumzeit’ in de titel van zijn artikel staat voor een tekst van de Duitse etnoloog Hans Peter Duerr getiteld Traumzeit (1978). Ook vindt door Henningsen een inherente verwijzing plaats naar het tweedelige werk van Duerr Der Wissenschaftler und das Irrationale (1981). De gevestigde sociale wetenschappers vonden het schandalig van Duerr, dat hij de empirisch-positivistische ervaringsreductie niet wilde onderschrijven. Henningsen valt Duerr evenwel bij want er is namelijk nog zoveel meer te ervaren dan alleen het ‘empirische’. Het probleem is namelijk: wanneer je zo sterk je observatievermogen reduceert als met het positivisme wordt aanbevolen, wat blijft er dan van de maatschappij over om te ‘zien’? Wat ontgaat je om te ontdekken en te beschrijven als ‘wetenschappelijk’, wanneer delen van de ‘werkelijkheid’ wegvallen?

Deze discussie over het positivisme is indertijd in alle scherpte begonnen onder druk van de wandaden door nazi-Duitsland uitgevoerd. Henningsen constateert een hulpeloosheid van de sociale wetenschappen in de begripsvorming om de georganiseerde macht, het terreurregime en de legitimatietheorieën van de nazi-soort te ‘vangen’ (evenals de stalinistische versie ervan). Men komt niet veel verder dan categorieën op te sommen als barbarij, primitivisme en woestheid. Dit is evenwel emotief jargon, dat een volstrekt absurd beeld geeft van de werkelijkheid van de 20ste eeuw. Het zijn categorieën die lang ervoor al tot uitdrukking in antropologische en etnologische beschrijvingen van historisch primaire samenlevingen zijn gebruikt. Ze zijn volledig zinloos om een verwantschap tussen primaire samenlevingen en terreurregimes van de 20ste mee te typeren. Het vergroot, aldus Henningsen, enerzijds de antieke tirannen tot buitenmaatse monsters en reduceert anderzijds tegelijk de maatschappijen van de concentratie- en arbeidskampen tot het niveau van overzichtelijke en verdraagbare historische tirannieën.

Deze manier van onterecht vergelijken wordt niet alleen door positivisten gehanteerd, maar ook door politiek filosofen van anti-positivistische herkomst. Henningsen wijst daar met klem op. Het maakt een actualisering van dit facet mogelijk. Een anti-positivist waarop Henningsen zijn aandacht richt is de Duits-Amerikaanse politiek filosoof en classicus Leo Strauss (1899-1973). Hij heeft veel invloed gehad in neoconservatieve kringen en in Nederland is de niet onbekende historicus en publicist Bart Jan Spruyt vertolker van zijn gedachtengoed. Waar dat gedachtengoed op aansluit is weer te geven aan de ideologische ‘wandeling’ die Spruyt maakte. Hij is een van medeoprichters van de rechts-conservatieve beweging Burke-Stichting, waar ook Paul Cliteur zich ophield. Spruyt sloot zich vervolgens aan (2004) bij de PVV om te zien of hij Wilders in zijn richting mee kon krijgen. Na enkele jaren zei hij die club vaarwel om zich dan aan te sluiten bij Forum voor Democratie (2009). Dat we daar later ook  Paul Cliteur tegenkomen verbijstert niet. De ideologische implicaties van het denken van Leo Strauss en de invloed ervan zijn zo aardig geïllustreerd; ook is duidelijk dat de laag van het cultuurkapitalisme is aangeboord. Welke verbinding valt dan op?

Anti-rationele doelen

Bij Strauss kom je tegen, zo schets Henningsen, dat het antieke begrip tirannie voldoende is, om het historische gebied van de 20ste eeuw af te bakenen. Hij vindt dit het zoveelste bewijs van het mislukt vergelijken. We zagen al dat dit oplevert: de vroegere tirannen worden door het vergelijk uitvergroot, waardoor tegelijk de tirannen van de 20ste eeuw als ‘historische’ kunnen verschijnen (ergo: niks bijzonders aan de hand met Hitler, Stalin). In zijn On Tiranny schrijft Strauss dan ook: ‘Het echte onderscheid tussen cesarisme en tirannie is te subtiel voor het gewone gebruik. Het is voor het volk beter over dit onderscheid niets te weten en de mogelijke Caesar als een mogelijke tiran op te vatten’ (Strauss geciteerd bij Henningsen, Deel 12, p.80-82).   

De terminologische hulpeloosheid van filosofen maakt dat de volkerenmoord als kern van het Derde Rijk van Hitler zonder verklaring blijft. De finale werkelijkheid van het dodenkamp onttrekt zich aan iedere analyse door sociale wetenschappers. De enige sociale wetenschapper die een boek op dit gebied heeft geschreven, dat indruk heeft achtergelaten was een politiek filosofe, die niet warm liep voor de moderne sociale wetenschappen. Henningsen heeft het hier over Hannah Arendt (Origins of Totalitarisme, 1951 en Eichmann in Jeruzalem, 1963). Verder maakt Henningsen een uitzondering voor auteurs uit verschillende disciplines die zelf slachtoffer zijn geweest van de kampen (en hij noemt nog een aantal historici, journalisten, schrijvers). Maar verder blijft de moderne sociale wetenschap volstrekt onbekwaam het primaat van Hitler’s antisemitisme bij de opbouw van de nazi-wereld ‘wetenschappelijk’ te verklaren. Slechts het primaat van het antisemitisme van Hitler, wat de joden als symbolische tegenwerkelijkheid laat verschijnen, werpt licht op Hitler’s dodelijke bezetenheid. De noodzakelijkheid, de Europese joden te vernietigen, was wezenlijk een centraal punt voor Hitler’s nieuwe wereld. Het was maar het beste dit niet te zien, zou je kunnen afleiden uit het volgende aandachtspunt.

Henningsen beschrijft hoe de grootmeesters van de Frankfurter Schule, Max Horkheimer en Theodor Adorno (in ballingschap in de USA) in de jaren 1940 de aanval openden op de positivistische reductie. Zij merkten die op in het Amerikaanse wetenschapsbedrijf en de medeplichtigheid in de vernietigende, leidende rol van de kapitalistische marktcriteria over alle menselijke, culturele en natuurlijke gebieden en leef- en woonomgevingen. Dan komt er een punt dat men aan de duivelse kringloop niet (meer) kan ontsnappen. De ervaring met Hitler moet ons toch iets geleerd hebben. Het gebruik van rationale technieken en procedures bij de plaatsbepaling van een maatschappij in het moderne wereldsysteem sluit niet uit het nastreven van anti-rationele doelen, bijvoorbeeld de vernietiging van de Europese joden. Het nastreven van naar het schijnt tegengestelde doelen – uitbreiding op wereldschaal en elitaire racistische arisering [gedwongen verdrijving van joden uit het zakenleven in nazi-Duitsland] – droegen tot de uiteindelijke ineenstorting van nazi-Duitsland bij. Maar, zo sluit Henningsen dit af, alvorens dat dit happy end zich voordeed, moesten wel miljoenen mensen sterven.

De productie gaat door

Wat leert dit? In ieder geval dat de productie van middelen door de (groot) industrie niet stokte. Het is bekend hoe in nazi-Duitsland en in fascistisch Italië,  Hitler zowel als Mussolini het industriële kapitaal aan hun zijden vonden. Door die ondersteuning is er sprake van medeplichtigheid in de vernietigende rol die dat kapitaal speelt, niet alleen bij de levering van ‘middelen’ om oorlog te voeren (tanks en kanonnen) maar ook om de verdelging klaar te spelen (productie van Zyklon B voor gebruik in de gaskamers om massaal joden te vermoorden). Dat het kapitaal nazisme en fascisme steunde is algemeen bekend. Het blijkt al in de periode van opkomst van nazisme en fascisme, bijvoorbeeld door financiële ondersteuning van nazistische en fascistische knokploegen ingezet als stakingsbrekers of om activistische arbeiders een poot dwars te zetten. Dit is niet vreemd want het kapitaal moet niets hebben van de arbeidersbeweging, wat ideologisch onder meer is terug te vinden in een tekst als The Road to Serfdom (1944) van de Oostenrijkse econoom en politiek filosoof Friedrich Hayek (1899-1992). De FvD’er Paul Cliteur is, zoals al uit zijn proefschrift uit 1989 blijkt, een van zijn bewonderaars.

Het produceren voor het nazisme en fascisme was het industrieel kapitaal om het even, als de raderen maar bleven draaien. Eenzelfde positie neemt nu het multinationaal kapitalisme in. Iemand die zich tegenwoordig met deze problematiek bezighoudt is de Belgisch-Canadese historicus Jacques R. Pauwels. Aan een vraaggesprek met hem, opgenomen op de site Le Grand Soir, ontleen ik daarover het volgende. ‘Om zijn doel van maximalisatie van winst te bereiken, is het kapitalisme bereid om de ‘wortel’ van de democratie te gebruiken zowel als de ‘stok’ van het fascisme en andere vormen van autoritarisme zoals militaire dictaturen.’

‘Het kapitalisme is een zeer flexibel sociaaleconomisch systeem dat in verschillende politieke contexten kan functioneren. Het is zeker een mythe dat het kapitalisme, eufemistisch ‘vrije markt’ kapitalisme genoemd, een soort Siamese tweeling met de democratie vormt, met andere woorden, dat de democratie als politieke klimaat de voorkeur van het kapitalisme geeft. De geschiedenis leert ons dat het kapitalisme heeft gefloreerd in zeer autoritaire systemen en deze systemen enthousiast heeft ondersteund. In Duitsland deed het kapitalisme het bijzonder goed toen Bismarck met een ijzeren vuist over het Rijk regeerde.’

Pauwels vervolgt met: ‘Duitsland bleef 100% kapitalistisch onder Hitler, en het kapitalisme floreerde onder Hitler, voor en tijdens de oorlog, zoals ik in mijn boek heb laten zien’ [Big Business avec Hitler, 2013; thh.]. Hem wordt nog de vraag gesteld, of de opkomst van neonazistische en fascistische groepen over de hele wereld niet het grote kapitaal dient en de oligarchie die de wereld regeert? Waarop hij antwoordt: ‘Zoals gezegd is het fascisme een manifestatie van het kapitalisme. Met andere woorden, het is de manier waarop het kapitalisme, als een kameleon, zijn kleur aanpast aan een veranderende sociale en politieke omgeving.’ ‘Na de Tweede Wereldoorlog, toen het fascisme ogenschijnlijk dood en begraven was, vertrouwde het kapitalisme, met name het Amerikaanse kapitalisme, op neo-, quasi-, of crypto-fascistische systemen om [socialistische] bedreigingen te neutraliseren. Bijvoorbeeld in Chili, waar Pinochet aan de macht werd gebracht om radicale hervormingen te voorkomen en om Amerikaans investeringskapitaal veilig naar het land te laten verhuizen’, aldus Pauwels.

Vooruitgangsdestructie

‘Ze schieten hier op zwarten, hè?’, zo is in het begin van dit item te lezen. Zwarten als zondebok. Als mensen zich daarop concentreren, dan houden ze zich tenminste niet bezig met de onderliggende zaken. Wil men daar verandering in aanbrengen, dan moet de bestrijding van het inherente kwaad van racisme worden verbreed en niet eendimensionaal verengd. Die verbreding hangt samen met de onderkenning dat het sinterklaasfeest een consumptiefeest is ter ere van het kapitalistisch produceren. Dat kapitalisme houdt tevens in destructie. De meeste mensen zitten evenwel gevangen in het gepredikte vooruitgangsgeloof dat aan het kapitalisme kleeft: stilstand is achteruitgang, rust roest. Het is wat de tegeltjeswijsheid uit de laag van het cultuurkapitalisme leert. Binnen dat vooruitgangsgeloof circuleert de noodzaak van massaconsumptie en dus massaproductie. Dat verlangt bijvoorbeeld het bestaan van agro-industrie, die weer glyfosaat als pesticide nodig heeft. Dat wordt nu geleverd door de firma die ooit Zyclon B fabriceerde voor de gaskamers van Hitler. De nazistische militaire macht werd gebroken, maar kennen we heden geen antisemitisme meer? Zwarte Piet zal op enig moment heus wel uit de gratie zijn, maar zal het racisme dan de wereld uit zijn?

Het kapitalisme in combinatie met vooruitgangsdestructie komt niet alleen in zogeheten kapitalistische landen voor. Henningsen brengt deze gedachte in herinnering (in Pflasterstrand, Deel 12, p. 99) met zijn verwijzing naar een visie uit 1978 van de (Joegoslavische) Servische dissidente marxist Mihailo Markovic (1923-2010). Die richtte zich tegen kapitalistische expansie-ideologen, en wel tegen beide, de communistische en de kapitalistische. Hij confronteerde in die tijd de Joegoslavische communistische partijideologen met de volgende woorden:

‘Als de filosoof hardnekkige vragen stelt over de diepere zin achter technologische successen en verbeteringen van het materiële leven, over de zinloze verspilling van menselijke en natuurlijke bronnen, over het misvormde bestaan, het onnodig leiden, de onwetendheid en de verveling, over de nog altijd wijdverbreide materiële en psychische ellende, over de vernietiging van gemeenschappelijke solidariteit, over de mogelijkheden en wegen, om die menselijke toestand te overstijgen – dan wordt die filosoof gevaarlijk, subversief. Zeker is hij gevaarlijk voor de gevestigde macht, omdat hij verder kijkt en omdat hij haar betovering wegneemt en dat niet alleen, hij ondermijnt ook haar betrouwbare wapen tot manipulatie van het volk en voor probleemloze inzet van macht, haar ideologie.’ (Markovic geciteerd bij Henningsen, Deel 12, p. 99). Zo moet het gaan met de culturele laag van het kapitalisme, zodat het zwarte pieten tot het verleden kan behoren.

Thom Holterman

[Tekeningen met dank opgenomen van Brumlord.]

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: