Spring naar inhoud

Michael Bakoenin. Toespraak Voor De Liga Van Vrede En Vrijheid: Bestrijding Van De Klassenverschillen

04/11/2018

De Liga van Vrede en Vrijheid werd in 1867 door verschillende Europese intellectuelen, radicalen, socialisten en hervormers opgericht met het doel oorlog in Europa te bestrijden. Tot de stichters behoorden de Engelse filosoof van de vrijheid en het utilitarisme, John Stuart Mill, de toekomstige anarchist Elisée Reclus, en zijn broer Elie, de Franse schrijver en tegenstander van Napoleon III, Victor Hugo, de Italiaanse revolutionair, Giuseppe Garibaldi, de Franse socialist, Louis Blanc, de Russische socialist Alexander Herzen en diens oude vriend, Michael Bakoenin. De laatste dacht dat de Liga een nuttige plek zou zijn om de door hem ontwikkelende opvatting over een revolutionair, federalistisch socialisme te propageren. Hij was er vast van overtuigd dat duurzame vrede alleen kon worden bereikt door het afschaffen van de staat en nationale rivaliteit, en door het creëren van een internationaal, federalistisch socialisme. Hij werd teleurgesteld in zijn hoop, want de Liga was ideologisch  veel te heterogeen om een consensus te bereiken over een politiek programma, laat staan een revolutionair socialistisch programma. Maar hij was vooral teleurgesteld door de tegenstand tegen zijn ideeën die hij kreeg van de eigenzinnige volgelingen van Proudhon op het congres van de Liga in september 1868, waar ze Bakoenin ervan beschuldigden een communist te zijn (in marxistische, niet anarchistische zin).

Met het oog de 150ste verjaardag van het congres van de Liga in 1868 reproduceerde de Amerikaanse anarchist Robert Graham fragmenten uit Bakoenin’s tweede toespraak op het congres, waarin hij zich verdedigt tegen de beschuldigingen. Aan het einde van het congres zegden Bakoenin en zijn medestanders hun lidmaatschap van de Liga op, waarna Bakoenin zijn aandacht richtte op de Internationale Arbeiders Associatie, waarbij hij zich in juli 1868 (opnieuw) had aangesloten.

Men zou denken dat zijn reactie gedateerd is, terwijl die inhoudelijk vandaag grotendeels nog geventileerd kan worden. Bakoenin als ‘klassiek’ anarchist verouderd? Wie dat beweert wil niet weten waar het mede in het anarchisme omdraait. [Vertaling uit het Engels thh.]

Tweede toespraak van Bakoenin tot het congres van de Liga voor Vrede en Vrijheid van 1868

‘Mijne heren, ik wil niet reageren op alle opmerkingen die mij zijn voorgehouden. Ik zou te veel overhoop moeten halen als ik de waarheid wilde ontrafelen uit de massa van verwarrende ideeën en tegenstrijdige gevoelens die tegen mij zijn geuit. Verschillende sprekers hebben, om mij te bestrijden, een aantal argumenten gebruikt die zo ver van serieusheid afstaan, dat ik het recht zou hebben om hun goede trouw in twijfel te trekken – ik zal het niet doen. Ik heb slechts een tweede keer het woord gevraagd om opnieuw de kwestie aan de orde te stellen waarom het ten diepste gaat, een kwestie waarbij sommigen er duidelijk belang bij hebben de aandacht ervoor te verschuiven…

Geloof niet, mijne heren, dat ik terugdeins voor een openhartige uitleg van mijn socialistische ideeën. Ik kan niets beters vragen dan ze hier te verdedigen. Maar ik denk niet dat de vijftien minuten die mij gegund zijn voor dit debat voldoende zijn. Er is echter één punt, één beschuldiging tegen mij ingebracht, die ik niet onbeantwoord kan laten.

Omdat ik de economische en sociale gelijkstelling van klassen en individuen eiste, omdat ik mij, met het Congres van de arbeiders in Brussel [de Internationale], heb uitgeroepen tot partizaan van het collectieve eigendom, werd mij verweten dat ik een communist ben. Welk verschil, zo hebben ze me gezegd, wilt u maken tussen communisme en collectiviteit? Ik ben werkelijk verbaasd dat de heer Chaudey dat verschil niet begrijpt, hij, de testamentaire uitvoerder van Proudhon! Ik verafschuw het communisme, omdat het de ontkenning van de vrijheid is en omdat ik niets menselijks kan bedenken zonder vrijheid. Ik ben geen communist omdat het communisme zaken concentreert en er daarbij voor zorgt dat alle macht van de samenleving geconcentreerd wordt in de Staat, wat weer noodzakelijkerwijs leidt tot centralisatie van de bezittingen in de handen van de Staat. Ik streef juist naar de afschaffing van de Staat, naar het radicaal uitsterven van het principe van gezag en van de voogdij van de Staat. De staat heeft onder het voorwendsel van het moraliseren en beschaven van de mens tot nu toe de mens tot slaaf gemaakt, onderdrukt, uitgebuit en verdorven. Daarom streef ik naar de organisatie van de maatschappij en van de collectieve of sociale goederen van onder naar boven, door middel van vrije vereniging, en niet van boven naar beneden door middel van enige vorm van gezag. Met het oog op de afschaffing van de Staat wil ik de afschaffing van de individuele erfelijke goederen. In die zin ben ik, mijne heren, collectivistisch en helemaal niet communistisch.

Ik heb gevraagd en ik vraag opnieuw om de economische en sociale gelijkstelling van klassen en individuen. [..] De geschiedenis van de Franse revolutie zelf en die van de vijfenzeventig jaar daarna bewijzen, dat politieke gelijkheid zonder economische gelijkheid een leugen is. Je zou tevergeefs de gelijkheid van politieke rechten verkondigen, zolang de samenleving door haar economische organisatie in sociaal verschillende lagen verdeeld blijft. Gelijkheid is aldus niets anders dan een fictie. Opdat het een realiteit zal worden, zouden de economische oorzaken van dat klassenverschil moeten verdwijnen – het zou de afschaffing van het erfrecht vereisen, die permanente bron van alle sociale ongelijkheden. Het zal noodzakelijk zijn dat de maatschappij, die niet langer in verschillende klassen verdeeld is, een homogeen geheel presenteert – in de zin van een organisatie die door de vrijheid volgens het recht tot stand is gekomen en waarover niet langer de schaduw hangt van de dodelijke scheiding van de mensen in twee hoofdklassen: die van de intelligente klasse en die van de arbeiders of wel die van de overheersing en het recht van bevel en die van de eeuwige onderwerping van de ander. Alle mensen moeten tegelijkertijd intelligent en hardwerkend zijn, zodat niemand meer kan leven van de arbeid van een ander en iedereen evenveel kan en moet leven van de arbeid van zijn eigen hoofd en van zijn eigen handen. Dan, mijne heren, maar alleen dan zullen gelijkheid en politieke vrijheid een waarheid worden.

Hier is dan wat we onder deze woorden verstaan: ‘de egalisatie van de klassen’. Het zou misschien beter zijn geweest om te zeggen: onderdrukking van de klassen, de vereniging van de samenleving door de afschaffing van de economische en sociale ongelijkheid. Maar we hebben ook de gelijkstelling van individuen geëist, en het is vooral waarop alle donderslagen van verontwaardigde welsprekendheid van onze tegenstanders neerkomen. Men heeft gebruik gemaakt van dat deel van onze stelling om op overtuigende wijze aan te tonen dat we niets anders zijn dan communisten. En om de absurditeit van ons systeem te bewijzen, heeft men een beroep gedaan op argumenten die zowel snedig als nieuw zijn. Een spreker, ongetwijfeld meegesleept door de energie van zijn verontwaardiging, heeft zelfs zijn aanzien willen vergelijken met dat van mij.

Staat u mij toe, mijne heren, om de kwestie op een serieuzere manier voor te dragen. Moet ik u zeggen dat het in eerste instantie niet gaat om het natuurlijke, fysiologische, etnografische verschil dat er tussen individuen bestaat, maar om het sociale verschil dat wordt veroorzaakt door de economische organisatie van de samenleving? Geef aan alle kinderen, vanaf hun geboorte, dezelfde middelen voor onderhoud, opvoeding en onderwijs; geef dan aan alle mensen die op deze manier zijn opgegroeid hetzelfde sociale milieu, dezelfde manier van het verdienen van hun levensonderhoud door hun eigen arbeid, en je zult dan zien dat veel van de verschillen, waarvan wij geloven dat het natuurlijke verschillen zijn, zullen verdwijnen omdat ze niets anders zijn dan het effect van een ongelijke verdeling van de voorwaarden van intellectuele en fysieke ontwikkeling – van de levensomstandigheden.

De mens, mijne heren, zoals alles wat leeft en ademt in de wereld, is geen creatie van zijn eigen wil, goed of slecht, want diezelfde wil, net als zijn intelligentie, is niets anders dan product – te weten een resultaat van de samenwerking van vele natuurlijke en sociale oorzaken. Verbeter de natuur door de maatschappij, maak zoveel mogelijk de voorwaarden van ontwikkeling en arbeid voor iedereen gelijk en je laat veel onzin, veel misdaden, veel kwaden verdwijnen. Wanneer allen ruwweg dezelfde soort opvoeding en hetzelfde soort onderwijs hebben ontvangen, wanneer allen door de dingen zelf verplicht zullen worden om zich te verenigen om te werken en te werken om te leven; wanneer arbeid, erkend als het ware fundament van alle sociale organisatie en het voorwerp van publiek respect zal worden, zullen mensen met een zieke wil, de parasieten en de dwazen merkbaar verminderen en zij zullen op het laatst eindigen door als ziek te worden beschouwd en behandeld. Ik ben het niet alleen, mijnheer Chaudey, het is uw meester Proudhon die het gezegd heeft.

Tot slot, mijne heren, ik herhaal het nog een keer: het gaat op dit moment van debatteren niet over de basis van de sociale kwestie zelf. Wat we nu moeten beslissen is of we gelijkheid willen, ja of nee? Dat is waar ik u op wilde wijzen.’

Michael Bakoenin, 23 september 1868.

[Overgenomen van de site van de Amerikaanse anarchist Robert Graham, klik HIER; vertaling Thom Holterman.]

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: