Skip to content

Teugelloos Kapitalisme En De Repressieve Staat. Politieke Economie [3]

23/11/2014

Harper.12

Vijfentwintig jaar geleden was er een Amerikaanse profeet, Francis Fukuyama geheten In een toen opzienbarend boek kondigde hij het eind van de geschiedenis aan (1992). Het kapitalisme had namelijk het communisme overwonnen (Val van de Muur, 1989). Omdat er nu nog slechts één ideologie in de wereld opgeld deed, was er geen alternatief meer (Margaret Thatcher met Tina: ‘There is no alternative’). Daarin lag de reden om over het ‘eind van de geschiedenis’ te spreken. Velen hebben deze man nagelopen, ook vele wetenschappers uit allerlei sectoren, van economie tot recht, omdat het hen ideologisch uit kwam.

Voorspoed zou ons deel worden, want de vrijheid van financieel-economisch handelen, zou niets dan winst opleveren. Eindelijk kon ook de staat sterk worden teruggedrongen (wat ook aan de stand van het staatsrecht zelf kan worden afgemeten; het werd een non-vak in de lawschools, zoals de juridische faculteiten gingen heten). Inmiddels hebben we de winst in de zakken van de rijken zien verdwijnen. En wat zien we nog meer? De aanwezigheid van de staat werd in een bepaalde sector (het sociale) teruggedrongen: wurging van de sociale staat; versoepeling van de ‘rule of law’; teloorgang van het constitutionalisme. Tegelijkertijd nam de repressie sterk toe. En mede vanwege de versoepeling en de teloorgang waarvan zojuist sprake was, heeft het verschijnsel van de uitzonderingsstaat een quasi permanent karakter kunnen krijgen.

De afgelopen vijfentwintig jaar hebben geen voorspoed voor allen gebracht. En zo kon het dus ook gebeuren dat er geen ‘fatsoenlijke maatschappij’ is ingericht, zoals dat in de terminologie van George Orwell heet. Zo’n maatschappij kent geen klassenoverheersing meer en de voorwaarden voor een fatsoenlijk en vrij leven gelden voor een ieder gelijkelijk (zie voor een vertolking ervan door de Franse filosoof Jean-Claude Michéa op deze site).

In plaats van een fatsoenlijke maatschappij op te leveren, is door een teugelloos kapitalisme grote ravage toegebracht aan het sociale en het natuurlijke milieu. Het gaat om pure barbarij. En dit alles dankzij een kwart eeuw neoliberale overheersing, de ideologie die onze profeet Fukuyama aanhing. In 2006 kwam bij hem de inkeer, een jaar dus voordat in de USA de financiële wereld instortte. Toen bekende hij aan Der Spiegel online international (22 maart 2006) dat hij van gedachte veranderd was…

Hoe heeft dit alles zich weten voor te doen? Wie hebben zich ermee belast de geesten rijp te maken om bereidheid te kweken het desastreuze pad te volgen? De Franse econoom Éric Stemmelen maakt daarover de balans op in zijn onlangs verschenen boek Partage ou naufrage (letterlijk: Delen of schipbreuk) met als ondertitel Politieke economie van de 20ste eeuw.

Voorkant.Stem

Politieke economie

Stemmelen schrijft over een eeuw politieke economie. Voor een beschrijving van die term wijst hij op hetgeen de Britse econoom David Ricardo (1772-1823) ooit noteerde: ‘Politieke economie betreft alles wat door arbeid, machines en kapitaal wordt opgebracht en verdeeld tussen de klassen in de maatschappij. Elk van die klassen zal echter, afhankelijk van de bestaande sociale verhoudingen, een zeer verschillend deel van de opbrengt verkrijgen onder de naam: rente (rentenier), kapitaalswinst (ondernemer) en loon (arbeiders). De wetten ontdekken en bepalen die deze verdeling regelen, dat is het voornaamste probleem van de politieke economie’.

In het perspectief van deze omschrijving maakt Stemmelen (1) de verdeling van de inkomsten en (2) de klassenstrijd om die verdeling, tot de centrale vraagstukken van het bestuderen van de economische en politieke geschiedenis. Voor de politieke invalshoek concentreert hij zich op de functie van de staat. Wordt deze ingezet? Indien ja, hoe, waarvoor, ten behoeve van wie?

Gaat de aandacht uit naar de 20ste eeuw, dan is al onmiddellijk duidelijk dat de staat wordt ingericht en ingezet ten dienste van de kapitalistische klasse (of onder het staatskapitalisme van de bureaucratische toplaag). Ten behoeve daarvan wordt de staat aangesproken met het oog op zijn repressieve functie (‘law and order’, dat wil zeggen een van de gevaarlijkste combinaties van statelijkheid). De versterking van de repressieve functie wordt dan gezien in samenhang met het los laten van de teugels op een ander niveau in de maatschappij: de vrije loop laten aan egoïstische initiatieven van het grootkapitaal.

Monetarisme en markteconomie

Voor een goed begrip omtrent ‘economie’ wijst Stemmelen op de fundamenten ervan. Het gaat in de kern over drie zaken: consumptie, productie en inkomsten. Sommigen onder de economen vluchten evenwel naar het terrein van geld, krediet, winstvoet, prijzen. Het is een terrein waarop je aldus Stemmelen alles kan zeggen, zonder te worden tegengesproken. Daarom richten zulke economen zich op de monetaire politiek. In dat geval kun je bijvoorbeeld betogen dat een crisis voortvloeit uit een te grote hoeveelheid geld die in omloop is gebracht (crisis dus een effect van kredietpolitiek). Dit leidt dan terug naar de Centrale Bank, waarna die voor een kwalijk instituut van interventie kan worden uitgemaakt.

De voorgaande gedachtegang over de herkomst van de crisis ontleent Stemmelen aan Ludwig von Mises (1881-1973). Zijn leerling Friedrich von Hayek (1899-1992) gaat daarover in 1931 vier lezingen houden aan de London School of Economics. Later (in 1963) zal een leerling van Hayek, de econoom Milton Friedman (1912-2006) op een zelfde manier te keer gaan, in dat geval tegen de restrictieve monetaire politiek van de Federal Reserve Bank en deze betichten een crisis te hebben bezorgd. Het monetarisme maakt dus mogelijk de ene keer te roepen dat een crisis het effect is van een te grote hoeveelheid geld, om de andere keer te betogen dat het komt vanwege een te restrictieve monetaire politiek.

De reactionaire economen, zoals Stemmelen het drietal Mises, Hayek, Friedman en hun volgelingen noemt, hebben ook de mond vol over markteconomie. Ja, zegt hij, elke economie veronderstelt producenten, consumenten en onderhandelingen. Over welke mysterieuze en specifieke markt spreken deze reactionairen dan? Over de zichzelf regulerende markt, zullen zij zeggen, die spontaan een algemeen evenwicht bewerkstelligt. Maar dat is een magische werking, reageert Stemmelen. Een dergelijk mechanisme bestaat alleen in een droom.

In wat wij ‘moderne economie’ noemen zijn er alleen zakenlui, handelaren. Er is geen economie van de markt, maar een economie waar letterlijk alles een prijs heeft en waar alles te koop is als er een prijs op wordt geplakt. Markteconomie betekent dan ook voor de reactionaire economen ten diepste een totale handelseconomie, waar alle handelingen gemonetariseerd zijn en waar arbeidskracht, kennis, kunst tot handelswaar zijn geworden. Vanuit dat concept wordt de agitatie tegen staatsinterventie gevoerd en ook tegen economische opvattingen van John Maynard Keynes (1883-1946). Hun opvatting over geld ligt dan ook mijlen ver uit elkaar. Waar Hayek zegt dat geld een van meest fantastische middelen is, die de mens ooit voor de vrijheid heeft uitgevonden, merkt Keynes op: ‘De liefde voor geld als object van bezit is een morbide passie’ (beiden bij Stemmelen geciteerd).

Harper.4

De vrijheid die reactionaire economen als Mises, Hayek en Friedman zo dierbaar is, geldt alleen voor rijken. In dat geval kunnen zij naast deze vrijheid ook de noodzaak van het bestaan van de repressieve staat legitimeren (de afwijzing van de interventiestaat betreft de interventie in wat zij ‘markteconomie’ noemen). Het is precies deze morbide gedachte – vrijheid beschermt door dictatuur – die Stemmelen in de reactionaire economie aan de kaak stelt. Hij neemt er ruim 400 pagina’s voor om dit toe te doen.

Drie clusters

In zijn boek ontwaar ik drie clusters feiten en argumenten. In de eerste plaats is dat het cluster van de centrale plaatsing van de staat en de beschrijving ervan (welke soort staat, welke functies, tegen wie ingezet en ten gunste van wie werkend?). Dit staatscluster wordt geflankeerd door enerzijds het kapitaalscluster en anderzijds het legitimatiecluster. In het kapitaalscluster komen we met name de grootkapitalisten tegen (de transnationale ondernemingen). In het legitimatiecluster verschijnen met name de economen die met hun betogen de filosofisch-theoretisch aanvaarding genereren voor het teugelloze kapitalisme.

In het kapitaalscluster komen we ondermeer tegen, dat in 1927 een onderdeel van het Rockefeller imperium, de Vacuum Oil Compagny, financieel bijdraagt aan de nazi-partij in Duitsland. In 1928 tekenen de Standard Oil van Rockefeller en de Gulf Oil van Mellon een geheim mondiaal contract met de Royal Dutch Shell van de Nederlander Henry Deterding. Deze is een zodanige nazi bewonderaar dat hij in 1936 naar Duitsland zal verhuizen. In 1938 zal vervolgens Henry Ford worden gedecoreerd met het Groot-Kruis van de Duitse Adelaar, als beloning voor zijn enthousiaste ondersteuning, die hij verleende eerst aan de nazi-partij en later aan de nazi-regering.

Dit soort feiten zijn al langer bekend. Maar Stemmelen heeft zijn reden om dit alles breed uit te meten. Hij wil laten zien dat wanneer het om het grote geld gaat, dan kent men geen scrupules. Indien een staat zich kenmerkt als een dictatuur, waarbij de leiding van die staat een laissez-faire economie aanhangt of toestaat, dan maakt die dictatuur de grootkapitalist (de transnationale onderneming) niets uit. Integendeel wellicht, want die staat weet de duim te houden op onwillig (werk)volk. In zo’n staat zullen bijvoorbeeld geen stakingen worden getolereerd. De fascistische staat van Mussolini en de nazistaat van Hitler hadden dan ook de arbeidersbeweging vermorzeld. Grootkapitalisten hoefden vanuit die hoek geen problemen te verwachten…

Hitler had ruim voordat hij de staatsmacht overnam duidelijk gemaakt, dat de staat voor hem niets gemeen heeft met de ontwikkeling van de economie. Hij herhaalde in 1924 daarmee wat Mussolini al eerder had geformuleerd. In 1926 hield Hitler lezingen door het land om de grote ‘bazen’, met name in het Roergebied, gerust te stellen en om hen te verleiden hem en zijn partij te steunen. De staalgigant Thyssen was, reeds vanaf 1923, een van de eerste geldschieters van de NSDAP. Hij organiseerde de internationale financiering van die partij via de in Nederland opgerichte Bank voor Handel en Scheepvaart. Hier verstrengelen zich het staatscluster en het kapitaalscluster. Confronteren we deze verstrengeling met de vrijheidsgedachte, dan komen we iets merkwaardigs tegen.

De economie moet zich vrij kunnen ontwikkelen. Het gaat om de vrijheid winst te maken die niet bedreigd mag worden door een oppositievoerende vakbeweging, door stakende arbeiders, door het bestaan en uitbreiding van sociale programma’s, door een programma van rechtvaardige verdeling (weg dus met al die ‘sociale verzekeringen’, sociale woningbouw, publieke scholen en ziekenhuizen, publieke diensten als water en stroomvoorziening). Het beste is het om dat te onderdrukken, af te voeren, te privatiseren. Kortom, de economische vrijheid gaat dus heel wel samen met knechting, onderdrukking, dictatuur.

Harper.10

Legitimatiecluster

De legitimerende onderbouwing ervoor wordt geleverd door economen en juristen, die de mond vol hebben over…vrijheid. De eerste econoom die Stemmelen in dit verband behandelt, is Ludwig von Mises. In de jaren 1920 leidt hij een privé debatingclub. Hij toont een haat jegens arbeiders en zet aan hen maximaal uit te buiten. Tevens meent hij in 1927 dat het fascisme (Mussolini) en aanverwante bewegingen met de dictatuur de zuiverste intentie hebben en dat hun interventie de Europese beschaving heeft gered (Stemmelen citeert hier Mises’ Liberalismus, 1927). Onder het gehoor van de club van Mises bevindt zich ook Friedrich von Hayek.

In het in 1922 door Mises gepubliceerde boek over het socialisme (Die Gemeinwirtschaft: Untersuchungen über den Sozialismus) vindt men de doeleinden van zijn reactionaire economische opvattingen. Ook treft men in dit boek al de argumenten aan die binnen het kader van de reactionaire economie tijdens de hele 20ste eeuw tot heden worden gebezigd. Aan de ene kant staat de lofzang op de vrijheid, het dereguleren, het meer werken door de arbeiders om minder te verdienen.

Aan de andere kant vindt men de onderdrukking en de verwerping van de sociale zekerheidsrechten (ziektekosten, werkloosheid, pensioen), arbeidsrechten (vrijheid van vakvereniging en stakingsrecht). In dit boek leest men dus over het teugelloos kapitalisme en de destructie van solidariteit. Kortom, in 1922 vinden we al het hele programma dat later onjuist neoliberalisme zal heten.

Harper.5

Wat ‘neoliberalisme’ wordt genoemd, is aldus Stemmelen niets anders dan een reactionaire geloofsbelijdenis; het betreft een (economische) optiek die vijandig staat met betrekking tot liberale beginselen. In Frankrijk gaat die optiek terug op de Franse econoom Turgot (1727-1781), die met zijn economische geloof binnen het ‘Ancien Regime’ (reactionair) stond en daarmee tegenover John Locke (1632-1704; liberalisme). Met andere woorden, als Mises het knechten van de arbeiders propageert en ongelijkheid als stimulans ziet, dan betreft het gewoon een adopteren van dwangmethodes en een antiliberale ongelijkheid, die een erfenis zijn van het feodalisme en gekarakteriseerd wordt door het fascisme (Mussolini). Van dit al werd nu juist in het liberalisme afstand genomen. Mises moet ook niets hebben van (parlementaire) democratie. Want, stel dat de massa’s ongelijk hebben, wie beslist er dan? Het politieke regime dat Mises in 1927 aanbeveelt, moet wel het fascisme zijn mag men aannemen, vanwege de beste intenties die het heeft, zoals we hierboven zagen (geciteerd bij Stemmelen, p 102, p 172).

Mises is niet de enige die zich aldus legitimerend uitlaat als het over economisch vrijheid gaat in relatie tot onderdrukking van de massa (het proletariaat). Friedrich von Hayek is een goede tweede. De Franse liberale denker Raymond Aron (1905-1983) zal zich niet vergissen als hij in 1952 zegt: ‘Voor een economisch systeem zoals Hayek het wenst, heeft men een politieke dictatuur nodig’. En Hayek zegt zelf: ‘Ik moet bekennen dat ik de voorkeur geef aan een niet democratische regering beperkt door de wet, boven een onbeperkte democratische regering’. De ware Hayek verschijnt als het om het behandelen van arbeiders gaat. Wanneer de vakbeweging zich tegen elke loonsverlaging blijft verzetten, dan resteren er nog twee middelen: (a) dwangarbeid of (b) arbeiders werkloos laten creperen tot ze bereid zijn werk tegen een lagere beloning te accepteren (Stemmelen citeert hier Hayek’s The Road to Serfdom, 1944). Het is dus niet zo vreemd dat allerlei aanhangers van Mises en Hayek wel hun idee over de vrijheid overnemen, maar zwijgen over de prijs die er voor betaald moet worden, het instellen van politieke dictatuur.

Walter Lippmann symposium

Hayek is de eerste die er aan denkt een groep ‘Vijanden van de interventiestaat’ te organiseren. Een aantal van dit soort mensen komt bijeen als in Parijs in augustus 1938 een meerdaags symposium wordt gehouden, ten behoeve van het uitkomen van het boek La Cité libre (1938) van de invloedrijke Amerikaanse auteur Walter Lippmann (1889-1974). Dat symposium telt 26 deelnemers onder wie Mises en Hayek. De organisator ervan en belangrijke woordvoerder, is de Franse filosoof Louis Rougier (1889-1982). Die beschouwt socialisme en fascisme als twee zijden van één munt. Hij verwerpt de ‘totalitaire staat’, waarmee hij bedoelt het socialisme. Want hij zal niet veel later met het Vichy regime van Pétain (de met de Duitsers collaborerende Franse regering) samenwerken en na de Tweede Wereldoorlog zal hij voorzitter zijn van een ‘Comité tot verdediging van de herinnering van maarschalk Pétain’. Tevens zal hij zich aansluiten bij extreemrechtse groeperingen die tegen de OAS aanschurken…

Na een ferme discussie ter afsluiting van het symposium over de te varen koers wordt er gekozen voor de term neoliberalisme als naam voor het soort economie dat wordt aangehangen (andere voorstellen wat de naamgeving aangaat waren ‘constructief liberalisme’, ‘hernieuwd liberalisme’, ‘sociaal liberalisme’). Mises, Hayek en hun volgelingen gingen er voor zorgen dat onder de gekozen term het ‘brutale’ en destructieve kapitalisme en de reactionaire economie gingen vallen. Die strijd werd na de Tweede Wereldoorlog opgevoerd.

Harper.14

Mont-Pèlerin Genootschap

In 1947 nodigt Hayek dan ook een aantal intellectuelen uit voor een conferentie in het Zwitserse dorp Mont-Pèlerin. Aan het eind van de tiendaagse bijeenkomst wordt het gelijknamige Genootschap opgericht. Ten dele betreft de conferentie een voortzetting van het Walter Lippmann Symposium, ten minste als men beseft dat er allerlei figuren onder zitten die ook daar aanwezig waren: natuurlijk Hayek en Mises, maar ook is overgekomen de groep van de reactionaire economie (Chicago school), onder leiding van Milton Friedman. De reis- en verblijfskosten van deze groep worden betaald door de industriële miljardair William Volker. De tien dagen durende bijeenkomst in Mont Pèlerin wordt betaald door het Zwitserse bank- en verzekeringswezen.

Het genootschap zal (mede) gefinancierd worden door de Zwitserse farmaceutische industrie. Gelet op de menging wetenschap / grootkapitaal is het goed om te weten dat met het geld van het William Volker Fund en de Rockefeller Foundation de leerstoelen zijn ingericht van Hayek (Chicago), Friedman (Chicago), Mises (New York). Naast de reeds genoemden zijn ook andere intellectuelen aanwezig. Het is overigens daardoor niet vanzelfsprekend dat zij voorstander van de reactionaire economie zijn. En ook zijn er liberale economen die niets van deze club willen weten.

Zo vindt de liberale Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) de ‘Chicago school’ een ‘mysterieuze sekte’. Hij wijst erop, aldus Stemmelen, dat men hun reactionaire laxistische (teugelloze) ideologie moet onderscheiden van een geamendeerd liberalisme. De meest serieuze economen onder hen hergroeperen zich dan ook in de ‘Freibourge school’ met het ordoliberalisme.

Verder zal het geen toeval zijn dat juist in het Zwitserse dorp Davos in 1971 het Wereld Economisch Forum wordt opgericht. Dat Forum heeft wat De Amerikaans-Franse filosofe en politicologe Susan George noemt de Davos-klasse opgeleverd. Het is de klasse van de leiders van de transnationale bedrijven die met hun macht de greep op het wereldgebeuren bepalen, willen bepalen, buiten de parlementaire democratie om. [Ik kom hier binnenkort in een ander item op terug.]

Dictatuur in dienst van de economische reactie

Stemmelen behandelt vervolgens een aantal gebeurtenissen in Zuid-Amerika waar men dictatuur en grootkapitaal ten bate van eigen belang in elkaar ziet vloeien onder het hanteren van de leerstukken van de reactionaire economie. Als voorbeeld noemt hij de minister van Economie van de Argentijnse militaire dictatuur van 1976-1981, Martinez de Hoz. Deze is vertrouwd met die economie als erfgenaam van 2 miljoen hectaren grond, baas van de staalfabriek Acindar (filiaal van US Steel), lid van de raad van bestuur van Pan American Airways en de ITT. Deze minister weet wat hij voor zijn gelijken in stand moet houden of realiseren, zoals fiscale privileges in het leven roepen, prijscontrole afschaffen, lonen verlagen, onderhandelingen met de vakbonden weigeren, stakingsrecht schrappen. En wie niet wil moet voelen.

Harper.9

Chili levert een voorbeeld hoe het drijven richting de reactionaire economie in elkaar steekt. In september 1973 pleegt generaal Pinochet in dat land (met behulp van de CIA) een staatsgreep tegen de democratisch gekozen president Allende. Het Amerikaanse bedrijfsleven heeft sterk bijgedragen aan deze omwenteling, gegroepeerd binnen het kader van het ‘Council of the Americas’ (een organisatie in 1963 opgericht door David Rockefeller en waarin de bazen zitting hebben van grote Amerikaanse ondernemingen). Na de staatsgreep ontmoet Henry Kissinger Pinochet in Santiago om hem de steun van de Amerikaanse regering toe te zeggen.

Spoedig na de staatsgreep staat een economische equipe – de ‘Chicago Boys’ – klaar om de economie volgens de reactionaire lijnen te reorganiseren. De zogeheten ‘Chicago Boys’ zijn leerlingen van Milton Friedman en gevormd in rooms-katholieke universiteit van Chili, gefinancierd door de Ford Foundation. De Amerikaanse industrie, de hoge bourgeoisie van Chili en de financiers – los piranhas – wrijven in hun handen. Een oud-leerling van Friedman, de econoom André Gunder Frank, geciteerd door Stemmelen, erkent dat de noodzakelijke wijzigingen ten behoeve van de instelling van de reactionaire economie voor alles twee dingen vooronderstelt: militaire macht en politieke terreur. De titel van de tekst die Stemmelen van André Gunder Frank citeert, spreekt wat dat aangaat boekdelen Economic Genocide in Chili. Monetarist Theory Versus Humanity (1976).

Telt men de dodelijk slachtoffers die in de Zuid-Amerikaanse landen zijn gemaakt door de dictaturen die de invoering van de reactionaire economie hebben verlicht, dan moeten dat er vele honderdduizenden zijn. Net als op de verpakking van sigaretten moet staan: neoliberalisme is dodelijk.

Harper.18

Socialisme of barbarij

In het voorgaande heb ik duidelijk gemaakt wat Stemmelen in de kern met zijn boek te melden heeft. Uiteraard is zijn tekst meer omvattend dan waar ik hier naar heb verwezen. Zo heeft hij ook hele hoofdstukken aan de Sovjet-Unie (Russische revolutie, Stalinisme, etc.) besteed; hij is ingegaan op de dubbelhartigheid van de sociaaldemocraten tijdens de periode van de Weimar republiek en het verraad dat zij pleegden (neerslaan volksopstanden in 1919: 1500 doden; later in hetzelfde jaar 700 doden; neerslaan staking staalindustrie 1 mei 1929: 39 doden; dat heet nog eens krachtdadig optreden…). Natuurlijk komt bij Stemmelen ook het anticommunisme aan de orde en tevens de wederzijdse bewondering: de Russen voor het Amerikaanse taylorisme en fordisme, de Amerikanen voor het – binnen de planeconomie – onderdrukken van de arbeiders; niet vergeten wordt de optiek en tactiek van Reagan (USA) en Thatcher (Groot-Brittannië) te behandelen.

Overal en telkens weer gaat het om het dienen van het eigen belang, of het nu om grootkapitalisten of de toplaag van de communistische partij in een staatskapitalisme gaat: allemaal kennen zij zich privileges toe om zich in weelde te baden. Wat dat aangaat moet ik altijd denken aan de theaterman en regisseur Branko Mayerhold. Hij ontvluchtte vele jaren geleden het toenmalige Joegoslavië om zich in het vrije Westen te vestigen (in dit geval in Rotterdam; in de wijk genoemd: het oude Westen). Hier zou hij zich eindelijk ongestoord met kunst kunnen bezighouden. Hij kwam bedrogen uit. Die bureaucratie die je overal voor nodig had, de bureaucraten die zich overal mee kwam bemoeien…Ten behoeve van een uitvoering waarvoor een gering bedrag aan entreegeld werd gevraagd, moest hij plotseling vermakelijkheidsbelasting afdragen, zo kwam een gemeenteambtenaar hem vertellen. Ik hoor hem nog emotioneel roepen, in zijn soort Duits: ‘Vermaaklichkeit? Ich habe nichts mit Vermaaklichkeit zu tun! Ich bin mit Kunst beschäftigt!’ (Vermakelijkheid? Ik heb niets met vermakelijkheid van doen! Ik houd me bezig met kunst!). Jaren ging ik in die turbulente tijd met hem om. Uiteindelijk is hij teruggegaan naar het dan ex-Joegoslavië (Kroatië). Want, zo zei hij me: ‘Thom, es gibt kein Unterschied!’ (Het maakt geen verschil).

De afwezigheid van onderscheid, of het grootkapitaal dan wel de communistische partij aan de macht is, wordt manifest in de barbarij die beide ‘systemen’ opleveren. Dit is de stand van zaken waar Stemmelen met zijn boek stopt. In die zin heeft het een macaber open eind. De titel van het boek houdt de lezer een keuze voor ogen: delen of schipbreuk (partage ou naufrage).

Schipbreuk, ondergang, het is mij te apocalyptisch. Ik houd het meer op socialisme of barbarij, een verwijzing naar de titel Socialisme ou barbarie van het net na de Tweede Wereldoorlog opgerichte Franse tijdschrift (1948-1965) door de Grieks-Franse filosoof, econoom en psychoanalyticus Cornelius Castoriades (1922-1997) en de Franse filosoof en politiek activist Claude Lefort (1924-2010). En die titel verwijst weer naar de uitdrukking die Rosa Luxemburg in 1915 gebruikte, Sozialismus oder Barbarie? In tegenstelling dus tot Fukuyama of Thatcher: er is  wel degelijk een alternatief. Het gaat om de strijd tegen de barbarij van de reactionaire economie met in het vizier het vrijheidslievende socialisme.

Thom Holterman

STEMMELEN, Éric, Partage ou naufrage, Économie politique du XXe siècle, Michalon Éditeur, Paris, 2014, 429 blz., prijs 24 euro.

[Beeldmateriaal van Britse anarchistische illustrator Clifford Harper.]

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s