Spring naar inhoud

Europese Eenmaking En Het Zelfbeheer Van De Gemeenten

04/08/2019

   Hendrik Brugmans

Het verenigd Europa waar idealisten kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog van droomden is een Europa van de bedrijfsleiders en de technocraten geworden, ‘met het verstand van een geldla’, zoals Raoul Vaneigem het zo plastisch uitdrukt. De democratische inspraak moest ervoor wijken. Het is een thema dat momenteel terug opgepakt wordt. En dat het zelfbeheer van de gemeenten terug op de agenda plaatst. De uitwerking die de letterkundige en politicus Henrdrik Brugmans (1906-1997) daaraan gaf past binnen het kader van het libertaire constitutionalisme. De Belgische libertaire auteur Johny Lenaerts levert hieronder een leerzame samenvatting van de denkbeelden van Brugmans. [ThH]

Die Freie Gesellschaft

Onder de titel ‘Europese eenheid en het zelfbeheer van de gemeenten’ publiceerde het Duitse anarchistische blad ‘Die Freie Gesellschaft’ in 1953 een discussiebijdrage van Hendrik Brugmans – ‘afkomstig uit de Nederlandse sociaaldemocratie, sterk door de ideeën van Proudhon beïnvloed en rector van het Europa-College in Brugge’. Hij stelt daarin dat de Europese eenmaking onvermijdelijk is maar dat dit niet wil zeggen dat we een ‘Europa tegen elke prijs’ willen waarin de politieke, sociale en geestelijke vorm ons onverschillig zou laten. In het eengemaakte Europa dat Brugmans voor ogen staat zouden de gemeenten een centrale rol vervullen en in zelfbeheer geregeerd worden. Want hij is van mening dat bepaalde taken beter en dus daadkrachtiger en democratischer door de gemeenten doorgevoerd kunnen worden wanneer de gemeenten de burgers direct daaraan laten deelnemen en dat ook effectief doen. Een sterke decentralisering in het politieke, sociale en culturele leven is volgens hem noodzakelijk. Door de mensen bij de politieke besluitvorming te betrekken zouden deze inzien dat ze niet alleen staan als een naamloze massa maar dat ze bij Europa behoren. Het is een betrachting die momenteel terug op de dagorde staat. – Wie is Hendrik Brugmans?

Democratie doen zegevieren

Hendrik Brugmans (1906-1997) is een voorvechter van de Europese eenmaking. Tijdens zijn studie Franse taal en letterkunde in Amsterdam engageerde hij zich voor de Vlaamse beweging. Geen evidente keuze voor een francofiel met een Nederlands paspoort. De lectuur van de internationale revue i 10 (1927-1929), met de Nederlandse anarcho-syndicalist Arthur Lehning als hoofdredacteur, zou hem ‘op het socialisme voorbereiden’. Hij las het ‘met rode oortjes’, zo verhaalt hij in zijn memoires (1). Toen hij daarop, in 1929-1930, zijn studie in Parijs afsloot, ging zijn sympathie uit naar de revolutionaire syndicalisten die in de vakbeweging een kleine minderheid uitmaakten en Le Cri du Peuple uitgaven. ‘Zij althans hadden een concrete voorstelling van wat een vrij socialisme zijn moest. Federalisten waren het, met verwijzing naar Proudhon.’

Terug in Nederland zou hij zich aansluiten bij de sociaaldemocratische arbeiderspartij (SDAP). Het federalisme moest volgens hem uitgroeien tot de politieke theorie van het socialisme. Hij werd er actief in het vormingswerk en zou in 1939 – veeleer toevallig – Tweede Kamerlid worden. Met de Duitse bezetting kwam daar in mei 1940 een einde aan. Hij kreeg een baan als leraar maar zou in mei 1942 aangehouden en gedurende twee jaar in Sint-Michielsgestel als ‘gijzelaar’ opgesloten worden. Na zijn vrijlating in april 1944 zou hij spoedig onderduiken en zich bij het verzet aansluiten. Bij de Bevrijding maakte hij deel uit van het Militair Gezag, kort nadien werd hij voorlichtingsman voor de nieuwe regering. Maar dat duurde niet lang. Hij viel in ongenade.

In de politieke hergroepering die er na de Bevrijding plaatsvond richtte een bont gezelschap van esperantisten, wereldhervormers en pacifisten – alles samen niet meer dan enkele tientallen – een nieuwe Internationale op die Europese Unie der Federalisten heette. Hendrik Brugmans zou er de voorzitter van worden. In het Zwitserse Hertenstein, waar de basis van de Unie gelegd werd, had hij er ‘twee grote figuren’ ontmoet die aan de wieg van het federalisme stonden: Anna Siemsen (1882-1951) en Adolf Gasser (1903-1985). Hendrik Brugmans: ‘Zij was een links-socialiste die moedig geprobeerd had zich niet alleen tegen Hitler te verzetten, maar ook het fenomeen van zijn demonische populariteit te begrijpen. Evenals zovelen was zij zodoende uitgekomen bij de afwijzing van ieder staatsnationalisme en bij Europa. Gasser was de perfecte vertegenwoordiger van het Zwitserse federalisme als logische consequentie van democratische pluriformiteit. Zijn boek, Gemeindefreiheit als Rettung Europas, was voor ons de grote eye-opener.’ (2)

Met beiden had Brugmans een lang fundamenteel gesprek dat een blijvend beeld op zijn netvlies zou vormen. In zijn memoires vertelt hij: ‘Ik ging beseffen dat federalisme de enige staatsvorm was die én democratie én doeltreffend beleid waarborgde, maar ook dat er in deze doctrine méér was vervat dan alleen een handige methode om internationale solidariteit te scheppen.’ Het federalisme was voor hem niet alleen een manier om de vrede in Europa te waarborgen, maar diende ook om de democratie te doen zegevieren op alle gebieden van het leven.

Verscheidenheid en dialoog

In Hertenstein ontmoette Brugmans ook de Zwitserse auteur Denis de Rougemont, wiens boeken hij tijdens de oorlog in het kamp gelezen had. Hij was erg onder de indruk van een lezing van hem. Hij vatte het in de volgende bewoordigen samen: ‘In tegenstelling tot de marxist-leninist heeft de federalist geen “stelsel” op zak dat kan worden toegepast, wat ook de lokale voorwaarden zijn… Federalisme heeft als uitgangspunt zich nauwlettend aan te sluiten bij de menselijke gegevens van een bepaald milieu. Het is een methode van consequente democratie. Het beseft dat belangrijke beslissingen alleen dàn vruchtbaar zijn, als ze gedragen worden door een zo breed mogelijke maatschappelijke consensus. Ook minderheden hebben daarbij een onmisbare inbreng. En in Europa is iedereen een minderheid!… Federalisme bekijkt ieder probleem menselijk-pragmatisch op zijn eigen merites: in welke politieke ruimte kan het optimaal worden opgelost? Wel met een preferentie voor de kleinere groepering, die overzichtelijk is en beter vatbaar voor controle door de burgers. In tegenstelling tot de monarchaal-denkende jacobijnen, met hun instinctieve, paternalistische afkeer van dissidenten, vindt het federalisme zijn vreugde in verscheidenheid en dialoog. Wanneer het ergens om meer eenheid roept, gebeurt dat om die verscheidenheid te waarborgen. Het is niet waar dat solidariteit intern tot uniformiteit leidt en tot afgrendeling naar buiten. Integendeel, openheid naar alle kanten, schept voorwaarden, zowel tot creativiteit als tot samenhorigheid.’

Dat was het wat Rougemont hem die avond vertelde. Het zou de aanzet vormen van de Europese federalistische beweging. Brugmans had de indruk dat uit alle landen de federalistische vloedgolf tot hem kwam: ‘Overal hoorde je de kreet: “Weg met de gecentraliseerde, nationalistische staten, leven de verenigde gewesten!” Een federalistische houding tegenover de absolute, ongedeelde soevereiniteit. Die laatste moest logischerwijs in het fascisme uitmonden. De gedachte ook van “One world or none”, van een wereldrechtsorde als vredeswaarborg. Op ons postpapier stond: “l’Europe une dans un Monde uni”. Daarnaast voelden wij ons solidair met de vrijheidstradities van het revolutionaire syndicalisme, in Frankrijk en Catalonië.’

Binnen de beweging werd er hartstochtelijk gediscussieerd. Welke richting moest men uitgaan? Hendrik Brugmans: ‘De Italianen zagen niets anders dan het Amerikaanse constitutionele model: er moest een Europese federale grondwet komen – die zou, per referendum of anders, worden opgelegd aan onze volkeren – en, zodra een levensvatbaar minimum “ja” had gezegd, kon je de Verenigde Staten van Europa uitroepen. Aantrekkelijk in zijn eenvoud, zeker, maar ik meende dat het probleem van de Amerikanen in de jaren 1780 fundamenteel anders was dan het onze nu. Dus: sympathie, maar toch ook conflict.’ En dan zegt Brugmans iets belangrijks, waar men later geen oren naar had: ‘Voor mij was de grondwet geen beginpunt, maar het sluitstuk van de integratie.’

Geen nationalisme meer!

Winston Churchill had een oproep gelanceerd: ‘Europe, arise!’ Daar was een beweging uit voortgekomen, United Europe Movement. Brugmans heeft er weinig sympathie voor: ‘De atmosfeer in die Europese Beweging was uitgesproken bourgeois. Wij federalisten presenteerden iets revolutionairs. Wij spraken van een wereldrechtsorde, gebaseerd op een hiërarchie van autonome gezagsvormen, een “multiplicité des pouvoirs”, van gemeente tot mondiaal orgaan. De Liga voor Economische Samenwerking daarentegen dacht aan vrijhandel en monetaire unie, terwijl de Churchillianen vooral streefden naar Frans-Duitse samenwerking als gemeenschappelijk front tegen het Oosten.’

‘Europa’ is geen probleem op zichzelf, ergens in de marge, stelde Brugmans. Het is de dimensie van eigenlijk alle grote problemen van nu en straks. De traditionele nationale staat, die vorige eeuwen de politiek heeft bepaald, is thans achterhaald. ‘De era van de nationale staat als albeheersende realiteit is ten einde. Een federale era moet aanbreken en zolang die niet geopend wordt, verstikken we in een tussenspel van machteloosheid en malaise.’

In oktober 1950 werd in Brugge het Europa-College opgericht, waar post-graduates een jaar lang samen zouden wonen en werken met Europa als onderwerp. Hendrik Brugmans werd benoemd tot rector. Aanvankelijk waren er ruim dertig studenten uit een vijftiental landen. Later zou dit aangroeien tot 200 studenten.

Brugmans: ‘Voor ons was het toen duidelijk, dat het kernprobleem niet lag in de techniek van deze of gene institutie, maar in de mentaliteit van de mensen. Die voelden wel vaag voor een Verenigd Europa, maar zodra het op daden aankwam, vielen ze terug op nationale reflexen. “Politiek” bleef voor de meesten “nationale politiek”. Ergens wroette ook het gebrek aan vertrouwen in elkaar, dus van vertrouwelijkheid bij onderhandelingen. Men was er nog niet aan toe andermans narigheden en aspiraties als verwant te zien aan die van zichzelf.’

Hendrik Brugmans zou tot aan zijn pensioen in 1972 het rectorschap uitoefenen. Hij deed dat met veel vakmanschap en veel begeestering. Toen in 1968 de revolte ook naar het College oversloeg en hij van paternalisme beschuldigd werd, moest hij met spijt in het hart vaststellen dat er een kloof tussen hem en de studenten ontstaan was. Het zou niet helemaal goed komen. ‘Mijn laatste rectorsjaren zijn niet de mooiste geweest,’ bekent hij in zijn memoires. ‘Ik was mijn zekerheid kwijt.’

Hendrik Brugmans zou nog talrijke publicaties uitgeven en bleef tot op hoge ouderdom actief. Hij overleed in 1997 in Brugge op 90-jarige leeftijd.

Wat hem al die tijd gedreven had? ‘Géén nationalisme meer! Dààr lag de wortel van ons gemeenschappelijk Europese engagement.’

Decentralisering

In hetzelfde nummer van Die Freie Gesellschaft waarin Brugmans’ bijdrage verscheen, schreef de redactie: ‘Alle verstandige mensen moeten de vrije eenmaking van Europa wensen. Dat momenteel de oude maatschappelijke machten (privékapitaal, kerk) een leidende rol in het Europees eenheidsstreven spelen, is geen tegen-argument. Tegenwoordig zijn kapitaal en kerk méér internationalistisch dan de sociaaldemocratische partijen – dat is geen argument tegen het internationalisme maar veeleer een aanklacht tegen het staatssocialisme, dat in een van haar essentiële programmapunten gefaald heeft.’

In een latere uitgave uit hetzelfde jaar – 1953 – schreef de redactie van Die Freie Gesellschaft dat men het streven naar federalisme niet mocht reduceren tot de vorming van een Europees parlement of van een Europese regering – en al helemaal niet tot een zielloze bureaucratische constructie. Het federalisme streeft naar de vorming van supranationale organen en naar de machtsoverdracht van het nationaal naar het Europees niveau. Maar daar mag het zich niet toe beperken: ook de huidige staatsstructuur moet veranderd worden. De federalistische principes moeten ook in de binnenlandse politiek van de landen tot uitdrukking komen. De federalisering van de staat zou zowel een culturele als een functionele decentralisering moeten betekenen. – En daar wringt de schoen.

Is hier niet een taak weggelegd voor hedendaagse municipalisten, die de gemeenten willen bevrijden van de voogdij van de staat?

Johny Lenaerts

[Dit artikel verscheen onlangs ook in Buiten de Orde, 2019, nr. 2.]

NOTEN:

(1) Hendrik Brugmans, ‘Wij, Europa. Een halve eeuw strijd voor emancipatie en Europees federalisme’, Leuven/Amsterdam: Kritak/Meulenhoff, 1988;

(2) Een Nederlandstalige samenvatting van dit boek verscheen op de site Meer Democratie

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: