Spring naar inhoud

Tegen De (Rechts)Staat?

16/08/2012

‘Meneer, u bent anarchist, dat heb ik op internet gezien. Dan bent u toch tegen de staat? Dus ook tegen de rechtsstaat, terwijl u zegt dat de democratie zo belangrijk is. Hoe zit dat, meneer?!’ Louise, een slimme meid uit een van de mbo-klassen waar ik maatschappijleer aan geef, zorgt er met haar vraag voor, dat alle 32 leerlingen hun ogen met een uitdagende twinkeling op me richten, benieuwd hoe ik me hieruit ga redden. Zij zullen zich niet realiseren dat zulke vragen mij juist de mogelijkheid bieden om de verdieping aan de leerstof te geven, die het lesgeven pas echt leuk maakt. Niet een uurtje per week, waar demissionair minister-president Rutte graag mee koketteert, maar als serieuze baan, naast mijn werk als journalist. Eerder heb ik mijn leerlingen de werking van het parlement uitgelegd en na de val van het kabinet en het besluit tot nieuwe verkiezingen heb ik hen aanbevolen om de politici van links en rechts de komende weken nauwgezet te volgen in het nieuws, zodat de leerlingen als kersverse stemgerechtigden op 12 september weten op wie ze stemmen. Stemmen? Aanbevolen door een anarchist die ooit de campagne ‘Stemmen is toestemmen’ initieerde en van een brochure, posters en ansichtkaarten voorzag, die impliciet suggereerden dat stemmen zinloos was, ja zelfs collaboratie betekende? Jazeker. Het lijkt dus, dat het kan verkeren en dat het een gerechtvaardigde vraag is, hoe dat actueel te rijmen valt, zonder afstand te doen van de kwalificatie anarchist.

De kern van het antwoord op Louises vraag ligt voor de lezer van dit blad waarschijnlijk wel voor de hand, maar zal ik hier voor de goede orde toch even formuleren: ja, ik ben ‘tegen de staat’ zolang die niet werkelijk democratisch is georganiseerd. Een echt democratische staat heeft nog nooit bestaan, maar ik denk wel dat de rechtsstaat zoals wij die nu kennen het dichtste bij het idee van een werkelijke democratie komt. En het parlement? Dat is een relatief machteloos bestuursorgaan, dat suggereert de bevolking te representeren, maar in vele opzichten ondemocratisch blijkt te zijn. Het parlement is echter als forum interessant, nuttig om de staat tot openheid te dwingen, mogelijk informatie opleverend waarmee je buitenparlementair misschien verder kunt. Dat is allemaal in een notendop beschreven en leent zich uiteraard voor nadere uitleg. Maar niet hier en niet nu. Wel nog even de crux van het kort samengevatte betoog: ik heb ‘de staat’ zoals die hier bestaat inclusief het parlement zoals dat hier functioneert heel wat liever dan de staat in andere ontwikkelde landen als pakweg de VS, Rusland, China, Italië. En dan knikken mijn leerlingen instemmend, want met de praktijken van de pseudodemocraat Obama, de oligarch Poetin, de kampioen doodstraffen-uitdeler Hu Jintao en de maffiabaas Berlusconi hebben ze tijdens eerdere gesprekken in de klas uitgebreid kennis gemaakt. Over tot de orde van de dag. ‘We zouden het nog even over Griekenland hebben, naar aanleiding van de vraag van vorige week over de euro en Europa…’

Welke democratie?

Zo zitten we meteen weer middenin de kwestie waar we vaak op terugkomen in die lessen: wat is democratie? Democratie is verdorie ooit juist bedacht in Griekenland. Het was van meet af aan een mooi woord, van dèmos (volk) en kratéo (heersen), maar al in de klassieke stadsstaat Athene was het geen stelsel waar de bevolking echt regeerde, laat staan zich adequaat vertegenwoordigd voelde. Ook Italiaanse stadsstaten als Florence, Genua, Venetië tijdens de renaissance waren slechts in naam democratieën, in werkelijkheid regeerden wisselende families van oligarchen die elkaar en rivaliserende clans/families bovendien voortdurend bestreden. Nadien is democratie lang een synoniem voor zwak bestuur geweest, met een latent risico op zich als tirannen ontpoppende voormannen, precies zoals het eeuwenlang in Rome was gegaan. Uit de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten (1776) bleek dat de opstellers (vooral Thomas Jefferson, maar met instemming van vertegenwoordigers van de koloniën) behept waren met door de Europese Verlichting geïnspireerde democratische concepten, zoals het republicanisme, dat erfopvolging uitsloot, de soevereiniteit aan het volk toebedeelde en een verkozen president bepleitte. Deze ideologie was opgekomen door de wens zich af te zetten tegen het corrupte Britse bestuur, verpersoonlijkt door de Londense parlementariërs en hun geparenteerde of anderszins nauw gelieerde aristocratische verwanten die de koloniën in het westen bestuurden. Maar ook de Founding Fathers beseften dat een democratisch bestel risico’s met zich brengt en maar beter beperkt kon worden, te beginnen met een geschreven grondwet die weliswaar prachtige principes verwoordde met iconische begrippen als vrijheid, gelijkheid en recht op het nastreven van geluk, die echter niet van toepassing waren op de talrijke slaven in het land, laat staan op de autochtone inwoners, de indianen, en dus op essentiële onderdelen ondemocratisch. Met de verjaging van de Britten beschouwden de kolonisten zich als de rechtmatige inwoners en daarmee grondbezitters van Noord-Amerika en onder aanvoering van George Washington, zeer anti-indiaans, praktiseerden zij ten opzichte van de autochtone Amerikanen een politiek van gedwongen integratie óf verdreven worden. Zoals bekend heeft het laatste al gauw sterk de overhand gekregen en werden tot ver in de negentiende eeuw de indianen stelselmatig uitgeroeid, waarna de weinige overgeblevenen slechts met grote moeite burgerrechten verwierven. Land of the free!

Ook in Europa zijn de democratische stelsels lang beperkt gebleven, waarbij censuskiesrecht de norm was en niet alleen de overgrote meerderheid van onbemiddelde mannen maar ook alle vrouwen stemrecht ontzegd werd. Bovendien vormt de parlementaire vertegenwoordiging met mandaten van vier of meer jaren een aanzienlijke democratische inperking. Ook het partijenstelsel belemmert tot op de dag van vandaag een werkelijk democratische vertegenwoordiging van de bevolking.

Vandaag de dag wordt onder democratie van alles verstaan en worden landen als Azerbeidzjan, Oekraïne, Turkije of Roemenië achteloos democratieën of op z’n best ‘democratieën in opkomst’ genoemd, terwijl deze aan essentialia als scheiding der machten niet eens voldoen. Hoeveel van de betogers op het Tahirplein in Caïro en op de andere plekken van de ‘Arabische Lente’ beseffen dat democratie betekent dat vrouwen dezelfde rechten hebben als mannen? Dat vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing een fundamentele voorwaarde is? Dat vrijheid van meningsuiting ook betekent dat iemand vrijelijk mag beweren, dat de koran vol leugens staat en de profeet Mohammed een pedofiel was? Dat het leger zich onvoorwaardelijk dient te onderschikken aan het parlement en de regering? Dat wetten primair dienen om de burgers tegen de overheid te beschermen? Dat onafhankelijkheid van de rechterlijke macht betekent dat rechters geen opdrachten kunnen krijgen, en dat zij evenmin ontslagen kunnen worden? Dat ambtenaren burgers zonder onderscheid als gelijken dienen te behandelen? Ik vrees dat heel wat van de enthousiaste betogers een aantal van deze toch principiële factoren veeleer als ‘westerse decadentie’ zullen kenschetsen en zich zo niet alleen in Egypte maar ook elders weer door partijen laten inlijven die naar de vorm democratisch lijken, maar in wezen onverdraagzaamheid in het vaandel hebben, omdat zij de fundamentele mensenrechten niet werkelijk erkennen en het concept van de rechtsstaat niet wezenlijk nastreven. Ik wil niet pretenderen dat het concept van democratie waarin ik ‘tegen de staat’ kan zijn zaligmakend is, maar de ontwikkelingen in Oost-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten stemmen me behoorlijk somber. Vooralsnog zie ik helaas de zaak van de mensenrechten niet of nauwelijks vooruitgang maken.

Rechtsstaat in crisis

Dat wil zeker niet zeggen dat de zaken er hier zo geweldig voor staan. Kort voor de val van het kabinet heeft een binnen het systeem relatief onafhankelijk ‘instituut’ als de Ombudsman in de persoon van Alexander Brenninkmeijer zich zeer scherp uitgelaten over de ogenschijnlijk systematische aanvallen van ‘de politiek’ (lees: het kabinet Rutte/Wilders en zijn entourage) op aloude principes van de rechtsstaat. Politici becommentariëren in toenemende mate en bovendien prematuur rechterlijke vonnissen; kritische en afwijzende adviezen van de Raad van State (gezien haar soms conflicterende taken zelf trouwens geen democratisch modelinstituut) over wetsontwerpen worden genegeerd, het parlement biedt onvoldoende tegenspel, het kabinet lijkt bezig aan een afbraak van de rechtspraak, kortom de pluriforme rechtsorde dreigt langzaam maar zeker te worden uitgehold. In plaats van zich deze goed onderbouwde kritiek aan te trekken en om te zetten in concrete actie, wist de Tweede Kamer niets beters te doen dan Brenninkmeijer op het matje te roepen en uitgebreid te kapittelen. ‘VVD, maar ook PvdA en PVV kwamen diskwalificerende termen tekort’, schreef Folkert Jensma even nadien in NRC-Handelsblad, er meteen op wijzend dat de ombudsman niet alleen stond in zijn kritiek. Integendeel, het hoogste rechtscollege in Nederland had juist zijn jaarverslag gepresenteerd, waarbij procureur-generaal Fokkens zelfs sprak van een dreigend ‘vastlopen van de rechtspraak’. Naar zijn oordeel wil de politiek teveel sturen, zijn er teveel ondoordachte regelingen en veranderingen ingevoerd (het voorgenomen boerka-verbod van Rutte/Spies/Wilders nog niet eens meegerekend) en trekken achtereenvolgende kabinetten te weinig geld uit om de rechtspraak te laten uitvoeren wat er gevraagd en beloofd wordt. Ook Hoge Raad-president Corstens betoonde zich ongekend kritisch. Hij voorspelde dat als gevolg van het beleid van afgelopen jaren het vertrouwen in de rechtspraak verder zal afnemen en dat de strafrechtspraak wordt gemarginaliseerd. Boetes, taakstraffen en korte vrijheidsstraffen worden al zonder rechter door de overheid zelf opgelegd. Het is in toenemende mate de overheid die straft. Ook de klassieke taak van de rechter om de burger tegen de overheid te beschermen komt volgens Corstens in het gedrang. Deze kritische noten zijn afkomstig van topmensen uit de rechterlijke macht zelf en daarnaast van een prominent toezichthouder en officiële klachtenafvanger als de ombudsman. Dat kan dus moeilijk worden afgedaan als kattenpis.

Sluipende neutralisering

Een vergelijkbare ontwikkeling voltrekt zich internationaal, zo stelt de Duitse rechtstheoreticus Gunther Teubner in een themanummer van het tijdschrift Rechtsfilosofie & rechtstheorie (2011/3). Teubner waarschuwt, dat waar de politiek een autonome factor wordt, deze een potentiële overheerser wordt. Thom Holterman illustreert dit op zijn blog met het voorbeeld van een conferentie van de 47 lidstaten van de Europese Raad in april jongstleden, in Brighton: ‘Engeland heeft haar halfjaarlijkse presidentschap van de Raad van ministers te baat genomen om voorstellen te doen om de rechtsbevoegdheid van het Hof van de Rechten van de mens in te perken. (…) Engeland stelde voor het Hof zich te laten beperken tot de “meest ernstige schending van de rechten van de mens”. Naast het argument dat dit de werkdruk voor het Hof zou verlichten, werd ook een gevoelsargument in gebracht want “er werd mee voorkomen dat het Hof zijn reputatie zou bezoedelen met het controleren van na­tio­nale beslissingen die van een te gering belang zijn”. Een dergelijke vage formulering heeft de betekenis van het openstellen van sluisdeuren: met behulp van wat ik “argumentatieve willekeur” noem is zo praktisch elke nationale beslissing buiten het rechtsbereik van het Hof te “sluizen”… De vergadering is niet meegegaan met de Engelse voorstellen tot dergelijke ingrepen in het Verdrag. Maar dit zal niet het eind zijn van het “drijven” in die richting tot inperken van het rechtsbereik van het Hof. Le Monde meldt namelijk ook dat de Franse ambassadeur bij de Raad van Europa, Engeland bedankte zo “moedig” te zijn geweest alle wegen te hebben benut (“explorer toutes les pistes”) om de jurisdictie van het Hof in te snoeren. Als de vos zijn passie preekt, boer pas op je kippen!’

De sluipende neutralisering van de rechterlijke macht en de bedenkelijke rol daarin van de gevestigde politiek is voor wat betreft de Nederlandse situatie al eerder indringend gedocumenteerd en becommentarieerd door oud-rechter Willem van Bennekom in zijn essaybundel Op drijfijs. Over het functioneren van de rechtsstaat. Hij komt tot de onthutsende conclusie, dat de trias politica, de splitsing van staatsfuncties in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht in Nederland in feite niet meer bestaat, maar is vervangen door een ‘structuurloos universum’. Niet lang nadat ik die ongemakkelijke, maar in heldere lijnen vastgestelde analyse had doorgeworsteld, legde ik mijn mbo-leerlingen de beginselen van de leer van Montesquieu uit. Ik wist inmiddels, dat de toepassing van de scheiding der machten in ons land in de categorie sterke verhalen was beland, maar ik heb het hun niet verteld. Nog niet.

Boudewijn Chorus

One Comment leave one →
  1. Frits Jansen permalink
    27/11/2012 09:49

    De fundamentele vraag is of het volk via zijn gekozen vertegenwoordigers de baas is, of dat ook democratisch gekozen vertegenwoordigers zich aan regels moeten houden.
    In het Britse denken overheerst de gedachte van volkssoevereiniteit, vandaar de bezwaren tegen een te ruime taakopvatting van het EVRM.

    Bij de Duitsers overheerst het grondrechten denken, de gedachte dat het parlement niet altijd het laatste woord heeft. Elk nadeel heeft zijn voordeel: de Duitsers zijn in een aantal akelige “staatkundige experimenten” in de vorige eeuw door schade en schande wijs geworden.

    Ook de Amerikanen kennen constitutionele toetsing. Als het federale hooggerechtshof de president of het congres corrigeert dan wordt wel gemopperd, maar niemand durft dan te zeggen dat ze hun plaats moeten kennen.

    De Duitsers kennen het mooie systeem van het Parlamentsvorbehalt: als het constitutionele hof, het Bundesverfassungsgericht een wet afkeurt, dan laat het het aan het parlement over om met iets beters te komen (waarbij doorgaans een bepaalde termijn wordt gesteld). Zo wordt voorkomen dat niet democratisch gelegitimeerde functionarissen politieke beslissingen gaan nemen.

    Wie een beetje verstand heeft van juridische zaken weet dat het héél goed is als gekozen politici worden behoed voor juridische blunders. VVD-ers die bepleiten dat rechters niet meer mogen toetsen aan verdragen omdat de kamerleden dat al zouden doen zijn echt volkomen de weg kwijt.

    Het is ook een pijnlijk misverstand dat de democratie niet goed zou werken omdat – kort gezegd – het kabinet niet gehoorzaamt aan Maurice de Hond. Dat miskent dat in ons systeem het kabinet een mandaat krijgt voor een regeringsperiode, en pas aan het eind daarvan op het totaal door de kiezer wordt afgerekend. Anders zou een kabinet nooit impopulaire maatregelen kunnen nemen die op termijn toch noodzakelijk zijn.

    Waar ik mij vooral zorgen over maak is de enorm grote rol van de media. Voor een democratie is een vrije pers essentieel. Daarom hebben die “vrijheid van meningsuiting”. Die wordt tegenwoordig echter niet meer door overheden, maar door de eisen van de commercie aangetast: op een overbezette markt lopen alle media hijgerig achter kijk- en oplagecijfers aan. En dan krijg je een politiek waarbij beeldvorming belangrijker is dan de werkelijkheid: “fact free politics”. Geen feit tussen te krijgen! Toch fijn als er een vangnet onder de democratie hangt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: