Skip to content

Bob Dylan, Tempest: Storm Op Komst

19/09/2012

De nieuwe cd van Bob Dylan, Tempest, begint weliswaar met een vrolijk klinkend nummer, maar de tekst biedt al een voorbode op wat de volgende nummers bieden. Tempest is een donker, somber album, maar zowel muzikaal als tekstueel geheel gevat in de Amerikaanse tradities van folk en blues.

Bob Dylan varieerde in zijn vijftigjarige carrière meerdere malen van de ene muziekstijl naar de andere, vaak juist gebaseerd op de bepalende muzikale stromingen in de Amerikaanse geschiedenis. Werd Dylan in het begin vooral beïnvloed door protestzanger Woody Guthrie, maar ook door countryzangers Hank Williams en Jimmy Rogers, enkele jaren later liet hij de folk achter zich, wierp zich op de rock en elektrisch versterkte blues (Highway 61 Revisited, Blonde on Blonde), op countrymuziek (Nashville Skyline), weer op rock (met The Band) en maakte in zijn religieuze periode enkele gospelplaten. In de jaren negentig maakte hij een tweetal cd’s met op uit Ierland en Schotland afkomstige muziek (Good As I Been To You en World Gone Wrong) waarmee hij aangaf hoe diep de Amerikaanse muziek geworteld is in de muziek van het oude continent. De laatste jaren leek Dylan het vak van crooner á la Sinatra of Tony Bennet te willen uitoefenen en kregen zijn cd’s vooral een jazzy karakter, niet tot ieders tevredenheid, met langzame, melodieuze jazzachtige nummers die tot niets leken te leiden.

Op Tempest echter lijkt hij terug te keren tot zijn roots. Naast enkele ongecompliceerde bluessongs zoals Narrow Way en Early Roman Kings (een nummer wat sterk doet denken aan Mannish Boy van Muddy Waters), volgt de cd niet alleen de traditie van de Amerikaanse folk en blues, maar is daar vooral een nieuwe exponent van.

Dylan speelde op zijn eerste albums vooral zelfgeschreven nummers in de traditie van folksingers als Joe Hill, Pete Seeger en Woody Guthrie: songs die in die tijd als protestsongs werden aangemerkt, topical songs werden ze in de VS genoemd. Maar het werk van Dylan is terug te voeren op een veel bredere historische context.

In het vorig jaar verschenen Bob Dylan, Writings 1968-2010 weet de Amerikaanse muziekjournalist Greil Marcus dit uitstekend te analyseren. Bob Dylan is voor Greil Marcus absoluut geen heilige. Integendeel, hij volgt Dylan door de jaren heen uiterst kritisch. Songs, optredens, elpees of cd’s die hem niet welgevallig zijn, serveert hij onmiddellijk af, biografieën over Dylan zoals die van Robert Shelton of Bob Spitz, sabelt hij onbarmhartig neer. Dat Dylan vooral zijn eigen weg gaat, waardeert hij. Dylan deint niet mee op de trendgolven van de popmuziek. Hoewel Marcus openstaat voor alles wat Dylan doet, wordt hij vaak teleurgesteld. Hij veegt de vloer aan met Dylan wanneer het diens religieuze periode in de jaren tachtig betreft: clichématige, goed bedoelde maar weinig oprecht klinkende gospel die absoluut niet uitnodigt tot bekering tot het christelijk geloof.

Marcus is geen biograaf van Dylan en wil dat ook niet zijn. Hij is niet geïnteresseerd in allerlei privé-informatie over Dylan, waar Dylan-biograaf Howard Sounes ooit een boek mee wist te vullen. Hij speurt ook niet naar gegevens over opnamedata, studiogegevens of het aantal takes voor een song, zoals bijvoorbeeld Clinton Heylin dat – overigens uitstekend – doet in zijn boeken. Al helemaal niet zoekt hij naar de betekenis van teksten of songs. Dat laat hij over aan iemand als Michael Gray, die in zijn Song and Dance Man III (2000), bijna iedere songtekst van Dylan tot op het bot weet te ontleden of terug weet te voeren op oude blues- en folksongs, vergeten Engelse traditionals, bijbelteksten of citaten uit films.

De wijze waarop Marcus Dylan volgt en beschrijft, zegt vooral veel over Marcus zelf. Schrijven over Dylan is voor Marcus schrijven over zijn eigen beleving bij het luisteren naar Dylan, maar vooral een poging diens werk in een breder kader te plaatsen. Marcus beschouwt muziek niet als behang of amusement, maar als een culturele uiting van een artiest in de context van een generatie, van een volk, van een tijdperk. Die muziek is weliswaar een momentopname, maar niet zo beperkt dat ze zonder meer gekoppeld is aan de tijd waarin het gemaakt werd, maar juist ook in andere tijden verrassend actueel kan zijn.

Marcus legt verbanden bloot tussen het repertoire van Dylan en dat van bijna vergeten folk- of blueszangers als Dock Boggs en Blind Willie McTell en ziet opmerkelijke overeenkomsten tussen het werk van Dylan en dat van songs zoals die in de jaren vijftig door de excentrieke 78-toerenplatenverzamelaar Harry Smith op de onmisbare compilatie Anthology of American Folk Music werden gezet. Deze set elpees vormde het vertrekpunt van de folk-revival die in het begin van de jaren zestig in Amerika opkwam, met artiesten als Joan Baez, Ramblin’ Jack Elliot, Dave van Ronk, Eric von Schmidt, Phil Ochs, Mark Spoelstra en Bob Dylan. Allemaal waren ze schatplichtig aan de verzamelwoede van Harry Smith. In die jaren tussen 1960 en 1965 bleek dat traditionele moord- en liefdesballades of strijdbare vakbondssongs uit de jaren twintig en dertig, moeiteloos inpasbaar waren in een ander decennium en haarfijn aansloten bij de toenmalige protestgeneratie in hun strijd tegen de atoombom en de Vietnamoorlog. Bob Dylan werd gezien als de spreekbuis van die generatie, maar dat was een rol die hij nooit wilde spelen.

Het werk van Dylan past in de traditie van de vooroorlogse blues en folk en is er zeker op gebaseerd. Het is echter in wezen tijdloos, zo schrijft Marcus. Tijdloos omdat het, net als het werk van Boggs, McTell en anderen, onderdeel uitmaakt van het veelzijdige verhaal van de geschiedenis van Amerika. Op de Anthology of American Folk Music vertellen ballades uit de Appalachian Mountains, countrynummers, gospel- en chaingangsongs, murderballads en kinderliedjes die geschiedenis. Het is niet het Amerika van presidenten, oorlogen of memorabele staatsgebeurtenissen, maar dat van 19e eeuwse immigranten, outlaws, landarbeiders, slaven, hobo’s, bluesmen, de Amerikaanse burgeroorlog, familietragedies en een geschiedenis waarin mannen en vrouwen van het ene moment op het andere van rijkdom in armoede kunnen vervallen of juist andersom.

In een prachtig essay getiteld The Myth of the Open Road (1989) vertaalt Marcus dit gegeven van een mythisch, episch, historisch Amerika naar de 20e eeuw: Chuck Berry die, in de gevangenis, het wijdse, open Amerikaanse landschap zoekt en Bruce Springsteen die zingt over het cruisin’ over the highways. Rock ‘n’ roll, westernfilms en natuurlijk Dylan’s Highway 61 Revisited gebruikt hij in een ode aan het Amerika van de open vlaktes, een Amerika wat nog steeds ontdekt kan worden, het vrije Amerika van Woody Guthrie’s This Land is Your Land, het Amerika van de eindeloze highway. Want langs die reële of fictieve highway, daar liggen de verhalen voor het oprapen, die vormen de geschiedenis van Amerika, die verhalen moeten worden opgespoord en moeten worden verteld.

Voor Greil Marcus staat niets op zichzelf. Hij zoekt altijd verbanden en hij weet onverwachte  connecties bloot te leggen. Al in zijn Lipstick Traces: A Secret History of the 20th Century (1989) wist hij verbindingen te leggen tussen 20e eeuwse pop- en folkmuziek (Sex Pistols, Fairport Convention), de avant-garde kunst uit de jaren twintig, Dada en de anarchistisch getinte kunstbeweging van de Situationisten rond Guy Debord in de jaren zestig.

Briljant is en blijft zijn The Invisible Republic (1997), een tot op de laatste groef doorgevoerde analyse van de door Bob Dylan en The Band opgenomen Basement Tapes (1967, 5 cd’s, bootlegs). Muziek en teksten van Dylan en The Band, oude folk- en bluessongs en nieuwe songs van Dylan, roepen het beeld op van een imaginair Amerika waarin verleden en heden in elkaar overlopen, waarin de geschiedenis zich herhaalt en scheidingslijnen tussen fantasie en werkelijkheid vervagen. Het is een reconstructie van een onzichtbare republiek, een Amerika zoals het wellicht bestaan heeft, maar misschien ook niet, dat blijft in het midden.

De geschiedenis van Amerika is als een reis langs een eindeloze highway, zo schrijft Marcus. In zijn artikel Election Night (2009) is de verkiezing van Obama als president een nieuwe mijlpaal op die route. Obama citeerde in zijn Victory-speech Sam Cooke’s A Change is Gonna Come (1964). Dylan speelde diezelfde avond ergens The Times They are-a Changin’ in een volstrekt nieuwe uitvoering, als ware het de soundtrack tot Obama’s verkiezing. Muziek uit een ‘oud’ Amerika (1963), wellicht toepasbaar op een nieuw Amerika, zo stelt Marcus.

Storm

Bob Dylans Tempest volgt diezelfde highway. In het nummer Scarlet Town weet Dylan een uiterst onheilspellende sfeer op te roepen en figureren bedelaars, buitenbeentjes, outlaws en andere onmaatschappelijken. De song roept de dezelfde sfeer op als zijn The Man in The Long Black Coat of Blind Willie McTell, waarin vlagen uit westerns van Clint Eastwood lijken op te doemen. Tin Angel lijkt op een oude uit Schotland overgewaaide ballade. De tekst is echter hagelnieuw en Dylan onderstreept er nogmaals mee waar de basis van de Amerikaanse folk vandaan komt. In combinatie met nummers als Long and Wasted Years en Pay in Blood lijken sommige fragmenten regelrecht afkomstig uit romans van John Steinbeck of Tennessee Williams. Hoogtepunt van de cd is het titelnummer, een refreinloos, veertien minuten durend epos van 45 coupletten over de ondergang van de Titanic. Nu is de herdenking van het zinken van het schip al enkele maanden geleden en lijkt het nummer als mosterd na de maaltijd te komen, maar dat is slechts schijn. Op het eerste gehoor is het nummer een verhalende ballade over de Titanic, maar bij nadere beluistering dringt zich iets anders op: het is een metafoor voor de ondergang van de westerse samenleving, of misschien wel van de wereld? Een bijna bijbelse beschrijving van het apocalyptische einde der tijden, een onheilsboodschap, zo lijkt het.

Dylans duistere, sinistere boodschap is duidelijk: als de mensheid er nog iets van wil maken, dan zullen er nu veranderingen moeten komen.

Martin Smit

Advertenties
3 reacties leave one →
  1. 19/09/2012 09:59

    Ik luister alleen naar de ‘oude’ Dylan, maar word hier toch wel erg nieuwsgierig van!

  2. Bert van den Bosch permalink
    19/09/2012 13:05

    Mijn complimenten voor jouw prachtige artikel.

  3. Claudie Crommelin permalink
    20/09/2012 21:03

    Wat een fantatisch stuk, gefeliciteerd, beter nog dan de plaat zelf!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s