Spring naar inhoud

De Ontdekking Van Nieuw. Gat In De Herinnering. ‘Alles Slechts Gestolen…?’. Deel I

26/09/2021

In de beginjaren 2000 had ik het plan opgevat een boek te schrijven over ‘nieuw’. Daarvoor had ik een vracht aan literatuur verzameld, vooral op het vlak waar ik mij professioneel bezighield zoals het staats- en bestuursrecht, de politicologie en bestuurskunde. Ik schreef enkele eerste hoofdstukken. Toen hield ik het voor gezien. Wat een pretentie van al die wetenschappers om zich maar in de schijnwerpers te krijgen met hun nieuw. Het was nog erger dan ik voorvoelde. Ik liet het onderwerp voor wat het was. Nu, zo’n vijftien jaar later bladerde ik nog eens door de concept-hoofdstukken. Neen, een boek zal het nooit worden.

Mijn ergernis van toen voel ik nog steeds. Wat werd er al niet voor nieuw aangezien, verkocht en geconsumeerd? Voor een antwoord op die vraag pluk ik hier en daar wat voorbeelden uit de hoofdstukken. Hieronder Deel I van het artikel.

‘Alles nur geklaut…?’  

Zonder een blik te verblozen lanceert men bijvoorbeeld een nieuw soort overheidsorganisaties, bureaucratietheorie of openbaar bestuur. Nieuw? Wat heeft men toch met nieuw als het veelal gaat om heroverweging wat ooit Max Weber over bureaucratie schreef. Nieuw? Is niet Alles nur geklaut…?, zoals de titel van een studie van de Duitse politicoloog Claudius Kroker luidde (een studie over gemeentelijke bestuurlijke hervormingen in Duitsland vergeleken met wat in omringende landen werd opgezet; Brockmeyer, Bochum, 1996).

Wie de grote hoeveelheid literatuur bekijkt die de socioloog Karl Mannheim verwerkte in zijn boek Man and Society(1940), komt veel tegen dat nu tot de geschiedenis behoort. Wat toen modern heette, verzorgt nu een historische achtergrond. Een van de dingen die onveranderd blijft, is de aandacht voor sociale sturingsmechanismen en -technieken. Dat is een ‘constante’ te noemen. Het idee van een ‘constante wordt eveneens door Mannheim behandeld. Dat idee is interessant, omdat het een van de mogelijkheden geeft ‘nieuw’ te relativeren. Een constante is bijvoorbeeld te zien in het verschijnsel dat we transport noemen.

Ober, er zit een haar in mijn soep!

In de loop van de eeuwen zijn telkens nieuwe transportmiddelen in gebruik genomen, zeg van hondenkar tot vliegtuig. Elk van die middelen kent zijn eigen ‘immanente wet van de functionele structuur’. Die functionele structuur bepaald bijvoorbeeld de actieradius van het transportmiddel en zijn infrastructurele voorzieningen die weer, als een immanente wet, consequenties hebben voor elementen van ruimtelijke ordening. Maar dit al neemt niet weg dat ‘transport’ een onveranderlijke is, een soort tijdloze (non-contemporaneous). De hondenkar of het vliegtuig is een middel verbonden met een bepaalde tijdperk; de hondenkar een verleden, het vliegtuig het heden. Mannheim schrijft dan over ‘the contemporaneity of the non-contemporaneous’ (p. 41): het vliegtuig is van nu, maar transport van alle tijd. Wat is dus nieuw in het licht waarvan?

De vraag of het inderdaad om nieuwe verschijnselen gaat als men dat stempel erop zet, wordt door Mannheim dan ook in sterke mate gerelativeerd. Zo onderkent hij dat iets dat nieuw wordt genoemd slechts beperkt nieuw is (zoals een nieuwe grondwet, een nieuw schooltype of een nieuw educatief programma). Het belangrijkste onderdeel van dat nieuwe ‘arose from a slow, traditional, selective process of discovery [..] each of them makes use of what already exists’ (p. 174). We zijn maar al te snel geneigd dit te vergeten omdat ‘nieuw’ nu eenmaal een goed verkoopmiddel is gebleken.

Interactieve beleidsvorming

Nog steeds bestaat er een Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) die adviseert over de inrichting en het functioneren van de overheid. Twintig jaar geleden kwam de ROB uit met een advies getiteld Primaat in de polder (Den Haag, 2002). Dat rapport zegt niemand meer iets, maar daar gaat het mij verder niet om. Ik sla uitsluitend acht op de ondertitel van het advies. Dat luidde: Nieuwe verbindingen tussen politiek en samenleving. Wel, in het advies was niets nieuws te vinden. Zelfs de toen in het advies aangeprezen ‘interactieve beleidsvorming’ was niet nieuw (ik durf te beweren dat het woord ‘interactief’ in combinatie met een trefwoord dat nu modieus is, opnieuw als ‘nieuw’ verkocht zal worden zonder iets nieuws te zeggen). Ook is het niet zo dat ‘interactie’ voor een jurist een merkwaardig begrip is. Zo heb ik mij met plezier beroepen op de interactietheorie in het recht als vertolkt door de eminente Amerikaanse rechtstheoreticus Lon Fuller (1902-1978). In een interactioneel rechtsbegrip draait het om het recht dat geschapen wordt in de betrekkingen door het handelend optreden van mensen. Het is dus niet voor niets dat Fuller spreekt over ‘implicit law’. Gaan we hier nu verder aan voorbij en vragen wij ons af wat werd er in 2002 over ‘interactieve beleidsvorming’ verkondigd werd?

In ieder geval ging het toenmalige advies voorbij aan wat de politicoloog Rinus van Schendelen al in 1998 over dat onderwerp had geschreven: ‘Nieuw? Nee; wel: populair’ (‘Huiswerk als succesfactor van interactieve beleidsvoering’, in: Bestuurswetenschappen,1998, nr. 4/5, p. 196-209).

Van Schendelen verstaat onder ‘interactieve beleidsvoering’, ‘het streven naar planmatig vooroverleg met al degenen die in enigerlei fase van de beleidsvoering positieve of negatieve invloed zouden kunnen uitoefenen, met als doel hun eigenwijsheid te benutten of pareren’ (p.198). Het is een beleidstechniek waarmee beleidsmakers een eigenwijze omgeving onder controle pogen te krijgen en aldus de kans op beleidssucces te vergroten. Hiermee lijkt ‘interactieve beleidsvoering’ nieuwer dan ze is. Zo laat Van Schendelen een aantal vormen van beleidsvoering passeren die allemaal in de buurt komen van de interactieve aanpak, zoals inspraakprocedure, veldwerk, lobbyen. ‘Het lijkt vooral een nieuwe zakverpakking te zijn voor de oudere wijn van ‘public affaires management’’ (p. 201). Qua doelstelling en methodiek voegt ‘interactieve beleidsvoering’ niets wezenlijk nieuws toe aan oudere opvattingen, aldus Rinus van Schendelen. Ik ontleen aan deze zienswijze dat niet alleen het lange termijn geheugen verstopt geraakt is, ook het korte termijn geheugen lijkt geblokkeerd. Althans als het om het gebruik van het woord nieuw gaat.

Participatory democracy

Zijn we in een dictatuur beland?

In zijn Neues Steuerungsmodell in der Verwaltung houdt een Duitse auteur, Vieth Mehde, zich bezig met wat hij noemt het invloedrijkste bestuurshervormingsmodel (in het Zeitschrift für Rechtspolitik, oktober 1998, p. 394-398). Het betreffende model is in te voegen in de in die jaren bestaande internationale beweging van het ‘New Public Management’. Wat zijn de kernpunten van het door Mehde bewierookte model? Dat zijn: contract, budgettering, output, controle. What’s new pussycat…

Sommige auteurs gaan nog een stap verder door te beweren dat het bestuur moet worden heruitgevonden, zoals de auteurs van het boek Reinventing Government suggereren (D. Osnorne and T. Gaebler; Reading, 1992). Zij beschrijven hun werk als ‘a book about the pioneers of a new form of government’. Nieuwe vorm? Het gaat vooral over de vraag hoe de geest van het ondernemerschap de publieke sector kan hervormen. Daarbij komt ook het thema ter sprake van ‘empowering citizens through participatory democracy’. Dit neigt weer naar het boek Government is us van C. King en C. Stivers (Thousand Oaks, 1998) waarin het idee van de burgerparticipatie in het openbaar bestuur voorop staat.

Waar en wanneer hebben we over die thematiek eerder gelezen? Wel, bijvoorbeeld bij M.P. Follet in een boek uit 1918 met een heel toepasselijke titel The new state, Group organization the solution of popular government (New York, 1918). Begin twintigste eeuw – dat is wel erg lang geleden, hè – is al te lezen over wat Follet noemt ‘a new principel of association’. Maar waar slaat dan het ‘nieuw’ op aan het eind van de twintigste eeuw, als het daar gaat om ‘new forms of economic and sociale government’? Wel, zegt een andere auteur, P. Hirst, op ideeën van de oude ‘associationisten’, de mensen dus die in de 19de eeuw zich bezighielden met de ontwikkeling van het gedachtegoed omtrent associaties, coöperaties, onderlinge verzekeringen (mutuelles) en in ons tijdperk weer terug te vinden in de sociale en solidaire economie. In feite gaat het dus, met dat nieuwe, om een herleving van oud gedachtegoed, waar niets op tegen is, maar erken dat dan openlijk.

Nieuwe politiek

In het voorjaar van 2002 zag men een opbloei van de term nieuwe politiek. Om aan te geven waar die term op slaat, loopt Rinus van Schendelen een aantal thema’s langs. Waar het om normen en waarden gaat, vindt men het trefwoord respect. Als het plichten van burgers èn overheid betreft, is het trefwoord rekenschap. Die thema’s zo geeft Van Schendelen aan, waren al populair in de jaren 1950, met dit verschil dat dit keer ook de overheid rekenschap moet afleggen. De spraakmakende thema’s veiligheid en migratie zijn in 2002 ook niet nieuw te noemen. In de voorafgaande jaren werd daarover al uitgebreid gesproken. Per saldo luidt Van Schendelen’s conclusie: Nieuwe Politiek is niet nieuw; veel is hernieuwd of zelfs traditioneel (‘Wat nieuw is aan de nieuwe politiek’, Forumpagina van de Volkskrant van 28 september 2002). Het oppoetsen van het thema ‘veiligheid’ in het kader van de terrorisme-bestrijding had Van Schendelen toen al geanalyseerd en vervolgens gekwalificeerd als ‘creatieve verkooppraat’ (‘Leve het terrorisme’, Forumpagina van de Volkskrant van 20 oktober 2001).

A new model for [..] law

Soms krijgt men de indruk dat iets als nieuw wordt aangeboden om als wetenschapper in de markt te blijven. Onder de titel ‘Legal cultures, legal paradigm and local doctrine: towards a new model for comparative law’ (in: International and Comparative Law Quarterly. Vol. 47, Part 3, July 1998, p. 495-536), vindt men wel een doorwrochte beschouwing maar geen nieuw model.

Een van de uitgangspunten bij de gedachtevorming voor dat model is dat het recht als ‘organisatie van de maatschappij’ altijd geldt als een rationalisatie van sociale verhoudingen (p. 504). Dit is geenszins een nieuw gezichtspunt. Evenmin is dat het geval met het gezichtspunt dat interactie tussen het geschreven recht en de (constant veranderende) sociale werkelijkheid leidt tot voortdurende herinterpretatie en, op de lange duur, hersystematisering van het recht (p. 528). Het bijhouden en reageren is al eeuwen het dagelijks werk van hele juristen generaties. Het maakt dat de rechtswetenschap evenals andere maatschappijwetenschappen, zoals de bestuurskunde, een reactiewetenschap is te noemen.

‘En wat wil dit door zijn moeder overbeschermde kleine gastje worden?’ ‘Psychoanalyticus!’

Trou de mémoire

Overigens is Van Schendelen niet de enige die keer op keer de vinger legde op ‘nieuw’. Zo is daar ook de socioloog en bestuurskundige Nico Nelissen en anderen die in een bundel opmerken: ‘Het substantief ‘nieuw’ wordt vaak als een magische formule gebruikt. [..] Hoewel vernieuwing een veelgebruikt begrip is in het openbaar bestuur, zegt dit op zichzelf weinig, behalve misschien over de behoefte aan voortdurend nieuwe impulsen of minstens aan nieuwe labels’ (N.Nelissen, H. Goverde, N. Van Gestel, (red.), Bestuurlijk vermogen, Analyse en beoordeling van nieuwe vormen van bestuur, Bussum, 2000, p. 16).

In een kroniek over stadssociologie merkt Nelissen nog op dat bij de huidige generatie wetenschappers sprake is van een trou de mémoire (een gat in de herinnering). In feite stelt hij de vraag aan de orde van de aan- of afwezigheid van de accumulatie van kennis op het vlak van het verschijnsel stad. Die vraag is met betrekking tot alle maatschappijwetenschappen te stellen. De wetenschappelijke kennis die in opgeslagen in talrijke publicaties lijkt te worden weggedrukt – althans zo constateert ook Nelissen; er wordt maar (bitter) weinig gebruik van gemaakt. Het lijkt alsof huidige generaties wetenschappers een weg bewandelen, waarbij de geschiedenis van het vakgebied eerder als hinder, dan als inspiratiebron wordt ervaren. Het is dus de vraag of men nog wel weet wat voorouders over die onderwerpen hebben geschreven en tot welke theorieën zij zijn gekomen (‘De stad als laboratorium voor innovatief stadsbestuur?, in: Bestuurswetenschappen, 2001, nr. 1, p. 87-91).

Waardoor ontstaat vermoedelijk dat ‘gat’ in die herinnering? Onder dwang van bezuinigingsrondes aan universiteiten opgelegd vanuit een neoliberale politieke visie, heb ik zelf meegemaakt hoe het onderwijs de no-nonsens kant werd opgestuwd. De ‘franjes’ moesten uit het onderwijs worden verwijderd (ik spreek hier nu vanuit mijn ervaring in de sfeer van het staats- en bestuursrecht). De te leren aangeboden stof  moest in een steeds omvangrijker mate vastzitten aan de periode waarin wordt geleefd (de ‘contemporaneity’ van Mannheim). Daardoor viel de aandacht meer en meer weg voor relevante zaken in de sfeer van het niet-gelijktijdige (bij Mannheim het ‘non-contemporaneous’).

De tijd is in historische zin weggevallen. Alles wat je dan ziet en ervaart naast de lesstof is ‘nieuw’; er ontbreekt een referentiekader om te beoordelen, te toetsen (onderdeel van wat snerend ‘franje’ heette). Zonder geschiedenis is alles nieuw. Er moet wel een ‘gat in de herinnering’ ontstaan. Zo niet bij een oude rot als de Franse socioloog en antropoloog Georges Balandier. Hij kende zijn ‘klassiekers’ en kon dus aangeven hoezeer de inzichten van Saint-Simon, Auguste Comte en Émile Durkheim doorliepen in inzichten van Georges Gurvitch om dat dan samen te vatten in de fraaie zin: ‘Cette visée sociologique est annonciatrice de certaines de manières de voir actuelles’ (Le désordre, Éloge du mouvement, Paris, 1988, p. 72-76).

Legitimatieproblematiek in het recht zonder historisch besef

Wie als opleider geen ‘historisch besef’ heeft, zoals Georges Balandier demonstreerde daarover wel te beschikken, kan dat ook niet doorgeven. Ik heb het uitdoven van dat besef onder eigen ogen meegemaakt. Om daar licht op te laten schijnen vertrek ik vanuit het artikel ‘De legitimiteit van het moderne recht’ van H. van Schooten (in: Bestuurswetenschappen, 1998, nr. 4/5, p. 228-248). Ik let dan op de tijd van het verschijnen van deze tekst (1998) en de vertolking in geschrifte van elementen voor dit thema zoals zij die verwerkt vond door haar docent, de rechtstheoreticus Willem Witteveen, in diens teksten vanaf 1988.

Van Schooten, die tot de vakgroep van Witteveen behoorde, werkt in 1998 de legitimatieproblematiek uit aan de hand van Witteveen’s rechtstheorie. De wijze waarop zij in de optiek van Witteveen de wet typeert naar aanleiding van diens teksten, komt sterk overeen met wat ik zelf een kleine twintig jaar eerder als rechtenstudent bij een van de belangrijkste Nederlandse rechtstheoretici uit de tweede helft van de 20ste eeuw, Jack ter Heide. leerde. De wet als ‘actielijn’. De wet dient in die optiek als één van de wegingsfactoren ten behoeve van ‘beslissen’ in een concrete, actuele ‘interactiestructuur’. Er zijn dus meerdere wegingsfactoren. Tezamen vormen die een functie ten behoeve van de handelingsoriëntatie, die tot een ‘beslissing’ moet leiden en waardoor sociale handelingssystemen met het normatieve rechtssysteem wordt verbonden. Tevens hadden wij als docent de hoogleraar Inleiding tot het recht, R.A.V. van Haersolte, bevriend met Ter Heide. Van Haersolte sprak over ‘coreferentiestelsels’. Deze stelsels vormen gemeenschappelijke oriëntatieschema’s voor het gedrag binnen menselijke verhoudingen en waarbij mensen rechtsnormen produceren (‘Coreferentiestelsels’, in: NJB, 1964, p. 1013-1020, 1029-1036). Ik zie wat hier begon en zich ontwikkelde, als een eerste cyclus van zo’n twintig jaar.

Ik ben een van de mensen die beïnvloed is door wat in de ‘eerste cyclus’ werd geleerd en heb dit verbonden met het anarchisme ten behoeve van een convergentietheorie rond het thema ‘anarchisme en recht’. Dat heb ik in geschrifte ook doorgegeven. Het soort rechtsdenken dat hierbij aan de orde was, leidde mij ook tot verwerking van inzichten van bijvoorbeeld de Amerikaanse rechtsgeleerde Lon Fuller. Diens ‘implicit law’ vertoonde  een coherentie met het rechtsconcept dat ik aan Ter Heide ontleende. Een invloedrijke vertolker van het door Ter Heide geleerde in de eerste cyclus was de rechtsgeleerde Hans Franken, die in 1977 aan de Leidse universiteit een leerstoel ging bezetten.

Er komt vast een nieuwe golf

Hetgeen Van Schooten in 1998 als nieuw verkondigt met betrekking tot de wijze van interpretatie van regelvaststelling en deze interpretatie afleidt van wat zij bij Willem Witteveen opstak, dat deed ik als rechtenstudent in wat ik de ‘eerste cyclus’ noemde. Wat Van Schooten als ‘nieuw’ aanbiedt, is evenwel verbonden met een ‘tweede cyclus’ die, zoals we zagen, in 1988 begint (de verwijzing naar de teksten van Willem Witteveen). Hiermee lijkt het erop alsof de eerste cyclus is gerecycled. Dat komt mede bij mij op als ik er aan denk dat Willem Witteveen (samen met W. Van der Burg) een bundel uitbrengt in 1999 onder de titel Rediscovering Fuller: Essays on implicit Law and Institutional Design(Amsterdam). Het gaat om dezelfde Lon Fuller als ik hiervoor ter sprake bracht…

Willem Witteveen en ik kenden elkaar jaren persoonlijk. Wij gingen vriendschappelijk met elkaar om. Hij moet op de hoogte zijn geweest van wat Van Haersolte en Ter Heide leerden, tijdens wat ik de eerste cyclus noem. Willem kwam tragisch om het leven op 17 juli 2014, bij het neerschieten van het KLM toestel boven Oekraïne. Ik kan hem dus niet meer de problematiek die mij nu bezighoudt, voorleggen. Kan je bestaande kennis via een ‘recycling proces’ in het ‘gat in de geschiedenis’ laten verdwijnen en het in het recycling proces ontstane resterende residu als nieuw te betitelen? Of was die bestaande kennis al via het ‘gat in de geschiedenis’ verdwenen, waardoor wat iemand vervolgens ‘ziet’ als nieuw kan verschijnen?

Ik heb op die problematiek geen passend antwoord, maar ik neem mij voor de zoektocht in Deel II van deze bijdrage voort te zetten. Daarbij zal ik mij beperken tot één tekst, een proefschrift uit 1994. Daarin is natuurlijk heel wat kennis vergaard, maar er ontbreekt iets wezenlijks aan. Hoe kan dat?

Thom Holterman

[De vier cartoons zijn overgenomen uit het Franse weekblad Marianne van 15-22 juli, 30 juli-5 augustus en van 13-19 augustus 2021.]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: